zondag 7 februari 2010

VICO ACTUS

DOODSSONDE

ZATERDAG, 6 OKTOBER.

Het regende en de wind was aangewakkerd in vergelijking met de vorige avond. Douwe had met dat weer altijd moeite om uit z'n bed te komen.
Hij wilde niet denken aan het koude zeil naast zijn bed. Daarnaast was het ook nog laat geworden in de stad. Dat was een goede reden om nog even te blijven liggen. Maar Douwe moest wel opstaan want hij had beloofd te zullen helpen bij de organisatie van een duathlon in het dorp. Met tegenzin stapte hij uit bed en liep naar het toilet in de douche. Douwe duizelde en voelde dat hij ging overgeven.

Snel deed hij de WC-bril omhoog en voorovergebogen over de pot kotste hij het avondeten en de versnaperingen vermengd met de drank van de afgelopen nacht uit.
Hè, da's beter, dacht hij en spoelde z'n mond met kraanwater. Het water werd echter bruin. ‘Gatver!', riep hij uit. Hij probeerde de douchekraan, maar ook daaruit kwam vrijwel onmiddellijk roestbruin water. Met braaksel aan z'n kin hangend, ging Douwe de trap af naar beneden en draaide in de keuken de kraan open. Ook bruin water. Het toilet beneden, alles was roestbruin gekleurd. Maar Douwe zou Douwe niet zijn als hij af en toe niet van die heldere momenten had. Zo ook nu. Hij haalde een glas uit de keuken en liep daarmee naar het toilet. Deed de klep van de spoelbak open en vulde het glas met water. Hij haalde meer glazen en vulde die. Boven poetste hij de zurige smaak uit z'n mond. Douwe kleedde zich aan en ging vervolgens met drie treden tegelijk naar beneden. Hij pakte zijn fiets uit de schuur en spurtte zich naar het clubgebouw van z'n voetbalclub bij de gemeentelijke sportvelden aan de dorpsrand.
Het was negen uur en inmiddels was de zon door de wolken gebroken. Over drie uur zou worden gestart en in die tijd moest nog veel worden gedaan. De route moest worden uitgezet en de stands moesten worden opgebouwd. Douwe had als taak de verzorgingsposten van water, bananen, sinaasappelen en sportdrank te voorzien. Hij zou een ronde van ongeveer tien kilometer langsgaan. Met een bestelbus van een plaatselijke firma kon het in een keer worden vervoerd.
Douwe kwam aan op het sportpark. Doelloos liepen er wat mensen rond. De sfeer was gespannen voelde Douwe, alsof ze er allemaal rondliepen met een kater of ochtendhumeur. Hij zag de man die zijn bestelbus beschikbaar had gesteld.
‘Waar bleef je nou? We hadden toch om negen uur afgesproken?' begon de middenstander.
‘Rustig maar, rustig maar, het is pas kwart over.' reageerde Douwe die de spanning toch goed had aangevoeld.
‘Ja, dat wel, maar de leidingen zijn vannacht gesprongen. De hele gemeente zit zonder schoon water.'
‘Dat heb ik gemerkt.' zei Douwe lachend.
‘Nu moet je even op en neer naar de stad om water te halen, dan kun je ook de sportdrank aanlengen.'
‘Had jij dat niet kunnen doen dan?'
‘Ja hoor es vrind, om negen uur moet die winkel los, m'n vrouw staat nu in de winkel.'
‘Dus nu moet ik naar de stad om water te halen?'
‘Juist.'

‘Waar had je gedacht dat je zo even water kunt gaan tanken?'
‘Ik heb het zwembad gebeld. Ze weten dat we komen.'
‘Heb je schone tonnen?'
‘Staan in de auto.'
‘Ah fijn, dacht je trouwens dat ik zo'n bus kan besturen?'
‘Je hebt toch een rijbewijs?'
‘Ik heb alleen nog nooit in zo'n bestelbus gereden.'
‘Geeft niet, het rijdt als een personenauto. Alleen een beetje rustig rijden. En denk om de lading!'
‘Oh?'
‘Alsjeblieft, de sleutels. Geert is er tegen tienen wel met de sportdrank, die oplospoeder, dus eh....'

‘Hier toch, was de bedoeling?'
‘Ja.'
‘Dan ga ik maar.'
‘Dat werd tijd.'
‘Nou, tuttuttut.' Tegelijkertijd maakte Douwe een claxonnerende beweging met zijn duim. Hij liep naar de bus, stapte in, startte en wilde wegrijden ware het niet dat de bus in de handrem stond. Door het geopende raam riep Douwe gekscherend dat het wel een oude bus was.
‘Rijd een beetje voorzichtig Douwe!' riep de middenstander hem nog toe.

In het dorp reed hij de postbode tegemoet.
‘Hé Siemon, je moet toch wat hè?!' riep hij vanuit het geopende raam.
‘Ha Douwe, altijd bezig!' Dat altijd bezig sloeg meer op de bode zelf dan op Douwe.
De rit over de provinciale weg, door de weilanden, langs de watertoren en de verscholen boerderijen, vloog voorbij.
Bij het stedelijk zwembad werd gezegd dat de tonnen naar binnen konden worden gebracht om ze te vullen. In de laadruimte stond een steekwagentje die gebruikt werd om de gevulde tonnen in te laden. De opzichter werd bedankt voor het helpen inladen en de tocht naar het sportcomplex werd aangevangen. Het was al over tienen en Douwe had derhalve maar anderhalf uur om zijn klus te klaren.
Niks aan de hand, dacht hij, op de heenweg reed ik rustig in twintig minuten. Ik kan het nu in vijftien of minder. Buiten de bebouwde kom werd het gaspedaal ingedrukt. Hij reed weer langs de weilanden en zag reigers aan de slootkant. De kievieten waren alweer op de trek. Douwe tuurde naar de grutto's die boven de sompige weilanden zweefden. Met een gangetje van negentig kilometer per uur naderde hij een boerderij. De eerste in de gemeente. Hij zag de postbode zijn ronde fietsen. Hij kwam bij de boerderij vandaan.
Douwe gaf wat gas; Honderd kilometer per uur gaf de teller aan. De brug over de vaart naderde. Met volle snelheid reed hij erover en hoorde de tonnen vallen. De lading rolde door de bus. Douwe die een onervaren chauffeur was, remde uit schrik èn omdat hij de scherpe bocht naderde. De wagen raakte uit balans. Douwe probeerde bij te sturen maar raakte de controle over het stuur kwijt. Hij vloog uit de bocht, reed de dijk op, werd afgeremd door modder en wilgentakken en reed met de voorwielen de volgelopen sloot in. Met een schok kwam de auto tot stilstand en Douwe klapte met zijn borst tegen het stuur.


De postbode zag het gebeuren. Hij racefietste naar de brug en zag honderd meter verder de achterkant van de blauwe bestelbus schuin omhoog steken. Bij de wagen gekomen gooide hij z'n fiets met nog enkele postpakketten in de fietstassen in het struikgewas en spoedde zich naar de cabine. Hij zag Douwe levenloos met z'n hoofd tegen het stuur. De postbode ging in de slootkant staan, zich niet bekommerd om zijn schone kleren en probeerde het portier open te krijgen. Het lukte hem niet.
In de verte naderde een auto. Siemon rende naar de weg en zwaaide met z'n armen om hem te laten stoppen. De wagen verminderde vaart en het portierraampje werd open gedraaid. Siemon vertelde gehaast dat er nog iemand in de auto zat. Er moest hulp komen, een ambulance moest gewaarschuwd worden. Hij vroeg de bestuurder direct alarm te slaan bij de boerderij even verder op. De man trok een zuur gezicht, draaide het raampje dicht en trok snel op. Siemon zag de man doorrijden bij de boerderij. ‘Tjonge zijn ze allemaal van de pot gerukt.' vloekte hij in zichzelf.
Siemon pakte zijn fiets en racete naar de boerderij. Aan de horizon ontwaarde hij een blauw zwaailicht. Het naderde met hoge snelheid. De sirene werd steeds luider.

Uit de boerderij kwam een vrouwspersoon aanlopen. In het Fries riep deze dat ze het alarmnummer had gebeld. Ze had het ongeluk zien gebeuren. Het was mevrouw De Boer wist Siemon. Ze kenden elkaar een beetje van zijn postronde. Ze was de vrouw van de grootste boer in de omstreken. Samen met haar man had ze een gemengd boerenbedrijf. Hij combineerde zijn melkveebedrijf met biologisch dynamische tuinbouw en zij deed de administratie en hielp mee met het melken van de koeien.
Siemon riep dat er nog iemand inzat en racete terug naar de bestelbus.
Inmiddels had het gearriveerde ambulancepersoneel met een koevoet de deur opengekregen. Het haalde Douwe uit de wagen toen Siemon arriveerde.
‘Die jongen heeft geluk gehad.' merkte een verpleger op.
‘Douwe heet hij, Douwe Doekstra.'
‘Douwe heeft geluk.' zei de verpleger nogmaals terwijl hij hielp het slachtoffer in de ambulance te laden. Een ander lid van de ambulancestaf deed Douwe een bandje om, die hij aansloot op een apparaat.
‘U weet hoe het gebeurde? Vertel dat de politie, die is er ook zo.' zei de verpleger gehaast.

De ambulance reed weg en de vrouw van de boerderij kwam er aanlopen.
‘Wat verschrikkelijk.' riep ze ontsteld uit terwijl ze de ravage van nabij aanschouwde.
‘Bedankt dat u die ambulance heeft gewaarschuwd.' zei Siemon.
De vrouw draaide zich om en keek Siemon met verschrikte ogen aan.
‘Een auto reed gewoon door.' gromde hij.
‘Ja ik zag hem stoppen en gelijk weer doorrijden. Waar gaan we naar toe?'
‘Waar we naar toe gaan weet ik niet, maar het was een Drent. Dat weet ik zeker.'
‘Het wordt ook met de dag erger, nog even en de vlam slaat in de pan.' verbeet de vrouw zich en ze dacht even na, ‘Maar hoe weet je dan dat het een Drent was?'
‘Dat zie je zo. Provinciaal stickertje en een stickertje van de voetbalclub. Maar die kreet op de achterruit zegt natuurlijk alles.'

De kreet 'Han'n-tus' is de kreet waarmee de Drentse bevolking zich denkt te onderscheiden van de buurprovincies nadat de gemeente Groningen zich na jarenlange juridische strijd een deel van de gemeente Peize heeft toegeëigend.


‘Daar kan ik met m'n verstand echt niet bij hoor. Dat zo iemand doorrijdt in zo'n levensbedreigende situatie. Ik maak hier werk van daar kan die zak op rekenen.'
‘Rustig maar Siemon, gelukkig komt het wel goed met die jongen.'
‘Douwe Doekstra.'
‘Oh, Douwe, dat moeten we maar als de wiedeweerga naar het ziekenhuis.'
‘U misschien, mevrouw De Boer, maar ik moet op de politie wachten èn ik moet m'n ronde nog afmaken.'
Na met de politie afgesproken te hebben na de ronde zijn verhaal te doen, stapte de postbode op de fiets om de resterende poststukken op weg naar het dorp te bezorgen.

Mevrouw De Boer reed in haar wagen naar het stadsziekenhuis. Ze was er niet de enige. De ouders van Douwe waren er, evenals de middenstander van wie Douwe het bestelbusje in de sloot heeft gereden. De emoties laaiden hoog op toen mevrouw De Boer zei dat Siemon, de postbode hem gered had, maar dat een automobilist niet eens de moeite nam om te bellen.
‘Schorem is het!' viel Douwe's vader mevrouw De Boer bij toen ze vertelde dat het waarschijnlijk een Drent uit de grensstreek was.
‘Tuig is het, die zooi uit het Noordenveld.' voegde de middenstander toe.
‘Siemon wil er wat tegen doen,' maakte mevrouw De Boer bekend, 'Hij heeft een signalement en zal dat aan de politie geven.'
De vader van Douwe haalde er zijn neus voor op, ‘Wat kunnen die er nou aan doen? Dit is een interregionaal probleem, terwijl het politiecorps nog altijd in hokjes is verdeeld. Nee, ze hadden dat IRT-gebeuren veel grootschaliger moeten aanpakken. Nu zitten we in het gebied waar de klappen gaan vallen, let maar op,'
‘Dat ben ik met je eens. De jeugd uit buurgemeenten wordt steeds gewelddadiger. Twee keer zijn er al ruiten bij mij ingegooid. De Han'n tus-pamfletten kom je nu ook bij ons tegen. Maar wat doe je er aan? Inderdaad een CIRT, een veel beter opsporingsapparaat.' riep de middenstander verontwaardigd uit.

Op dat moment kwam de arts de gang op waar de twee mannen en vrouwen sinds hun aankomst in het ziekenhuis stonden. De medicus wist van de receptie dat de vader van zijn patiënt een vijftiger was met achterover gekamd grijs haar. Dat kan niet missen, dacht hij de gang oplopend.
‘Ah, u bent de vader van Douwe?' sprak de arts, het groepje tegemoet tredend, ‘Ik heb goed nieuws. De verwondingen blijken nogal mee te vallen. Maar goed ook want anders had hij naar Assen of Groningen gemoeten en dat is toch wel lastig met die toestanden van tegenwoordig.'
Ze wisten allemaal wat de jonge arts met die toestanden bedoelde. Militante jongeren hebben zich beestachtig gedragen in Groningen na afloop van de voetbalwedstrijd FC Groningen - SC Emmen. Tijdens rellen na de wedstrijd zijn leden van de Mobiele Eenheid bij het provinciehuis in de gracht geduwd waarbij één zeer ernstig letsel heeft opgelopen.

Ook zijn tegen maatregelen van de Europese Unie en bezuinigingen van de nationale overheid protesterende Drentse boeren massaal naar de provinciegrensstreek getrokken en hebben daar de toegangswegen naar de stad Groningen geblokkeerd. Deze boeren zijn solidair met de boeren uit de grensstreek van Friesland, Groningen en Drenthe omdat de landerijen worden bedreigd door oprukkende bebouwing en industriecomplexen. Dit hebben ze twee dagen volgehouden. Daarna greep de Mobiele Eenheid in. Inmiddels had een grote politieke partij Kamervragen gesteld en geroepen hard op te treden tegen ordeverstoorders. De betrokken ministers wilden niet verder ingrijpen, maar ze omschreven de situatie als licht explosief.

De medicus vertelde dat Douwe minstens een week ter observatie moest blijven. Hij excuseerde zich en liep de gang uit naar vermoedelijk een andere patiënt.
‘Nou dat weten we dan ook weer. Hier komen we nog wel een week.' zei Douwe senior tegen zijn vrouw.
‘Ja, ik ga maar eens richting de boerderij. Trouwens Siemon, die postbode ....'
‘Ik ken hem wel.' onderbrak vader Doekstra mevrouw De Boer.
‘... Siemon zal nu wel bij de politie zijn geweest. Ik denk dat hij nog wel komt.'
‘Dat denk ik ook wel ja. Nou mevrouw De Boer, leuk dat u er ook was. Ik zal het Douwe zeggen als we bij hem mogen.'
‘Goed, en sterkte met uw zoon.'

Samen met de winkelier stonden de vader en de moeder zwijgend in de gang.
‘Waarom heb je Douwe laten rijden?' vroeg de moeder plotseling op een verwijtende toon aan de winkelier.
‘Ik dacht dat hij het wel kon. Hij heeft een rijbewijs dus ik dacht ...'
‘Kom, laten we nu geen zondebokken aanwijzen. We mogen blij zijn dat we zo naar hem toe kunnen.' vergoelijkte de vader zijn vrouw haar reactie. Tegen de winkelier zei hij dat het misschien ook beter was naar huis te gaan. Immers de winkel was ook open. Dat moest de winkelier toegeven.
‘Groet Douwe en zeg dat ik vanavond kom.' De winkelier drukte zijn afgezakte bril weer op de neus, ‘Als jullie het goedvinden natuurlijk.' Hij stak zijn hand uit.
Douwe senior schudde de uitgestoken hand, ‘Hij zou het niet leuk vinden als je ook niet even komt. Dan gaan wij dadelijk naar Douwe en spreken we elkaar vanavond nog wel.'

Douwe was tijdens het bezoek van z'n ouders te moe. Hij wilde rust. Ze zouden tijdens het bezoekuur 's avonds terugkomen, werd beloofd. Thuisgekomen vernomen zij dat de run-bike-run wedstrijd gewoon was doorgegaan, zij het met een vertraging van anderhalf uur. Alsof er niets was gebeurd. De heer Doekstra dacht daar vaak aan, want hoe vaak zag hij die verschrikkelijke beelden niet op televisie terwijl in hun wereld het leven gewoon doorging. Er werden feesten georganiseerd en daarbij werd gegeten, gezopen en gelachen.

Het was een calvinistische gedachte te denken dat er niet mocht worden gefeest en gelachen, maar er moest toch worden stilgestaan bij het leed om hen heen, vond Doekstra. Op zaterdag en zondag werd er daarom drie maal per dag in zijn gezin gebeden. Doordeweeks was dat niet mogelijk doordat zij allemaal een eigen leven hadden. Maar in het weekend werd er gebeden en haalde hij de probleemgebieden in de wereld, waar oorlog en honger was, aan. Voor de goede dingen die gebeurden werd in zijn gebeden gedankt.
Ondanks zijn problemen heeft hij ook nu gebeden. De vader deed nogmaals een schietgebedje en hoopte dat het tij zou keren.

Hij zag zichzelf als een goed christen. Niet dat hij zijn geloof uitdroeg, maar omdat hij zijn geloof gebruikte als basis van zijn leven, zijn functioneren. Nu zag hij het leed erg dichtbij komen. Veertig kilometer verderop werd gevochten. Niet door soldaten maar door burgers en politie.

Om zes uur 's avonds werd door hem de televisie aangedaan voor het journaal. De politiek was een belangrijk item in de familie van Douwe en nu de bezuinigingen op de agenda van het kabinet stonden, was Douwe senior erg benieuwd hoe het kabinet de bezuinigingen wilde afwentelen op de departementen. Eén ding stond voor hem vast: Onderwijs, Sociale Zaken en Defensie mochten niet extra worden gekort. Dat zou alleen maar de binnenlandse onrust vergroten.
Het journaal opende met de extra Kamerzitting op zaterdag, volgend op de finale ministerraadvergadering van vrijdagavond waarin de bezuinigingsoperaties centraal stonden. In een droge opsomming op het scherm, werd duidelijk dat Onderwijs en Defensie het meest moesten ombuigen en wel 750 miljoen en 1,1 miljard Nederlandse guldens.
‘Dat vraagt om problemen!' riep Douwe senior tegen z'n vrouw die in de keuken de afwas van de vorige dag uit de vaatwasser haalde.
‘Hè, wat?'
‘Die bezuinigingen op Onderwijs en Defensie.'
‘Dat zal wel nodig zijn Douw!' zei z'n vrouw die uit de keuken was gekomen.
‘Goed, maar ze halen het op de verkeerde plek.'
‘Er zal heus wel over nagedacht zijn.'
‘Ik betwijfel het. Want hoe kunnen ze nu Defensie met 1,1 miljard korten? Zo’n bezuiniging staat gelijk aan het opdoeken van het leger.'
‘Dan heeft Groen Links toch nog gelijk gekregen.'
‘Hoezo?'
‘Dat die Drentse minister van Defensie het moeilijk krijgt!'
‘Dat zal hij het nu ook krijgen. De hele Defensiestaf wil niet verder bezuinigen. Het gaat ten koste van de flexibiliteit van het leger. Kijk, die Luchtmobiele Brigade die ze vroeger eens bedacht hebben, wacht nog steeds op goede helikopters. Deze bezuinigingen gaan ten koste van de veiligheid van de militairen zelf. Dat zullen en kunnen ze niet pikken.'
‘Genoeg Douwe, genoeg geraaskald, we gaan naar Douwe.' Altijd als haar man doordraafde gebruikte Douwe's moeder dat commando. Eén keer ‘genoeg Douwe' en hij wist waar hij aan toe was. Hij hield dan zijn mond.
Ze trokken hun jassen aan en liepen door de voordeur naar buiten. Het was donker. Hun auto stond aan de andere kant van de weg geparkeerd. Ze staken de weg over en tot hun stomme verbazing zagen ze in het schijnsel van een lantaarnpaal dat de twee achterste banden lek waren gestoken.
Douwe senior reageerde woedend en verbouwereerd tegelijk. Z'n vrouw besefte meteen dat dit met opzet was gedaan. ‘Waarom toch?' vroeg ze zich af, ‘waarom toch?'
‘Gon,' zei hij tegen zijn vrouw die Gonny heette, wat hij altijd afkortte, ‘kom, we gaan met de taxi.' Douwe ging het huis binnen en belde een taxicentrale. Vijf minuten later stond er een taxi voor het huis.

Een half uur later waren ze bij het ziekenhuis. Met Douwe ging het een stuk beter.
‘Ik ben sinds vanmiddag behoorlijk bijgetrokken. De politie is geweest, maar ze moeten maar wachten. Morgen vertel ik hun mijn verhaal. De remmen werkten niet goed. Toen ik de bocht inging en wilde afremmen lukte dat niet. Het was alsof er geen remblokken meer opzaten.'
‘Ja hoor es, ik heb gehoord dat je behoorlijk hard reed, dat je over de brug racete en simpelweg de bocht bent uitgevlogen.'
‘Nee, pa, echt niet, de remmen werkten niet meer, geloof me.'

‘Ha, ik jou geloven? Dat geloof jezelf toch niet? Nee, je bent een zielig hoopje uitschot dat zijn leven en dat van een ander op het spel zet met dat onvolwassen piratenrijgedrag.'
‘Genoeg Douwe, rustig,' kwam de moeder tussenbeide, ‘Hij zal het echt niet met opzet hebben gedaan.'
‘Dat moest er ook nog eens bijkomen.'
‘Hé pa, hoor es, ik weet wat ik gedaan heb. Jij was er niet bij, dus ik weet niet waar jij je oordelen op baseert. Bemoei jij je maar met die onvolwassen boeren van jou. Die kun jij nog niet eens in toom houden'
‘Douwe, jij ook,' interrumpeerde moeder de vrouw weer, ‘je moest je schamen. Je weet niet eens wat je vader allemaal al gedaan heeft.'

Vader en moeder Doekstra zaten zo'n tien minuten aan het bed, waarna de winkelier met een joviale groet binnenkwam. In de ene hand een bos bloemen, in de andere een tijdschrift. ‘Zo ...., de hele kamer is voor jezelf? Je hebt een mooi uitzicht zeg...' riep de winkeleigenaar verbaasd uit.
Die man heeft ook niks zinnigs te zeggen hè, dacht Douwe.
De winkelier gaf datgene hij in z'n handen had aan Douwe en ging zitten. Douwe gaf de bloemen aan de vrouw in het gezelschap en bedankte de middenstander voor datgene hij aanbood.
Terwijl de moeder de bloemen in een vaas zette, zei de winkelier tegen Douwe dat hij dat tijdschrift eens goed moest lezen. Er stond van alles in over de bezuinigingen.
De groep wisselde wat wetenswaardigheden uit over andere dorpsbewoners. De winkelier wist het een en het ander te vertellen over mensen die tegen ‘de Kring' zijn, de beweging waar Douwe senior voorzitter van is.
Zo gaat dat altijd op een bezoekuur, roddels, roddels, roddels, dacht Douwe, die het opviel dat zijn vader en moeder even hard door het uur kletsten.

MAANDAG, 8 OKTOBER.

Het ging stukken beter met Douwe. Hij mocht sinds zondag zijn bed uit. Op de maandagochtend kocht hij zichzelf een krant. Het was volgens zijn gewoonte de Telegraaf. Op de voorpagina de paginabrede kop ‘bezuinigingen treffen studenten en militairen' met daaronder een overzicht van de gevolgen van de bezuinigingen voor de provincies, onder andere voor de noordelijke drie.
Op korte termijn zullen de militaire bases in Friesland, Groningen en Drenthe geheel of gedeeltelijk worden gesloten. Vliegbasis Leeuwarden verliest drie kwart van haar personeel, de militaire kazerne in Assen wordt gesloten, evenals het oefenterrein in de Marnewaard in Groningen.
Ook zal de bestuurlijke vernieuwing op korte termijn worden uitgevoerd. Dit kost de provincie Groningen 50 arbeidsplaatsen, Friesland 35 en Drenthe zelfs 61 plaatsen.
De bezuinigingen op Onderwijs zullen vooral op lange termijn gevolgen hebben zo voorspeld de krant. De regering heeft voor de drie noordelijke provincies drie gebieden aangewezen waar het Hoger Onderwijs zich dient te concentreren. Dat betekent dat enkele instellingen zich moeten verplaatsen. Het universitaire onderwijs zal sterk worden afgeslankt. Enkele faculteiten in Groningen zullen worden geschrapt. Het Kernfysisch Versneller Instituut zal worden verplaatst naar Petten om kennis te centraliseren.
Op lange termijn zullen de regionale investeringen niet meer worden bevorderd vanuit de ISP-pot.
Voor het noorden betekent dat een strop voor de Noordelijke Ontwikkelings Maatschappij. Hierdoor zal de provinciale discussie over de verdeling van NOM-gelden nog intenser worden, wist de krant te vertellen.

De arts kwam langs. Zijn mededeling was dat Douwe dinsdag weer naar huis mocht. Alles is nog vrij goed afgelopen was zijn oordeel. Die complexe armbreuk was het ergste niet. Nee, er was volgens de arts geen reden om nog langer te blijven.
Na die mededeling liep Douwe de gang op. Het goede nieuws moest even zijn ouders en vrienden worden doorgebeld. Bij zijn ouders werd niet opgenomen. De zwangere vrouw van een vriend van nam op. Over een paar dagen was het zover dus als Douwe was gebleven was zij er ook was haar reactie. Hij probeerde zijn ouders nog twee maal, maar er werd niet opgenomen. Niks aan de hand vond hij.

Het was bezoekuur. Douwe wist niet wie zou komen. Hij zette zijn teeveetje aan. Er was een hem onbekende serie op. Toch bleef hij, zij het ongeïnteresseerd kijken. Toen verscheen er een mededeling in beeld dat de uitzending zou worden onderbroken door een extra nieuwsbulletin.

De nieuwslezer kwam in beeld en begon zijn verhaal, ‘Na ernstige excessen in de Friese hoofdstad Leeuwarden alwaar acht Groningse leden van een gezelligheidsvereniging zijn gemolesteerd door Friese studenten en na de brandstichting in een Friese studentensociëteit in het centrum van de Groningse hoofdstad Groningen, zijn op grote schaal huizen van Friese inwoners van Drenthe in brand gestoken.' De nieuwslezer haalde diep adem, ‘De bevolking in de drie provincies is vanavond massaal de straat opgegaan om deze wanordelijkheden af te keuren. Ongeruste burgers uit Groningen en Drenthe zijn naar de verbindingsweg Nietap-Leek getrokken. Daar heeft de Mobiele Eenheid een eind gemaakt aan deze demonstratie die dreigde uit te lopen op een betoging tegen de democratie. Demonstranten die geen gehoor gaven aan de oproep van de ME zijn ruw uit elkaar geslagen. Hierbij vielen rake klappen. Echter toen de ME werd beschoten met een windbuks trokken zij zich terug. Korte tijd later werden er charges uitgevoerd waarbij de schutter werd gearresteerd. Er zijn hierbij tientallen gewonden gevallen. Aan de zijde van de Mobiele Eenheid is een sergeant gewond geraakt door hagel in zijn oog.
De commissarissen van de Koning in de drie provincies roepen gezamenlijk op de rust te bewaren en zich niet naar het gebied te begeven.'

Heb je door dat het even verder op is gebeurd, dacht Douwe bij zichzelf.
Het journaal ging verder, ‘Zojuist bereikt ons het bericht dat de Han'n-tus beweging geclaimd heeft de voorzitter van de belangenvereniging ‘Boeren in de Kring' en zijn vrouw te hebben ontvoerd. Van hen is geen enkel spoor.'
‘Wat?! Ontvoerd?! M'n ouders zijn ontvoerd, verdomme man!' riep hij ongelovig. Verschrikt keken de bezoekers en de patiënten, die zaterdagavond en zondagochtend nieuw op de zaal zijn gekomen, naar Douwe. ‘M'n ouders zijn ontvoerd.' riep hij nogmaals, ditmaal wat bedaarder van toon voor zover dat kan als zo'n mededeling je via de televisie bereikt.
Er was grote consternatie, bezoekers raakten opgewonden met elkaar in gesprek. Waarover was niet duidelijk want hen bereikte alleen maar de mededeling ‘M'n ouders zijn ontvoerd.'
De veertiger die tegenover Douwe lag had het bulletin ook gezien. ‘Dus jouw vader is voorzitter van de Kring?'
‘Ja,' zei Douwe, ‘helaas wel.'
‘En nu hoor je op televisie dat je vader en moeder ontvoerd zijn?'
‘Ja, verdomme man.' zei Douwe die uit het ziekenhuisbed stapte terwijl hij zijn kamerjas aantrok, ‘Vanmiddag namen ze al niet op.’
“Verdomd lullig voor je.’
‘Ja, ik ga even bellen.'
Douwe liep de zaal uit. Onderweg naar de telefoon liep hij zijn arts tegemoet. Deze zei het gehoord te hebben en dat hij het echt heel naar vond. Als hij iets kon doen, moest Douwe het zeggen.
‘Dan wil ik gelijk jouw telefoon gebruiken. Ik moet direct een aantal telefoontjes plegen.'
‘Ja natuurlijk, loop maar even mee.'
Douwe liep mee naar de werkkamer van de arts. Hij ging zitten en toetste het eerste nummer in dat hem te binnen schoot. Het nummer van zijn oma, de moeder van zijn moeder, zijn enige nog levende grootouder. Ook zij had het nieuws gehoord op de televisie. Het was een schok. Gelukkig was haar dochter er ook en daar had ze veel steun aan. Ze had de politie al gebeld, maar deze kon haar niks vertellen. Douwe bedankte zijn oma, wenste haar sterkte en belde het PTT-informatienummer voor het nummer van de politie.
Inderdaad kon de politie niks vertellen, maar ze wisten dat Douwe in het ziekenhuis lag. Zodra er meer bekend zou zijn, zouden ze iemand sturen om hem op de hoogte te houden.

DINSDAG, 9 OKTOBER.

In de nacht kon Douwe de slaap niet vatten. Hij voelde zich geen patiënt. Het was daarom een horror om met zijn loodzware probleem op een zaal met kuchende patiënten te moeten liggen. Uren lag hij naar het plafond te staren en langzaam sukkelde hij in slaap. Maar bij het minste of geringste geluid werd hij wakker. Dan herhaalde het proces zich opnieuw. Staren naar het plafond. In de schaduw van de door het raam, de vitrage en het gordijn schijnende maan zag hij de figuren van zijn vader en moeder, van de bestelbus en van de man die tegenover hem lag. Toen viel hij in slaap.

Hij droomde dat de laatstgenoemde hem feliciteerde dat zijn ouders waren ontvoerd. Het was geen normale felicitatie. Nee, het was zo'n broederlijke omhelzing waarbij die man hem met beide handen bij de schouders pakte, hem naar zich toe trok en omhelsde. ‘Wees er blij mee,' zei die man luid, ‘ze zijn niet te vertrouwen. Het is goed dat ze worden opgeborgen.'
Douwe reageerde in z'n droom, ‘Wie ben jij, zo'n vieze rooie? Of zo'n laffe paarse? Als jij spreekt over vertrouwen, weet je dan wel wat dat is?'
‘Ach jongen, ga toch slapen!'
‘Wat?! Hoe kan ik nou slapen als m'n ouders zijn ontvoerd, de politie niks doet en ikzelf in het ziekenhuis lig?
‘Morgen hoor je wel meer. Wellicht wordt je vader dan geëxecuteerd. Zomaar voor de vorm. Dan heb je die last ook niet meer. Voorzitter van de Kring, tjonge, jonge, laat me niet lachen zeg!'
‘Hé man, je hebt het over mijn familie, hoor je?'
‘Wat zou dat, bij ons in Drenthe hebben we al sinds lange tijd een gruwelijke hekel aan jullie, met dat taaltje en die privileges. Verkeersborden in het Fries, laat me niet lachen! En dan het eeuwfeest van jullie, ha ha jullie zijn echt bezopen!'

Douwe wilde zijn bed uitstappen en de man te lijf gaan, toen plotseling het licht aanging.

‘Opstaan heren, wakker worden....,' werd er geroepen door een verpleger vanuit het portaal, ‘Uw ochtendkrant wordt zo gebracht, evenals de pillen. En eh, dan heb ik nog goed nieuws voor de heren Doekstra en Ten Berge, u mag vanmiddag uw spullen pakken en vertrekken. Voor u meneer Doekstra komt vanmorgen de politie om u op de hoogte te brengen van de ontwikkelingen. Als we de krant mogen geloven komt er aan die ontvoeringszaak snel een eind. Maar feit is natuurlijk wel..'
‘Ja, zo kan die wel weer Terpstra, je moet nieuwslezer worden. Ga die pillen maar halen!' beet de patiënt die het dichtst bij de deur lag de verpleger toe. Tegen een nieuweling op de zaal zei hij dat die verpleger het liefst de hele krant voor zou willen lezen.

Douwe was al wakker. Hij had voor zijn gevoel geen oog dicht gedaan. Met moeite kwam hij z'n bed uit. Hij had een beetje last van z'n arm. Hij had een humeurig gevoel aan de laatste droom overgehouden.
‘Hé, Doekstra,' zei Ten Berge die tegenover hem lag, ‘gaat het een beetje?'
‘Ik heb een rot droom gehad.' antwoordde hij.

‘Die ontvoering gaat je niet in de kouwe kleren zitten natuurlijk. Maar die ontvoerders zullen wel met eisen komen en als die worden ingewilligd is er niks aan de hand. De politie zal natuurlijk ook wel helpen.'
‘Ja, natuurlijk.' zei Douwe die weinig zin had met die man te praten.

Douwe waste zich en kleedde zich zo goed mogelijk aan. De doktoren kwamen zo langs voor een laatste check. Als dat goed was kon hij naar huis. Daar ging Douwe ook vanuit. Hoe eerder hoe beter.
Na de arts die zei dat hij er geen bezwaar tegen had dat Douwe het ziekenhuis verliet, kwamen nog twee agenten binnen. Ze kenden elkaar inmiddels en met een oogwenk maakte de dienstuitmakende agent duidelijk dat ze Douwe op de gang wilden spreken. Douwe begreep waar het om ging en stapte uit z'n bed.
‘Luister,' zei de leidende agent, ‘het eisenpakket van de ontvoerders is binnengekomen. Ze hebben vier eisen. De eerste eis: stoppen van de samenwerking tussen FRICO en DOMO; De tweede eis: geen Friese boeren in Drenthe; De derde eis: stoppen met de provinciale herindeling ten gunste van Friesland en Groningen; En de vierde eis: verplaatsen van de gasopslag van Langelo naar de Limburgse mijnen.' Hij keek naar Douwe die weinig politieke kaas had gegeten, ‘Het zal in ieder geval wel duidelijk zijn dat dit erg onrealistische eisen zijn. Maar we hebben de afgelopen nacht niet stil gezeten. Inmiddels is de verblijfplaats bekend en zijn er plannen opgesteld hoe we de zaak Doekstra kunnen aanpakken. Ze azen natuurlijk op aandacht in de media dus als we niks doen kunnen ze de media bespelen. Het tweede scenario: we kunnen de onderhandelingen met de ontvoerders starten. We kunnen die eisen natuurlijk niet realiseren. Wat heeft de overheid met de eerste eis te maken? Laten ze dat maar in Cao-onderhandelingen onderling oplossen. Nee, in het derde scenario zullen wij jou ouders bevrijden. Dit is ook de meest waarschijnlijke optie. Omdat we de verblijfplaats weten en de kennis hebben om zo'n bevrijdingsacties uit te voeren, denken we dat het verstandig is direct toe te slaan.'
De andere agent nam het woord over, ‘Ik hoop dat we eerst voldoende hebben meegedeeld. Het is niet verstandig dat jij exact op de hoogte bent van plaats en tijd omdat we een aantal personen binnen dit ziekenhuis verdenken van tenminste enige sympathie met de daders en dat het jou belangen kan schaden als zij zouden beschikken over de informatie die wij jou zouden kunnen verstrekken.'
‘Jullie weten het vast beter dan ik, dus jullie zoeken het maar uit. Als mijn ouders er maar levend uitkomen.'
‘Ja, als er geen gekke dingen gebeuren kun je daar op rekenen.'

Douwe liep moeizaam terug naar de zaal. Allerlei fatalistische gedachten flitsten door zijn hoofd. Duizelend viel hij op z'n bed neer.
's Middags zouden enkele vrienden hem komen ophalen. Daarom kleedde hij zich wat behoorlijker aan. Het kostte hem moeite. Gelukkig had hij de tijd.
Na het middageten verschenen de vrienden al vrij snel. Hem werd gevraagd of hij gereed was te vertrekken. Zijn vrienden vertelden hem dat er in die paar dagen ziekenhuis veel is veranderd in de wereld om hun heen. Onderweg naar Ureterp zouden ze het wel zien.

We zullen naar Frieschepalen gaan,' zei Aart terwijl hij de motor startte, ‘Dan kun je precies zien wat we bedoelen.' Langzaam reed hij de auto van het veel te grote parkeerterrein.
‘Wat bedoel je, wil je de in brand gestoken boerderijen laten zien? Dat is gewoon ordinair ramptoerisme man!'

‘Nee, nee, wacht maar. Het is veel erger dan ik over de telefoon vertelde,' reageerde Aart fel, ‘Het is bijna oorlog na wat ze gedaan hebben!'
‘Nog even en de schoorsteen van dat dierencrematorium brandt dag en nacht, fascisten zijn het.’
‘Wie bedoel je, Foppe?’
Hij antwoordde niet.
Ze reden de stad uit, de grote rotonde op, om vervolgens de afslag Ureterp, Frieschepalen te nemen. Dit dorp was sinds enkele jaren favoriet bij mensen die buiten de stad wilden wonen. Het is een groeikern sinds de nieuwe wijk Lipom werd voltooid. Lipom had inmiddels het predicaat -kinderrijkste wijk van Nederland- verworven.
‘Hier, die niet-Friezen neuken maar raak. Twee, drie per gezin, wat kan het schelen.’

Ze reden door de weilanden naar Frieschepalen en zagen mensen bezig hun ramen met schotten te barricaderen.
‘Hier Douwe, zie je? Hier heerst de angst omdat sinds twee dagen lui van daarginds....,' Aart wees met zijn vinger in de richting van de grens met Groningen, ‘proberen met molotovcocktails boerderijen en woonhuizen in brand te steken.'
Douwe keek naar de boerderijen en woningen die aan weerszijden van de weg lagen. Ze naderden een roadblock, een wegversperring.
‘Dat is een maatregel die we getroffen hebben.' verduidelijkte Aart.
‘We?'
‘We.., dat zijn alle Friezen die hier wonen.'
Aart reed langzaam door de blokkade heen en stak z'n middel- en wijsvinger gespreid tot een V door het geopende raam, in de lucht. Douwe keek er met verbazing naar.
‘Ik zal naar Bakkeveen rijden. Kun je ook wat zien.'
‘Rijd me alsjeblieft maar naar huis. Ik ben ongerust over m'n ouders.'
Er werd niet ingegaan op Douwe's verzoek. Ze naderden de volgende wegversperring. Ditmaal reden ze langs een vaart en zagen dat er bij de huizen aan de westkant van de vaart praktisch geen maatregelen werden getroffen.
‘Daar zijn de mensen vrij veilig,' zei Aart, ‘Ze kunnen daar niet ontsnappen hè.'
‘Wie zijn ze?' vroeg Douwe.
‘Kom op Douwe...,' sprak een studiegenoot achter hem plotseling, ‘Nog nooit gehoord van de Drenten en Groningers? Ze willen ons pakken omdat we een eigen taal en eigen onderwijs hebben en ook nog eens erkend worden in de rest van Nederland en het buitenland. Ze zijn ontzettend jaloers.'
‘Ja en omdat de Kring zo goed loopt, zijn ze bang geworden. Daarom hebben ze je ouders ontvoerd. Maar wees gerust, ze komen er wel uit. Die lui hebben geen poot om op te staan.'
‘Nee dat denk ik ook niet, hun eisen zijn zo politiek gekleurd dat ze geen schijn van kans maken.' zei Douwe die blij was dat zij eindelijk belangstelling toonden voor zijn probleem.
‘Oh, jij weet de eisen al Douwe?' merkte Foppe, die alleen op de achterbank zat, op.
‘Ja, vanmorgen nog gehoord van de politie, maar ze hebben me niet verteld dat het zo erg is.'
‘Wat waren die eisen dan?' vroeg Foppe die inmiddels zijn hoofd tussen de twee stoelen had gestoken om Douw beter te kunnen verstaan.

‘ 't Had iets te maken met FRICO en DOMO, ze willen dat de grote zuivelfabriek gesplitst wordt. Ook willen ze die provinciale herindeling tegenhouden. Ik ga er dus vanuit dat het Drenten zijn.'
‘Ja, dat dacht ik ook, alleen we hebben te maken met meerdere partijen. Kijk, die honden die hier huisgehouden hebben komen uit Groningen, geen twijfel over mogelijk.' zei Aart.
‘Ogenschijnlijk hoef je daaraan niet te twijfelen, maar heb je bewijs?' vroeg Foppe.
‘Natuurlijk, er zijn vannacht enkelen aangehouden en ze spuiten de boel onder met rune-tekens. Groningers uit Zevenhuizen en de Boerenstreek. Het was op de radio.'
‘Dat zegt veel.'
‘Hmhm.' bevestigde Aart binnensmonds, ‘Goed, we rijden heer Doekstra wel even naar huis.'

Op de achtergrond dreunde de beat van de nummer een in de hitparade. Aart zette de radio wat harder:
"Well, you killed the whole history
how could you
how could you do

Oh there was a time
I thought I loved you
I believed
I believed in you

But now it all seems a fake
why didn't you
why didn't you stop
with your powerfull hand
the bloody massacre all in the world"

‘Als we niet oppassen hebben we hier ook zulke taferelen. Dan schrijven ze over twintig jaar hier ook zulke teksten.'
‘Als het gebeurt, Aart, dan hebben we een gigantisch schuldcomplex waar we nooit meer vanaf komen of we liggen met nog honderden anderen gezamenlijk in een massagraf.'
‘Ja, laten we dan maar oppassen.'

In Bakkeveen keerden ze bij de kerk in het midden van het dorp. Ze reden dezelfde weg terug, maar sloegen linksaf naar Ureterp. In het dorp was het de eerste weg links, dan alsmaar rechtdoor en vervolgens einde weg rechts. Aan de overzijde van de weg woonde de familie Doekstra in het derde huis. Midden in de weilanden aan de rand van Ureterp, de Bûtewei. Daar hield Aart voor Douwe's ouderlijk huis stil. De auto met de lekgestoken banden stond er nog. Douwe zag de achterste wielen.
‘Nog een bewijs dat we niet met een kinderachtige groep te maken hebben. Zaterdag zijn die banden lekgestoken. De politie heeft een vermoeden wie het gedaan zou kunnen hebben. Maar op de politie moeten we niet vertrouwen. We moeten zelf het heft in handen nemen, anders worden we platgewalst door die gasten.' zei Aart, die samen met Foppe ongevraagd met Douwe meeliepen, op luide toon.

‘Ik heb nog 's nagedacht in het ziekenhuis,' zei Douwe terwijl hij ging zitten, ‘ De ontvoerders kunnen ook mijn ongeluk op hun geweten hebben, want ...' Op dat moment rinkelde de telefoon. Douwe maakte de zin niet af, maar boog zich voorover om de hoorn van de haak te nemen.
Het was Siemon, de olijke postbode.
‘Waar bleef je nou?' vroeg hij.
‘Ook altijd bezig hè.' zei Douwe, terwijl hij zijn hand opstak naar Aart en Foppe die opstonden en zeiden dat ze weggingen.
‘Nee,' corrigeerde Douwe zichzelf, wachtend tot de twee vrienden de deur achter zich dicht trokken, ‘Aart en Foppe moesten me zo nodig alle branden laten zien.'
‘Heb je hun gevraagd je thuis te brengen?'
‘Nee, Aart belde maandagavond. Hij wist dat ik in het ziekenhuis lag. Hij bood me aan me thuis te brengen toen ik vertelde dat ik dinsdag, vandaag dus, naar huis kon.'
‘Verdomme, wat heb je hem verteld?'
‘Hé hé, doe een beetje kalm aan zeg.'
‘Je hebt gelijk, maar ik verdenk die twee.'
‘Van collaboreren met de vijand zeker?' vroeg Douwe.
Siemon reageerde alsof het de normaalste zaak van de wereld was, ‘Nee nee nee, dat ze iets willen met die ontvoering van je ouders.'
‘Ja, je hebt wel een beetje gelijk. Ze waren onder andere geïnteresseerd in de eisen van de ontvoerders.'
‘Dat vermoedde ik al. Je weet verder niks zeker?'
‘Hoezo niks? Ze hebben me niks verteld, maar alleen de afgebrande huizen en de wegversperringen laten zien. Het is een oorlogssituatie daar.'
‘Dat weet ik. Hé Douwe, ik zal niet langer de lijn blokkeren want de politie zal je ook nog willen spreken, denk ik.'
‘Klopt,' zei Douwe, ‘daar twijfel ik niet over.'
‘Hé Douwe, ik zie je nog wel.'

Douwe legde de hoorn op de haak en zuchtte diep. Hoe kon hij de situatie het beste aanpakken?
De politie zou hem van de ontwikkelingen op de hoogte houden. Douwe moest op zijn beurt zijn grootmoeder informeren. Als hij haar uitnodigde tijdelijk naar Ureterp te komen, zou dat een hele zorg minder zijn. Zijn oma kookte een voortreffelijke kost. De brandstichtingen bij de grens komen niet dichterbij dus het zou niet gevaarlijk hoeven te zijn. De verdere familie zoekt het maar uit, dacht Douwe, ze hebben de kranten en de TV èn ze kunnen bellen. Wat dat betreft is er geen probleem. Dan zijn er nog de Boeren in de Kring, het is hun voorzitter. Ach, dacht Douwe, ze hebben een vicevoorzitter die zal hen wel op de hoogte houden.

De telefoon ging over. Douwe die er naast zat, drukte de knop in waardoor hij op afstand kon spreken.
‘Ja.'
‘Met Krikke, van de gemeentepolitie. Ik spreek met Douwe Doekstra?'
‘Ja, het ligt er aan, welke?'
‘Douwe Doekstra, Bûtewei nummer vijf!'
‘Ja,' zei Douwe. Doe niet zo formeel kwal, sprak hij in z'n gedachten.
‘Ehm, we hebben eh .... De verblijfplaats is inmiddels bekend. We hebben de woning omsingeld en het kan op ieder moment gebeuren. We zijn van plan je ouders zonder kleerscheuren uit handen van de ontvoerders te bevrijden.'

‘Zo.., en wanneer gaat dat gebeuren?'
‘Dat kan ieder moment zijn. We willen eigenlijk zo weinig mogelijk kwijt. We leven immers in een dorp en je weet net zo goed als ik dat als je de een verteld wat de ander doet, het hele dorp het binnen de kortste keren weet.'
‘Inderdaad, maar waarom weet ik dan zo weinig?'
‘Dat eh.., is niet mijn probleem.'
‘Wat is jullie probleem dan wel?'
‘Nou eh.., dat doet nu even niet ter zake. We hebben geen problemen!'
‘Fijn ..., om dat te horen! Jullie hebben geen problemen!' irriteerde Douwe, ‘Ik heb ze wel.'
‘Daarom zijn wij er ook, om die problemen op te lossen.'
‘Volgens mij doen jullie er niks aan!' beet Douwe van zich af.
‘Dat zijn uw woorden, niet de mijne.'
‘Precies, dat is alles wat ik te zeggen heb.'
Douwe drukte op een knop waarna de verbinding werd verbroken, ‘Jezus, wat een onvertrouwelijke politie.' Onmiddellijk toetste hij het nummer van zijn oma in. Ze nam direct op. Douwe vroeg haar of ze zin had om te komen. Er is niks aan de hand, zei hij. Het is onrustig aan de grens met Groningen en Drenthe, maar bij hem in Ureterp ging het leven op straat in principe gewoon door.
‘Het lijkt mij een uitstekend idee dat ik naar je toekom. Hoe moet je ooit eten koken met je arm in het gips? Nee, ik zorg dat er eten is, ik zal wat meenemen, dan krijg je weer eens goed eten dan die ziekenhuistroep.' Dat was zijn grootouder, in een moeilijke situatie bleef ze heel koel, heel laconiek.
‘Waar het om gaat is dat we beter niet alleen kunnen zijn nu. De politie wil wat doen, maar ik betwijfel of ze wat kunnen.'
‘Best jongen, ik kom er direct aan.'
‘Okay, tot straks.'
Dat korte gesprek luchtte hem op.
Douwe belde Siemon. Hij bereikte hem op zijn autotelefoonnummer. Op dinsdagen gebruikte hij altijd de bestelauto want dan was het druk.
‘Hé Siemon, wat weet je van Aart en Foppe?'
‘Ik heb Aart vanmiddag gesproken. Hij vertelde me dat hij erover denkt een knokploeg op te richten. Na wat hij gehoord heeft in de media, is hij bang dat die eh.., schermutselingen escaleren. Die ontvoering van je ouders heeft hem aan het denken gezet. Hij vertrouwt de politie niet. Zij hebben ook problemen. Dus een zaak niet oplossen helpt hen meer dan met z'n allen naar Den Haag te gaan. Het is pure machtspolitiek. Aart denkt dan ook dat de politie je ouders nog even laat zitten. Het heeft niet hun prioriteit. Wat ze jou verteld hebben raakt kant noch wal.'
‘Daar heb je gelijk in. Ze draaien er om heen. We moeten zelf wat doen!'
‘Dat denk ik ook.' zei Siemon, ‘Ik weet waar je ouders zitten. In een boerderij in Een-west.'
‘Kunnen we daar wat uitrichten?'
‘Weet ik niet, maar we hebben de Boeren in de Kring. We moeten ze optrommelen om concrete plannen voor de bevrijding van je ouders uit te werken.'
‘Dan kun je de fax van m'n vader gebruiken. Hij heeft het adressenbestand van de aangesloten boeren wel in de computer.'

‘Dat zou natuurlijk prachtig zijn. Laten we de boeren faxen met de mededeling dat er morgenochtend een extra vergadering is met betrekking tot de ontvoering. We vragen dan gelijk terug te faxen met hun mening hoe we de affaire moeten benaderen. Ik kom zo naar je toe, da's goed?'
‘Geen probleem, kun je gelijk blijven eten, m'n oma is er.'
‘Prima, bel dan gelijk Siccema L. Brouwer, dan weten we gelijk hoe hij er tegen over staat.'
‘Ja, maar dat weet ik al. In het ziekenhuis is hij nog op bezoek geweest. Die man is woest en niet omdat ik z'n auto in de sloot heb geparkeerd. Nee, hij had het over de jeugd en de toekomst. Hij wil er ook wat tegen doen.'
‘Okay Doekstra, dan kom ik er meteen aan.'
Dat is dan geregeld, peinsde Douwe nadat verbinding was verbroken, als ik nou ook nog wat van de voetbalclub optrommel? Nee, laat hen er maar buiten. Daar heeft die politieman wel gelijk in; Voordat je het weet, weet het hele dorp het. Nee dat moeten we niet hebben met al die import hier.

Om kwart over vijf 's middags kwam de fanatieke grootmoeder in haar auto aanrijden. Ze parkeerde de wagen naast die van haar schoonzoon en dochter. Ze stapte uit, sloot de wagen af en liep over het met fijn grind bedekte voetpad naar de voordeur. Douwe had haar zien aankomen en stond al in de deuropening.
‘Zo jongen, dat hebben ze mooi gemaakt,' Ze keek naar zijn gipsen arm, ‘Blij dat je weer thuis bent.'
‘Kom erin oma.' Douwe gaf haar drie kussen op haar wangen. ‘Alsjeblieft, één voor het nu, één voor het heden en één voor de toekomst.'
‘Is er nog nieuws van het front?'
‘De politie heeft gebeld. Ieder moment kunnen ze worden bevrijd. Ze houden me nu al dagen bezig met hetzelfde nieuws.'
‘Geen nieuws is goed nieuws, toch?'
‘Nee, natuurlijk niet. Ze worden nog steeds vastgehouden. Niks is veranderd.'
‘Weet je dat ik aan het schilderen ben?' vroeg de grootmoeder om de oplopende spanning te keren.
‘Het huis? Nu?'
‘Nee Douwe, op doek, landschappen en stadsgezichten.'
‘Wil je kunstschilder worden dan?'
‘Vroeger misschien. Ik ben toegelaten op wat ze tegenwoordig kunstvorming noemen, maar na twee jaar ben ik er weer vanaf gegaan. Toen leerde ik je opa kennen. Maar nu ben ik dan toch weer begonnen met schilderen. Heerlijk als je dat nog kunt.'
‘Je kunt het nog?'
‘Wat dacht je? Nee, het zal wel niks zijn, maar het verlegt je grenzen wel. Ander ben je constant bezig met die ontvoering, waar je al helemaal niks tegen kunt doen.'
‘Jij misschien niet oma. Maar de boeren uit de omgeving en een paar vrienden van me zullen wel wat ondernemen.'
‘Nee, kom Douwe, laat de politie in vredesnaam de zaak oplossen.'
‘Daar is het wel een beetje laat voor. Het is oorlog daarginds.'
De oma reageerde nogal verschrikt. ‘Wat er gebeurt tussen de Groningers en Drenten is onze zaak niet,' zei ze kortaf, ‘Daar moeten we ons niet mee bemoeien.'
‘Ja oma, maar luister. Ze willen ons erbij betrekken. Daarom hebben ze pa en ma ontvoerd.'

‘Ach Douwe, we waren er al bij betrokken door de plannen van die Boeren in de Kring. Zij wilden land opkopen in Drenthe en de provincie wilde Drents grondgebied en inderdaad vroeger zijn de FRICO en DOMO gefuseerd. Het waren twee provinciale melkfabrieken uit Leeuwarden en Drenthe, dat klopt. Dus we zijn er altijd al bij betrokken geweest Douwe! En dan gaan we na decennia zeuren?
‘Goed als dat zo is hè. Waarom grijpen we dan niet in? Dat is toch rechtvaardig?'
‘Jij je zin Douwe, ik ga eten koken.'
‘O ja, straks komt er ook nog iemand anders. Kan hij mee-eten?'
‘Dan moeten we delen, want ik heb niks extra meegenomen.'
Douwe liep de keuken in en vertelde van de boeren en dat er de volgende ochtend een vergadering zou zijn.
‘Hm, hm, daarom wil je me hier hebben?' merkte de oma op terwijl ze de rijst in een maatbeker afpaste, ‘Nou jongen, wegwezen.'
Douwe liep de keuken uit en pakte de krant die op de eettafel lag. Hij las hem nog eens door. Voordat de agenten hem 's morgens in het ziekenhuis wilden spreken had hij hem al gelezen. Zijn oog viel op een kop op de voorpagina. -Voorzitter nog gegijzeld-. Er stonden drie regels onder met een verwijzing naar pagina zes, kolom acht. Hij had het al gelezen. Op de zesde pagina werd zijn moeder pas genoemd als gijzelaar. Het was niet belangrijk. Ze was alleen maar de vrouw van de voorzitter. De eisen waren niet bekend. Er stond derhalve weinig in over de gijzeling zelf. Wel stond er nadrukkelijk dat de ontvoering plaats vond op klaarlichte dag. Om half elf wilde het echtpaar, zo stond in de krant, naar de kerk in het centrum van het dorp toen het tweetal werd overmeesterd en in een oude Toyota Starlet met onbekende bestemming werd afgevoerd.
Die laatste feiten waren voor Douwe nieuw. Nu begreep hij hoe Siemon wist waar zijn ouders in gegijzeld worden gehouden. Hij kende alle boerderijen in de omgeving en wist natuurlijk welke auto's er vaak stonden. Een Toyota Starlet is erg achterhaald, dus opvallend.
Zijn oma bereidde de rijst. ‘Wanneer komt die gast?' riep ze vanuit haar dochters domein.
Douwe zei dat hij het exacte tijdstip niet wist.
‘Het eten is zo klaar hoor. Ik weet niet ....'
‘Onze gast, Siemon, weet ook waar pa en ma zitten. Het staat bijna in de krant.'
‘Hoezo?'
‘Er staat hier dat ze ontvoerd zijn in een oude Toyota. Siemon weet natuurlijk waar die auto vaak staat. Daar zullen ze dan ook wel worden vastgehouden.'
‘Klinkt veel te gemakkelijk Douwe. Het eten is klaar, dus ruim de tafel maar op.'
‘Ik zal de tafel even dekken.'
Op dat moment arriveerde Siemon voor het huis. Douwe liet hem binnen.
‘Hé Douwe, je ziet er een stuk beter uit. Toen je in die bus zat was het allemaal bloed.'
‘Ach, ik herstel snel hè, alleen die kneuzingen steken nog.'
‘Dat blijkt. By the way, ik heb goed nieuws over je ouders. Ze zitten in een boerderij waar ik het al vermoedde. De politie heeft ze omsingeld.'
‘Dat weet ik.'
‘Wat weet je? Weet je dat we ze eenvoudig kunnen bevrijden?'
‘Dat is mooi man! Maar laten we eerst maar gaan eten, m'n oma heeft gekookt.'
‘Okay, dan gaan we daarna die boeren optrommelen.'

‘Oma, dit is Siemon, de postbode. Hij heeft me uit de auto bevrijd.'

‘Aangenaam mevrouw, eigenlijk heb ik alleen maar gewaarschuwd.'
‘Dat moet ook gebeuren hè.', zei de vrouw.
Ze gingen aan tafel en schepten op. Siemon zei dat het goed rook en zwijgend aten ze hun borden leeg. Nadat ze de pan tot op een bodempje na leeg hadden complimenteerde Siemon Douwe's oma met de kookkunst die ze aan de dag legde.
Op haar beurt bedankte ze Siemon voor zijn compliment en zei dat ze maar direct naar boven moesten om de boeren te waarschuwen, ‘Ik heb jullie wel gehoord.' verklapte ze.

Douwe schoof zijn eetstoel naar achteren, zei dat het lekker was, stond op en verontschuldigde zich, ‘We gaan naar pa z'n kamer.'
‘Als u ons excuseert?' vroeg Siemon retorisch en ging ook van tafel.
‘Als jullie maar geen domme dingen doen.'

Op de ronddraaiende trap in de hal wenkte Douwe om mee te gaan naar z'n vaders kamer op de tweede etage. Terwijl ze naar boven liepen dacht Douwe aan zijn jeugd. Vroeger keek hij altijd vanaf het dakterras naar de luchtballon die in de zomer opstegen van de weilanden achter z'n ouderlijk huis. Meestal was de wind westelijk en dan vlogen ze rakelings over het huis. Het leek wel een spel: haalt-ie-het-of-haalt-ie-het-niet. Maar z'n vader stelde hem gerust. Het was allemaal van te voren geanalyseerd. Rationeel gezien kon er niks misgaan. Om de ballonnen te volgen gebruikte Douwe een verrekijker. Dan kon hij ze zien zweven op de lucht tot in Groningen of Drenthe. Douwe was toen een jaar of acht en wilde in die tijd alleen maar ballonvaarder worden. Niks leek hem leuker. Tot z'n vader vertelde dat daarmee geen droog brood was te verdienen. Op z'n veertiende wilde piloot worden. Uiteindelijk is hij het allemaal niet geworden.
Toen hij voor de keus stond welke opleiding te doen, heeft hij toch gekozen voor datgene hij belangrijk vond. Het werd Milieukunde aan het Van Hall-instituut in Leeuwarden. Zijn vader was er niet geheel ontevreden mee. Hij zag zijn enige zoon al in de vliegerij.

Terwijl hij naar boven liep, peinsde Douwe over die tijd. Hij dacht aan de ballonwedstrijd die zijn vader jaarlijks organiseerde Dit veroorzaakte elk jaar weer schade aan landbouwgewassen en landerijen. Dat zou ook mee kunnen spelen met de ontvoering.
Douwe zei dat tegen Siemon toen ze op de overloop van de bovenste verdieping waren.
‘Ik dacht net, organiseerde jouw vader niet die ballonwedstrijden? Dat deed hij dus. Dat zullen die boeren leuk hebben gevonden!'
‘Onze boeren wel.'
‘Die in Groningen en Drenthe vast niet.'
‘Nee, dat is waar.'
‘Breekt bij jou het angstzweet dan niet uit?'
‘Hoezo?'
‘Die boeren hebben vast nog wat te vereffenen!'
‘Kom Siemon, dat is toch allang achter de rug?'
‘Dan ken jij die boeren niet. Ze hebben een olifantengeheugen.'
‘Ja, en je kunt van een mug ook een olifant maken natuurlijk!'
‘Tuurlijk, je hebt gelijk. Laten we het faxbericht maar opstellen.'

Douwe gaf Siemon pen en papier. Hij begon te schrijven.
" Geachte Boer in de Kring,

Nu de voorzitter van De Kring is gegijzeld ...."
‘Hé Douwe, weet jij het verschil tussen ontvoerd en gegijzeld?'
‘ 't Is gevoelsmatig. Volgens mij komt de ontvoering voor de gijzeling.'
Siemon schreef verder: "...Denken wij actie te moeten ondernemen. De politie maakt geen enkele vordering, terwijl de verblijfplaats bij hen en ondergetekenden bekend is. Daarom roepen wij alle leden van De Kring op, morgenochtend, woensdag 10 oktober om negen uur naar de Bûtewei 5 in Ureterp te komen om de ingelaste vergadering bij te wonen. Indien u ideeën heeft voor eventuele actie, wilt u die dan ter inventarisatie per ommegaande aan ons doorfaxen."

‘Het ziet er alleszins leesbaar uit.' zei Douwe die inmiddels het telefoonnummerbestand van de aangesloten boeren in de computer had gevonden en de machine gereed had gemaakt om het bericht naar de eenendertig boeren tussen Lemmer en Drachten te verzenden.
‘Dan is het nu wachten.'
‘Hardop denken mag natuurlijk ook.' merkte Douwe op.
‘Ik verwacht in ieder geval dat De Boer zal reageren.'
‘De Boer?'
‘Zijn vrouw heeft de ambulance gebeld.'
‘O ja, dat zei pa nog. ‘t Is verbazingwekkend hoeveel mensen jou dan kennen. Ik kende die vrouw zelf niet eens.'
‘Zij kent jou ook niet. Maar haar man zit ook bij de Kring. Hij is de vice-voorzitter.'
‘Ja, zie je wel. Best wel frustrerend.' zei Douwe, die in zijn vaders lederen fauteuil zat.
‘Weet je hoeveel boeren zullen reageren? Ikzelf schat zo'n tien man.' vroeg Siemon die voor het raam ging staan en zijn gezicht er plat tegenaan drukte om tenminste iets te zien. Zijn handen gebruikte hij als oogkleppen om het licht uit de kamer te weren.
Douwe antwoordde dat hij geen flauw benul had. Die boeren interesseerden hem niet. Hij had wel wat anders aan zijn hoofd dan die club waar zijn vader voorzitter van was. Überhaupt datgene wat zijn vader deed interesseerde hem niet. Het was dan ook niet bepaald een ideale vader-zoon relatie. Hij had het gevoel dat zijn vader een verwachtingspatroon had, dat hij niet kon beantwoorden. Het begon al op jonge leeftijd met de ballonnen, later de vliegtuigen. Hij is nog spotter geweest. Alles hield hij toen bij van vooral militaire vliegtuigen. Douwe ging vooral naar Leeuwarden, af en toe naar Eelde, Schiphol en airshows. Zijn moeder was de stuwende kracht achter zijn hobby. Zij bekostigde veel: gaf hem retourtjes Amsterdam en Lelystad, bracht hem met de auto naar Leeuwarden en Eelde en haalde hem aan het eind van de dag weer op. Douwe had veel aan zijn moeder te danken. Zij pushde hem niet zo als zijn vader deed. Zijn vader was er voor het zakelijke, de school, het rijbewijs, zijn kamer in Leeuwarden, de ouderlijke bijdrage en leningen. Want dat was zakelijk overeengekomen; Douwe kon alles lenen bij zijn vader en het terugbetalen als hij een baan had.
Zijn moeder was er voor hem, het persoonlijke, de emoties, zijn vreugde en verdriet. Zij werkte parttime om er te zijn voor Douwe toen hij thuiskwam van de lagere school in het dorp.
Naarmate Douwe zelfstandiger werd en op de middelbare school kwam, voerde zij het aantal uren dat ze werkte op.

Na de middelbare school ging Douwe op kamers, een nieuw leven beginnen. Zijn krantenwijk werd overgenomen door het zusje van een voetbalvriend van hem. Het voetbal zegde hij niet op, maar hij veranderde wel van club. Hij ging spelen voor de amateurs van Cambuur/Leeuwarden. Een krankjorume club die hij al snel verliet. Atletiek en wielrennen waren, na een paar magere jaren, weer helemaal in. Dus koos hij voor een combinatie: de duathlon en triatlon. De eerste als voorbereiding op de triatlon. Een combinatie van zwemmen, fietsen en lopen. Douwe had een prima basisconditie en de training ging hem prima af. Het lopen was een peulenschil, het fietsen deed hij op zijn gemak, alleen het zwemmen was moeilijk. Douwe was namelijk vrij licht en had geen grammetje vet teveel. Vooral in koud water had hij moeite op temperatuur te blijven. Dat was zijn enige probleem. Op de fiets werd hij wel weer warm en met het lopen haalde hij de verloren tijd weer in. Douwe deed nog geen volledige triatlons. Dat was nog te ver. Misschien over een paar jaar, als hij wat meer inhoud had.
De ontvoering zal toch niet alles doorkruisen, vroeg Douwe zich af, terwijl ze zwijgend wachtten op de eerste fax van een boer.
‘Weet je wat ik nou altijd dacht?' vroeg Siemon opeens.
‘Nee, ik zou het echt niet weten.' gaf Douwe moedeloos te kennen.
‘Dat die Siccema L. Brouwer altijd zo voor actie was.'
‘Dat is ie niet, zeker?'
‘'t Is niet zo'n actievoerderig type.'
‘Wat wil je, hij heeft een vrouw en een zaak.'
‘Ja, natuurlijk, maar hij kan toch wel fondsen werven.'
‘Hij is een prater,' Douwe slikte vanwege de droge lucht, ‘Ik weet wat je bedoelt hoor. Die spaaractie heeft bepaald geen windeieren gelegd voor de voetbalvereniging.'
‘Precies, maar als ik hem vraag of hij er voor voelt om je ouders te bevrijden geeft hij niet thuis.'
‘Nee, natuurlijk niet. Dat is toch veel te gevaarlijk.'
‘Jezus, voor die boeren is het ook gevaarlijk.' viel Siemon uit en hij ging op de vensterbank zitten, iets verder van Douwe af, ‘Jij bent ook een rare, je ouders zijn gegijzeld en jij geeft hem geen ongelijk om niet te helpen.'
‘Ja, als iemand niet wil, kun je hem moeilijk dwingen.'
‘Nee natuurlijk niet, begrijpbaar,' zei Siemon die toch niet lekker zat in de vensterbank en ging staan, ‘Hè verdomme, wanneer komen die faxen?'
‘De boeren zijn druk bezig moet je maar denken. Hoelang wachten we nu al? tien minuten?'
‘Zeker een kwartier.' antwoordde Siemon.
‘Kom we gaan naar beneden, naar die kunstschilderes.'
‘Hà, die oma van jou is kunstenares?'
‘Dat zeg ik.'
‘Bij kunstenaars denk ik altijd aan een jonger iemand. Niet aan iemand in de zeventig.'
‘Ach ja, iedereen wordt ouder, kijk naar Anton Pieck, Karel Appel, Rembrandt van Rhijn.’ hij dacht even aan wat hij zojuist zei, ‘Beneden is de koffie wel bruin denk ik.'

Daar gekomen zat de grootmoeder in een fauteuils voor de televisie. Douwe vroeg wat er op het journaal was over de toestand. Ze antwoordde dat de Minister van Defensie werd geïnterviewd. Hij zei dat de situatie onder controle was. De gijzeling was niet in het nieuws. Dat vonden ze blijkbaar niet meer interessant. De burgeroorlog in Bosnië was weer opgelaaid en dat trok de aandacht.
‘Dat is nou ook wat,' zei Siemon, ‘In eigen land breekt een oorlog uit en we besteden aandacht aan die oorlog in Bosnië. Per slot van rekening is dat belangrijker.' vervolgde hij cynisch.

‘Heb je koffie oma?' vroeg Douwe, ‘M'n strot voelt aan als perkament, zo droog is het daar boven.'
‘Dan moet je maar een raampje openzetten.' retourneerde de grootmoeder kortaf.
‘Is er iets?' vroeg Douwe verbaasd toen hij de oude krakende stem van de vijfenzeventig jarige hoorde.
‘Nee hoor, wat zou er moeten zijn?'
‘Je klinkt opeens een stuk ouder, bezorgder.'
‘Dat zal de stilte zijn.'
‘Wat bedoel je?'
‘Ik ben verdomme je dienstmeid niet.'
‘Nee, dat ben je ook niet.'
‘Waarom loop je dan gewoon van tafel. Verdomme ik doe m'n best iets eetbaars te maken en meneer gaat gewoon naar boven als we gegeten hebben.'
‘Ik dacht dat je begreep waarom we naar boven gingen.'
‘Om die boeren te waarschuwen. Maar daar heb je geen uur of zo voor nodig!'
‘We hebben nog wat gepraat.'
‘Sorry mevrouw, het was gewoon dom van ons,' kwam Siemon tussenbeide, ‘We hadden niet zo lang boven moeten blijven.' Tegen Douwe zei hij dat het z'n oma ook niet in de kouwe kleren ging zitten.
‘Hier, hij begrijpt het,' moedigde de oma Siemon aan, ‘Het wordt tijd dat jij het ook begrijpt Douwe.'

Douwe was de keuken ingelopen in de verwachting dat z'n oma koffie had gezet. Maar het koffiezetapparaat was niet aangeraakt. Hij zette koffie en kwam twee minuten later de kamer in met een dienblad met drie kopjes keurig gezette koffie en een pakje onaangebroken biscuits.
‘Je kan wel weglopen, maar heb je het begrepen Douwe?' vroeg de oma toen Douwe met de drie koppen en een doosje koeken op een dienblad de kamer betrad.
‘Ik heb niet precies gehoord wat je zei.' zei Douwe de pak koeken open makend, ‘We moeten er voor elkaar zijn, dus blijf hier zo lang als je wilt. Ik heb niet de verwachting dat je gaat koken.' Hij nam een slok warme koffie, ‘Luister, jij wilt ook dat pa en ma vrijkomen. De hele avond hebben we gewacht en nog geen telefoontje van de politie ontvangen. Dit pleit er toch voor zelf iets te ondernemen? We moeten tenminste proberen pa en ma zelf zien vrij te krijgen oma. Begrijp je?'
‘Juist en daarom hebben we de hulp van de Boeren in de Kring ingeroepen, om uw dochter en schoonzoon te ontzetten.' vulde Siemon aan.
‘Siemon heeft een boerderij geobserveerd.' verduidelijkte Douwe.
‘ ’t Was niet moeilijk de plaats te bepalen waar beiden worden gegijzeld. De weg er naar toe is geblokkeerd; Alleen de politie en bewoners worden doorgelaten. Ik ben daarom via Norg gereden. Er om heen als het ware. Aan de oostzijde, dus achter de boerderij, zijn geen voorzorgsmaatregelen getroffen. Met tractoren kun je door de weilanden dan de boerderij van achteren naderen.'
‘Kun je met tractoren via de openbare weg en de weilanden naar de boerderij? Te gek hé.' Douwe werd zelfs enthousiast
‘Afgelopen nacht heb ik alles bekeken en nu weet ik het zeker.'
‘Jullie gaan maar naar boven. Misschien zijn er al wat faxen binnengekomen.' zei de grootmoeder die aandachtig had zitten luisteren.

Terwijl de twee naar boven gingen pakte de grootmoeder de telefoon en toetste een nummer in. Het andere toestel ging zes keer over eer er werd opgenomen.

Boven werden de binnengekomen faxen geteld. Het waren er minder dan gehoopt. Zes, waarvan drie met een concrete toezegging daadwerkelijk te willen meewerken aan een gewelddadige bevrijding van de voorzitter en zijn vrouw. De zes zenders zegden allen toe de volgende ochtend
aanwezig te zullen zijn.
‘Dat is in ieder geval een begin.' riep Douwe vreugdevol.
‘Waarschijnlijk komen er nog wel meer, leer me die boeren kennen.'

‘Kijk, deze is van De Boer himself, de vice. Hij heeft het er met z'n vrouw over gehad en wil echt meehelpen pa en ma te bevrijden,' Douwe las verder, ‘Hij heeft een tractor die ervoor kan worden gebruikt.'
‘Dan loopt hij wel op de zaken vooruit,' sprak Siemon, ‘Hij weet niet eens wat we van plan zijn.'
‘Dat is duidelijk Siemon, maar als je iets wilt bereiken, heb je een tractor nodig.'
Terwijl ze de A-4tjes grondiger lazen, zoemde de fax weer. Douwe nam de fax aan en las hem. Hij schrok. Niet in de eerste plaats omdat hij niet van een boer afkomstig was, nee meer van de toonzetting.
Douwe stootte onmiddellijk Siemon aan, ‘Moet je eens lezen. Dit lijkt wel een dreigbrief!'
Siemon las de fax die meldde dat elke actie die buiten de politie om wordt uitgevoerd teneinde de gijzelaars vrij te krijgen zal worden gesanctioneerd. De fax was getekend met Vico.
‘Tja, wat moet je hier nou mee?? VICO, wie of wat is dat? Weet jij het? Het lijkt wel een verbastering van VIETCONG.'
‘Vietcong? dat was toch de tegenstander van Amerika in de Vietnam-oorlog?'
‘Misschien is dit dan onze tegenstander.'
‘Daar ligt daar een woordenboek,' zei Siemon en hij wees erna, ‘Kijk eens bij VC!' gebood hij.
Douwe pakte zijn vaders woordenboek van een boekenplank en bladerde erin.
‘Vc. Vico Actus, door geweld gedwongen. Vc. Verbi Causa, bijvoorbeeld. Vc. Vostro Conto, uw rekening.' lepelde Douwe op.
‘Nou? Wel toepasselijk allemaal hè? Va bien, het zij zo, wat doe je eraan? Ik ben eigenlijk wel benieuwd wat die club betekent. Misschien is het ook wel één persoon. Maar in ieder geval weten ze wel waar we mee bezig zijn,' Siemon veranderde van lichaamshouding, waarna hij vanaf de wankele stoel opstond en zich uitrekte, ‘Buiten je oma zou ik niemand anders weten.'
‘Oei, dat is een zware beschuldiging Siemon. Dan moet je naar beneden gaan en vragen hoe ze er over denkt, of we hier mee door moeten gaan of het aan de politie moeten overlaten.' viel Douwe uit.
‘Nee, nee, nee,' reageerde Siemon, ‘We moeten de politie er niet bij betrekken. Laten we dit aan de vergadering voorleggen want uiteindelijk staat de gewapende bevrijdingsactie nog niet vast.'
‘Ho, ho, Siemon, nu ga je te snel. Gewapend zei je? Je wilt er wapens bij gebruiken?'
‘Wat dacht je dan? Dacht je echt dat ik zo naïef ben om met een tractor die schuur binnen te rijden en met blote handen je ouders te bevrijden, om dan in de achteruit de schuur uit te crossen en de gijzelnemers in verbijstering achter te laten?'

Douwe had de hele affaire als een spel gezien. Hij was zich niet bewust van de ernst van de situatie, ‘Nee, natuurlijk niet. Maar je wilt die wapens toch niet echt gebruiken?'
‘Als het moet wel.'
‘Wat voor wapens bedoel je Siemon? vroeg Douwe quasi verbaasd.
Siemon irriteerde zich aan zoveel naïviteit. ‘Ik weet het niet!' zei hij kwaad, ‘We horen het morgenochtend op die vergadering wel.'

Met het excuus dat hij moe was, verliet Siemon Douwe. Hij daalde de trap af en meldde de grootmoeder dat hij naar huis ging. In de regen, die in grote hoeveelheden, in dikke druppels verpakt naar beneden kwam, reed Siemon weg met de gedachte dat de bevrijdingsactie misschien wel gedoemd was te mislukken. Enerzijds voelde hij haat en leedvermaak in zichzelf borrelen. Anderzijds was hij moe en voelde hij zich machteloos en verdrietig. Is er een burgeroorlog voor nodig om problemen bespreekbaar te maken vroeg hij zich af.
Siemon besefte dat zijn haat ten opzichte van de Drenten en vooral Groningers op niks is gebaseerd en op den duur alleen zichzelf kapot zal maken. Zijn leedvermaak was ook lucht, niet gemeend en in wezen een reactie op zijn situatie. Hem zou het niet gebeuren. Niemand zal de postbesteller ontvoeren.
Eens had hij gezegd dat voorzitter van de Kring niet zoveel voorstelde. Maar hij kwam op zijn woorden terug toen hij besefte hoeveel macht die paar boeren in zeer korte tijd hadden weten te vergaren. Siemon herinnerde dat hij tegen Douwe had gezegd dat hij geen voorzitter van de Kring zou willen worden. Dan zou hij niet meer bijkomen van het lachen, want hem als voorzitter, dat zou pas een grap zijn.
De baan zou ook levensgevaarlijk zijn. In Italië had de corruptie, de afpersing en de maffia zich in het doen en laten van de landbouwcoöperaties, de bonden van werknemers en werkgevers en de politiek genesteld. Talloze voorzitters en bestuursleden zijn in het verleden aangeklaagd. Vaak werden ze, zelfs voordat ze wisten waarvan ze werden beschuldigd, geliquideerd. Ook werden Rechters en Officieren van Justitie bedreigd of zelf vermoord. Dit deed zich ook in Nederland voor en iedereen wist het. Ook Siemon en ook Douwe. Hoewel iedereen in Nederland het wist, was ogenschijnlijk niemand er bang voor. Er waren geen demonstraties tegen corruptie en afpersing, geen handtekeningenacties en ook in de dagbladen was geen wanklank van ingezonden lezersbrieven te lezen. Maar diep in het hart was Nederland wel bang. Bang dat het imperium, het Koninkrijk van W.A. Van Buuren, de BV Nederland zoals het ooit genoemd werd, ten prooi zou vallen aan het wassende water van de rivieren en de zee. Voor de maffia en de georganiseerde criminaliteit waren de Nederlanders in het geheel niet bevreesd, op Siemon na dan. In het verleden is de georganiseerde criminaliteit al hard aangepakt, zo dacht men. Het was met wortel en al vernietigd. Siemon geloofde dat niet. De misdaad tierde welig als nooit tevoren. Het breidde zich uit naar het Noorden. Douwe's vader kon het weten. Als ex-directeur van de plaatselijke bank moet hij er lucht van hebben gehad. Bij de bank zullen zeker verdachte transacties hebben plaatsgevonden. Siemon kon zo de adressen aanwijzen. Als postbeambte wist hij waar het geen zuivere koffie was; Hij kwam overal.

WOENSDAG, 10 OKTOBER.

De Boer was al om zes uur met het melken van z'n koeien begonnen. Z'n vrouw hielp hem vanaf half zeven in de ochtend. Zwijgend deden ze hun werk. Nu en dan viel een woord omdat een koe niet deed wat ze moest doen; Stil blijven staan. Tegen half acht hadden ze het werk er bijna opzitten.
‘Zeg Sierd wat ben je nou van plan op die vergadering te doen? Wat wil je bereiken?
Sierd de Boer, 43 jaar, geboren in Wijnjewoude, Friesland, rechtte zijn rug, ‘Die jongen van de voorzitter die zit zich natuurlijk te verbijten. Hij wil samen met die postbode iets doen. Zij hebben de leden van de Kring opgeroepen voor een vergadering. Als vice-voorzitter moet ik er natuurlijk bij zijn. Ik zal in ieder geval even luisteren naar wat zij te zeggen hebben. Als het niks is dan ben ik zo weer thuis. Maar zeg nou zelf. Het is de laatste tijd hier wel onrustig.'
‘Ja Sierd. Ik sprak gister een vriendin in de winkel, bij Bakkeveen moet het heel erg zijn. Zij was daar het afgelopen weekend. Het schijnt er echt grimmig te zijn.'
‘Daarom wil ik weten wat die jongens van plan zijn. Als de politie inderdaad niks doet, dan zijn wij de voorzitter ook zo kwijt. Wellicht moeten wij actie ondernemen.'
Terwijl de boer het melklokaal schoonspoot met een frisse straal water, legde de boerin het melkapparaat aan de spenen van een laatste koe.

In boerenkringen was het een groot verschil of je een boer van het lage land in Groningen of een Drents keuterboertje was. De Friese boeren waren net als de Groningse op expansie gericht.
Zo ook Sierd de Boer. Hij had grond nodig om zijn biologisch landbouwbedrijf te kunnen uitbreiden. De vraag naar biologische aardappelen was enorm toegenomen omdat de Eigenheimer resistent was geworden voor veel gifsoorten. Het aanbod kon de vraag niet bijhouden met het gevolg dat de prijs steeg. Hierdoor werd een nieuw evenwicht gevonden tussen vraag en aanbod. Maar bij een te hoge prijs was de kans op een overproductie veel te groot. De Boer dacht door de aanbodhoeveelheid te vergroten de prijs te kunnen verlagen. Hierdoor zou een nog grotere hoeveelheid kunnen worden verkocht. Het marktaandeel zou dan pas voldoende groot zijn om er enige zekerheid aan te kunnen ontlenen.
Volledige zekerheden worden niet gegeven in een volledig vrije markteconomie, maar een stabiele basis, verkoopmarkt moest De Boer wel hebben. Zo'n utopische markt zou groot moeten zijn, meende hij.
Daarom had De Boer, samen met andere biologische boeren in Friesland, Boeren in de Kring opgericht. Na het aantrekken van hun voorzitter Doekstra is het gaan lopen. Hij wist de geldschieters te vinden en via de juiste kanalen in de politiek kon hij meer bereiken dan de gezamenlijke Groningse concurrentie. De Drenten waren, zoals gezegd, keuterboertjes die voornamelijk produceerden voor eigen consumptie en de kleine thuismarkt. Boeren in de Kring had daarom zijn oog laten vallen op grond in de grensstreek met Drenthe. Dit stuitte echter op weerstand. Gekoppeld aan de Groningse confiscatie van de gemeente Peize verhoogde dit de druk op Noorddrentse bevolking.



De Boer douchte zich, trok schone kleren aan en maakte het ontbijt klaar. Hij wachtte niet op zijn vrouw hoewel ze ook klaar zou zijn. Hij at zijn dubbele boterhammen met ham en kaas toen zijn vrouw binnen kwam.

‘Ben je nog niet weg?'
‘Nee,' zei Sierd en hij nam een hap. ‘Het is pas om negen uur.' liet hij tussen het kauwen door horen.
‘Goed, dan eet ik wel mee.'
Sierd de Boer legde zijn mes neer, ‘Lief, zou je eerst niet douchen? Trouwens ik ben al uitgegeten.' De Boer stond op. Zijn vrouw drukte haar handpalmen tegen zijn nek en masseerde hem spontaan.
‘Nee, vanavond lief, ik moet er als een biologisch gevoerde haas vandoor.'
‘Ik ben bang Sierd!'
Sierd draaide zich om, pakte haar bij de schouders beet en keek haar in de ogen, ‘Bang? Jij? Hoezo?'
Ze kon zijn blik niet ontwijken, ‘Bang dat die toestand zich uitbreidt.'
‘Je bedoelt die brandstichtingen? Dat is een druppel, voordat de sloot vol is moet het eerst heel hard regenen.' Tegelijkertijd herinnerde hij zich de regenbuien van de vorige avond, ‘Ja, je hebt gelijk. Je zou er bang van worden.'
‘Doe het voorzichtig aan Sierd. Laat een eventuele bevrijding aan de politie over.'
‘Ik zal de boodschap overbrengen. Waarom ga je niet mee?'
‘Daar is het nu te laat voor.'
‘Goed dan ga ik maar, tot straks.'
Hij reed de auto uit de schuur, het erf af en met een gangetje van zestig kilometer per uur reed hij naar Ureterp. Sierd en zijn vrouw woonden allang niet meer in Wijnjewoude, maar hadden ten noorden daarvan lang geleden een boerderij verworven. Het land eromheen was vrijwillig braak gelegd. De boeren waren massaal afgestapt van het boeren. Daardoor kon De Boer het land redelijk goedkoop verwerven.
De boer reed langs het vroegere moeras naar Ureterp en daar aangekomen parkeerde hij zijn wagen naast die van de voorzitter. Hij zag de lekgestoken banden en haastte zich naar de voordeur. Het was weer begonnen te regenen. Douwe opende de deur.
‘Jij bent Douwe zeker.' zei de vice en hij stelde zich voor.
‘We hebben de hulp van jullie nodig.' zei Douwe terwijl ze door de gang naar de woonkamer liepen, ‘Siemon en ik hebben een plannetje uitgedokterd en we zijn benieuwd hoe jullie er tegenaan kijken.'

De Boer introduceerde zichzelf bij de oma van Douwe. Hij vertelde haar dat hij de ontvoering en gijzeling erg naar vond en dat het te hopen was dat beiden snel vrij zouden komen. Achter de deur zat Siemon. De Boer had hem al gezien maar had totaal geen belangstelling voor hem. Hij ging zitten maar bedacht zich, ‘Och, jij moet Siemon zijn,' en gaf de postbode een hand.
Er werd weer aangebeld en er kwam nog een boer binnen. Klaarblijkelijk had deze man goede zaken gedaan, want voor het huis stond een zilvergrijze Jaguar en hijzelf stond voor de deur in een donkergrijs kostuum. Zijn lichtbruine gaatjesschoenen vielen Douwe op. Ze contrasteerden in negatieve zin vond Douwe. Zijn achterovergekamde haar maakte van hem een voyeur, zijn auto daarentegen een pooier. Hij stelde zich voor met een Fries accent als Jaroslav Simtek. Douwe betrapte zich op de gedachte dat hij eigenlijk Fries zou moeten praten. Dan zou de man gelijk weten dat hij maar import was. Voordat Douwe het wist, was de man de kamer ingelopen. Douwe kon de voordeur openhouden want de een na de andere wilde naar binnen. Iets voor negen uur was de woonkamer volgestroomd met boeren.


Siemon nam het woord, ‘Luister, zondagmiddag is de voorzitter en zijn vrouw ontvoerd. Inmiddels worden zij al drie dagen vastgehouden en worden er eisen gesteld aan hun vrijlating. Deze eisen zijn niet realiseerbaar en aangezien de politie niks doet zijn wij aan de Han'n Tus beweging overgelaten, willen we de voorzitter en zijn vrouw terugzien.' Siemon nam een korte pauze om zijn gehoor het gezegde te laten doordringen, ‘Kijk, deze zaak staat niet op zichzelf. Er zijn branden gesticht in boerderijen, mensen zijn gemolesteerd en we hebben wegen moeten versperren om militante groepen tegen te houden. Kortom, wij als burger moeten zelf actie ondernemen. We moeten het recht in eigen hand nemen. We moeten reageren. We moeten de voorzitter van Boeren in de Kring bevrijden. Zijn vader en haar zoon, mensen,' en Siemon wees naar Douwe en zijn oma, ‘Desnoods met geweld. Sterker nog, geweld zal noodzakelijk zijn.'
‘Mag ik even,' onderbrak Simtek, ‘mag ik even het woord. Kijk, wat an die Grenze gebourt, dat kan toch nicht? Uberall in Europa zijn kleine brandhaarden. Wij moeten dan niet proberen met geweld dat vuur verder op te stoken. Dan graben wir uns eigen graf. We moeten door onderhandelen ons doel zien te bereiken. Nicht door geweld. Daar lösen wir nichts mee.'
‘We weten natuurlijk ook niet hoe gevaarlijk die beweging werkelijk is. Als we wat doen, wat doen zij dan?' hield De Boer de leden voor, ‘Ik denk niet dat we nu moeten ingrijpen. Laten we afwachten. Nu is het te vroeg. Ze worden nog maar twee dagen gegijzeld.
‘Ik denk dat we helemaal niet moeten ingrijpen. Daar hebben we de politie voor. Als zij niets doen en afwachten zullen ze er hun reden voor hebben. Maar misschien kunnen we ze voor geld bewegen toch iets te ondernemen,' merkte de penningmeester op, ‘Er zit nog voldoende reserve in kas.'
‘Dat is natuurlijk ook mogelijk,' zei Siemon die nog steeds voor de boeren stond, ‘We betalen de politie voor hun diensten.'
‘Zeg wees een duidelijk: waar zitten ze vast, door wie worden ze vastgehouden, waarom worden ze vastgehouden, wat zijn de eisen, wat doet de politie?'
‘Hé Zoodsma, in de Leeuwarder staat alles beschreven. Kranten lezen jongen, die houdt je op de hoogte, als je hem leest!' riep iemand met een kaal hoofd. Hij stak een sigaar op, ‘Je mag hier roken, neem ik aan?' vroeg hij. Douwe's oma reageerde ontkennend als door een wesp gestoken. ‘Ja maar, een rokende man is een tevreden man.' stribbelde hij tegen en hij moest lachen alsof hij zijn keel schraapte.
‘Kijk,' vervolgde Siemon de vragen niet beantwoordend, ‘als we wat willen, moeten we ze verrassen. We moeten de plannen nog uitwerken. Als we nu besluiten in te grijpen, kunnen we pas over een of twee dagen iets uitrichten. Daarom wil ik weten wie voor actie is.'
‘Laten we stemmen. Wie voor ingrijpen is steekt nu zijn hand op!' riep De Boer de boeren toe. Onmiddellijk telde hij de stemmen, ‘Ik tel er zeven. Niemand anders?'
‘De Boer, verkeet jezelf niet!?' kwam er halfvragend uit de mond van een der toehoorders.
‘Vertaling: De Boer vergeet je jezelf niet, vraagteken.' grapte De Boer, ‘Nee heer Simtek, ik ben er niet voor. Ik vind dat we deze zaak geheel en al aan de politie moeten overlaten.'
‘En wij dan?' vroeg Siemon, ‘Tel je ons niet mee als voorstemmers?'
‘Luister eens Siemon, je bent een prima postbode heb ik gehoord, maar laat het stemmen alsjeblieft aan de Kring over. Voorzover ik weet heb jij geen land, ben je geen boer en zeker geen lid van de club. Derhalve kan en mag jij je niet bemoeien met de besluitvorming van Boeren in de Kring.'
Na deze terechtwijzing drong Siemon niet verder aan.

‘Goed,' vervolgde De Boer, ‘ik tel zeven voor en acht tegen. Dat betekent dat we nu nog niets ondernemen. We kunnen nu naar huis gaan en laten we afspreken dat ik degene ben die de vergadering belegt als de omstandigheden zich wijzigen. Afgesproken?'
Het geroezemoes van de boeren was een signaal dat het merendeel van de boeren daarmee eens was. Luidruchtig liepen ze de kamer uit. Eén tegenstemmer vertelde een andere tegenstemmer, de kale man die de kamer uitlopend zijn sigaar opstak, een grap over de voorzitter die hij had gehoord op een landbouwtentoonstelling. Er werd smakelijk om gelachen.
‘Ik begrijp nu pas waarom Doekstra niet rookt,' merkte de kale man met de sigaar tussen zijn vingers op.
‘Ja, met zo'n mens in huis krijg je de kans ook niet!' smaalde de ander.

‘Je pa is niet erg geliefd hè?' zei Siemon toen de mensen het huis uit waren.
‘Hoezo?'
‘Als je een paar tegenstemmers hoort, dan weet je het wel.'
‘Ach die lui. Je hoeft niet bij iedereen in de smaak te vallen, toch?'
‘Weet je wat Douwe, we faxen die voorstemmers met de mededeling dat we hen willen spreken voor een eventuele actie.'
‘Ik vind dat best, alleen we moeten dan wel zo weinig mogelijk geweld gebruiken.'
‘Tja, als het niet anders kan dan moet het wel.'
‘Nee Siemon, geen geweld.'
‘Hé wat krijgen we nou, jij wilde toch je ouders terughebben? Wij riskeren er onze gezondheid, ons werk en misschien wel ons leven voor. Dan denk je toch niet dat we dan geen geweld kunnen gebruiken?'
‘Okay Siemon, alleen in uiterste noodzaak.'
‘Dat klinkt al beter. Maar zover is het nog niet. De goeie boeren moeten eerst weer opgetrommeld worden.'
‘Ik denk dat De Boer het niet goed vond dat wij die vergadering aankondigden.'
‘Dan moet hij er maar wat van zeggen, vind je niet?'
‘Helemaal gelijk Siemon. Laten we naar boven gaan.'
‘Wat je zegt Douwe, die boeren zijn nu nog in m'n geheugen aanwezig.'
‘Ja die Simtek vergeet je niet zo gemakkelijk.'
‘En Van der Velde, Boertien, Swaneveld, Westra, Wigarda, en ....'
‘Zeeman!'
‘Juist, Prins Zeeman. Hij was de eerste die opstapte na die excessen tegen de Serviërs.'
‘Desertie?'
‘Nee, sinds Poncke Princen in '94 wordt het geen desertie meer genoemd als je overloopt naar de tegenstanders na excessen van eigen zijde.'
‘Zolang het maar niet vaststaat dat je hebt meegevochten met de tegenstanders.' vulde Douwe aan.
‘Juist, zo iemand is Doede Zeeman. In '96 kwam hij terug naar de boerderij van zijn vader. De overheid kon en kan hem niks maken. In Servië schijnt hij nog geïnterneerd te zijn geweest. Daarna hoorde men niks meer van hem. Totdat hij in '96 opdook in Frieschepalen.'
‘Daar woont hij nu nog?'
‘Nee, hij heeft een boerderij gekocht in Siegerswoude.'
‘Dat is ook vlak bij de grens.'
‘Ja.'
‘Dan weet hij dat het daar rommelt. Hij weet natuurlijk ook veel van oorlogstactiek.'

‘Ik denk het ja. We moeten ze daarom maar even faxen.'
‘Die Simtek, wie is dat, waar komt hij vandaan?'
‘Dat is een kind van een vluchteling uit Tsjechoslowakije.'
‘Praat hij dan echt zo slecht Nederlands?'
‘Nee, da's de gein hè.'
‘De gein?'
‘Ja, de gein! Tjonge, gebruik je hersens toch.'
‘Hoezo?'
‘Ja, hallo, laten we maar gaan faxen.'
‘Tuurlijk, gewoon van gespreksonderwerp veranderen.'
Siemon was intussen, verstoord, verder gegaan met het werk dat aan het verzenden van een fax vooraf gaat. Hij had de computer opgestart, de telefoonnummers opgezocht en het bericht opgesteld.
‘Kijk Douwe, als ik mee ga zeuren dan zijn die boeren niet voor elf uur opgeroepen.'
‘Dan zijn ze nog niet eens thuis man!' merkte Douwe gebeten op.
‘Daar zit wat in, maar laat het twaalf uur zijn. Misschien kunnen we dan voor twaalf uur vannacht dan nog wat doen.'
‘Okay, jij hebt gelijk. Verzend dat bericht alsjeblieft.'
‘Heb je het al gelezen?'
‘Nee, ik vertrouw erop dat het goed is.'
‘Daar gaat die dan.' Siemon toetste de returnknop in om de zendopdracht te bevestigen, ‘Handige dingen toch die computers. Alleen word ik er nog brodeloos van.'
‘Dat is de vooruitgang. Niemand hoeft zich meer in te spannen. Een paar grote breinen knappen het werk wel op.'
Siemon luisterde niet naar wat Douwe zei. Hij bladerde in een aantekeningenblok die op het bureau naast de monitor lag. Zijn oog viel op een paar krabbels en namen, opgeschreven op een vergadering van de Boeren in de Kring. ‘Moet je eens horen,' Siemon pakte het schrijfblok op en las voor wat er stond: Zeeman en Westra voor uitbreiding, hard. Boertien, Swaneveld, voor ....., ‘Dit zal de uitslag van een stemming zijn.'
Douwe, die zijn niet-hoeven-werken theorie al weer vergeten was, beaamde dat.
‘Als we die Zeeman eens bellen met de vraag waar over gestemd werd en hoe hij daar tegenover staat? Lijkt je dat geen goed idee? Dan weten we gelijk in hoeverre Zeeman mee wil werken.'
Douwe zocht gedienstig het nummer van de Prins in Siegerswoude op, ‘Bel jij hem maar. Je kunt veel beter met dan soort lui omgaan dan ik.'
‘Goed, als jij die faxen sorteert?'
‘Ja, een wonder dat het telefoonverkeer nog werkt.'
‘Er zijn maar een paar grote breinen voor nodig.' zei Siemon retorisch.
‘Het verzet zou toch eigenlijk de communicatielijnen moeten blokkeren?'
‘’t Zou logisch zijn. Maar laten we er gebruik van maken dan en hopen dat ze het vergeten.'
De twee maakten er gebruik van. De meest militante boeren werden wederom opgeroepen. Het respons kwam snel. Ze waren allemaal oneens met het besluit dat door De Boer werd genomen. Sommigen hekelden het besluit van de plaatsvervanger. Het was handjeklap volgens één van hen, het stond allemaal al van te voren vast. De Kring behartigde de belangen van de boeren uit de grensstreek niet, daarom werd het tijd om zelf actie te ondernemen.

Ondertussen had Siemon Prins Zeeman gebeld. Hij stak gelijk van wal over de onveiligheid in de grensstreek. De afgebrande huizen deden hem denken aan zijn tijd in Bihac in het voormalige Joegoslavië. De wegversperringen herinnerden hem aan de Servische vrouwen die voedselkonvooien tegenhielden. De crisis deed hem zeer, vertelde hij Siemon. Deze was zo onder de indruk dat kleine gebeurtenissen zo'n stempel drukte op een man, een boer in Oost-Friesland, dat hij bijna vergat Zeeman te vragen zijn kennis ter beschikking te stellen aan hem.
‘Welke kennis, jongen?' vroeg de op leeftijd gekomen Zeeman.
Siemon beantwoordde de vraag niet, maar legde uit dat hij samen met de zoon van Doekstra een groep van mensen wilde vormen die de voorzitter en zijn echtgenote, vader en moeder Doekstra benadrukte hij, willen bevrijden.
‘Dan kom je bij mij of ik raad wil geven?' Zeeman wachtte schijnbaar op een bevestiging, maar gaf zelf het advies, ‘Ik zou zeggen niet doen! Laat het aan de politie over. De burgers moeten nimmer het recht in eigen hand nemen.' Plots vroeg hij, ‘Jij bent die postbode toch? De Rat heet je toch?'
Siemon ontkende dat niet. Hij vroeg om begrip, dat de ouders van Douwe al bijna een week vastzitten. ‘De politie doet geen mallemoer,' zei hij, ‘We hebben als weerstandsgroep hulp nodig van een ervaren iemand.'
‘Goed, hoe laat kan ik komen?' vroeg Zeeman, ‘Dan zal ik jullie een paar adviezen geven. Maar één ding mag al duidelijk zijn; Guerrilla kan hier niet. In dit vlakke land zijn daar geen mogelijkheden voor. Dan kun je gelijk onder de grond gaan zitten.'
Siemon de Rat vertelde Prins Zeeman dat hij zo snel mogelijk moest komen, ‘Er is geen tijd te verliezen.'
Toen Siemon het gesprek beëindigde, had Douwe de ontvangen faxen gelezen. Hij zei tegen Siemon dat de meeste boeren ontevreden zijn over de vice-voorzitter. Ook noemde hij een reden waarom deze boeren wel willen vechten voor zijn vader en moeder en het grensgebied in het oosten. Douwe's redenering was dat de boeren uit het westen en zuiden geen belang bij de uitbreiding van de Oostboeren hebben. Door inpoldering van delen van het IJsselmeer voor de kust van Friesland hebben zij geen behoefte aan meer land. Een schaalvergroting van de Oostboeren zou een doodsteek kunnen zijn voor veel boeren. Na de dijkdoorbraak van twee jaar geleden waarbij het land en de boerderijen soms drie meter onder water kwamen te staan, hebben zij behoefte aan weinig aanbod en de daaraan gekoppelde relatief hoge prijzen. De Boer zelf heeft ook in de Flevo- en Noordoost polder landerijen, zodat hij niet behoeft uit te breiden. Voor hem geldt verder hetzelfde verhaal, hij wil ook een hoge prijs. De watersnood en ditmaal de grootste van de laatste 250 jaar heeft veel boeren failliet doen gaan. De sterksten hebben het overleeft, maar ook zij hebben een flinke deuk in hun reserves opgelopen. ‘Het is wederom een strijd tussen arm en rijk, ook binnen de Kring.' concludeerde Douwe.
‘Interessant Douwe, zeer wel mogelijk. Maar buiten dat, Prins Zeeman heeft toegezegd direct te komen. Hij zal ons wel bruikbare adviezen geven.'
‘Ja, dat hoorde ik. Jéé, wat praat die man luid.'
‘Als jij nou die andere boeren even faxt dat ze iedergeval bereikbaar moeten blijven omdat er dadelijk nog een bericht komt over het tijdstip van overleg ....'
‘Wat omslachtig!' onderbrak Douwe, ‘We kunnen toch ook direct een tijd afspreken? We moeten de boeren toch vertellen wat we graag willen. We roepen ze toch op.'
‘Goed, okay, laten we dan een tijd afspreken. Over twee uur?'
‘Afgesproken, dan zet ik dat in het bericht. Voor die tijd horen we wel wat Zeeman vindt dat goed is.'

‘Stel die fax maar op en verzend hem maar, ik ben beneden.'
‘Zeeman komt zo hè?'
‘Juist jochie, en er moet wel koffie komen.'
Douwe irriteerde zich aan de geringe slagvaardigheid van hemzelf en die van Siemon. Ook het leiderschap wat Siemon steeds meer naar zich toetrok stoorde hem. Hij stond machteloos tegenover de kleinerende en misselijk makende postbode. Juist dat maakte hem toch weerbaarder. Douwe vond dat hij zijn tanden moest laten zien. Hij moest van zich afbijten.
‘Hé Rat,' riep hij Siemon toe die bij de deur omkeek, ‘nu irriteer je me. Als jij nou die fax verstuurt dan ga ik naar beneden. Ik ben er thuis, jij niet! Jochie!' Douwe liep voor Siemon langs het kamertje uit, de trap af.

‘Nou, vertel eens,' zei z'n oma die in woonkamer zat, ‘waar zijn jullie mee bezig?'
‘We hebben Prins Zeeman uitgenodigd voor advies.'
‘Waarom? Die man is tegen geweld. Met hem zal je niet veel verder komen.'
‘Die Siemon draait een beetje door. Hij is zo gefixeerd op een overval op die boerderij. Nu zit ie fanatiek boeren te faxen. Ik denk dat we niet veel verder moeten gaan, maar hoe vertel je dat?'
‘Dat is natuurlijk eenvoudig. Gewoon zeggen waar het op staat. Je blaast die actie af en Siemon heeft geen poot meer om op te staan. Hij kan dit huis en de spullen van je vader niet meer gebruiken. Desnoods stap je naar de politie en vertel je hen de plannen van Siemon.'

Iemand parkeerde een auto voor de deur. Een rijzige man met een breed postuur en handen als kolenscheppen stapte uit. Hij wandelde het pad op en belde aan. Doede Zeeman, alias Prins Zeeman, heette de man. Douwe opende de deur en schudde de Prins de hand. Sinds enige tijd was hij een bekende in huize Doekstra. Op zaterdagen kwam hij regelmatig langs om vader Doekstra te spreken. Soms at hij mee. Derhalve kende Douwe hem iets.
‘Ik zal gelijk maar met de deur in huis vallen. Waar zijn jullie mee bezig? Dieptreurig! Een weerstandsgroep noemen jullie het toch? Van mij kunnen jullie een advies krijgen. Stop het! Ga onderhandelen. Als club hebben jullie wel een aantal ijzers waarover kan worden gepraat. Gebruik geen geweld, want dat lost niks op. De spanning loopt alleen maar op.'
‘Okay, maar vertel dat Siemon eens. Hij weet van geen ophouden.'
‘Wel als ik met hem praat.'
‘Goed dan roep ik hem.'

Douwe haalde Siemon op. Bovengekomen hoorde hij hem zingen. In staccato ging het van ‘Op een dag, op een dag, op een dag drinken zij geen bier meer, geen bier, geen bier meer ....' en ‘Diep onder de grond woont een worm, die kent ze allemaal. Hij heeft ze gekend bij leven en bij dood. Ze vingen hem als visvoer maar hij was hen voor.'
Verbaasd kwam Douwe binnen, ‘Wat doe jij nou?'
Verschrikt draaide Siemon zich om, ‘Je laat me schrikken, worm.'
‘Dat is toch ook wat jij doet?' merkte Douwe op.
Siemon snoof in de lucht en beet Douwe toe niet zulke domme vragen te stellen.
‘Wat doe je dan achter die computer?'
‘Weer zo’n domme vraag.’ zei hij met een hinderlijk Utrechts accent, ‘Je ziet toch dat ik wat zit te kijken.'
‘Oh, nou eh, Zeeman is er. Hij vraagt of jij er ook bij komt. Dan hoeft hij alles niet twee keer te vertellen.'
‘Ja, even geduld, moet je eens kijken wat ik hier zie. Een hele dubbele boekhouding. Alles is ondergewaardeerd op de balans. Tractoren worden voor duizenden guldens lager op de balans verantwoord. Ontvangsten worden buiten het kas, bank en giroboek gehouden. Het is één groot zwart circuit. Hiér, betalingen, contant aan gemeentefunctionarissen, omkoperij! Kijk, P. Akker, ontvangen  1.000,=. Ze werkt bij eh, het Provinciaal Milieu Toezicht. Die vrouw is inspecteur daar én corrupt!' beklemtoonde Siemon, ‘Oh man, dit zaakje stinkt.'
‘Je denkt toch niet dat m'n vader daar iets mee te maken heeft?'
‘Hij heeft het bewijs.'
‘Ja, maar..'
‘Ik ga naar beneden, naar die landverrader.'
‘Hé!'
‘Geintje.'
Douwe en Siemon kwamen de trap af toen ze Zeeman tegen het lijf liepen.
‘Ik moet even zeiken,' verontschuldigde hij zich,’ ik kom zo.'
‘We moeten maar eens praten.' retourneerde Siemon.
‘Dat denk ik ook.' zei Zeeman terwijl hij de toiletdeur dichttrok.
Siemon liep de woonkamer in waar Douwe was gaan zitten.
‘Siemon, moet je eens luisteren. Prins Zeeman, zoals jij hem noemt, werkt bij de Dienst Infiltratie Organisatie. Zij zijn een grote misdaadorganisatie op het spoor. Daarom is hij geïnfiltreerd in Boeren in de Kring. Hij is hier gekomen omdat ....'

‘Omdat ik jou wil vragen wat voorzichtiger om te springen met de situatie,' onderbrak Zeeman de grootmoeder, ‘Kijk we willen beiden hetzelfde. Alleen doe jij het van dik hout zaagt men planken, rigoureus dus. In deze zaak speelt veel meer dan de ontvoering van Douwe en Gonny Doekstra. Het gaat om een misdadige organisatie die zich bezighoudt met de teelt van verboden gewassen, de import en export en distributie van verdovende middelen en medicijnen , mensensmokkel en ga zo maar door. Ze verdienen hieraan geld, heel veel geld en daarmee hebben ze de macht om te intimideren en af te rekenen in het criminele circuit. Ze zijn de spil bij de brandstichtingen en haatcampagnes. Deze organisatie, wij bij de DIO noemen ze de discipelen, heeft de schijnbare oorlogssituatie gecreëerd. Om met de discipelen in contact te komen, ben ik geïnfiltreerd in Boeren in de Kring. Wij hebben sterke vermoedens dat de discipelen banden hebben met de Kring. Zelf zijn de discipelen verbonden aan de Colosseumbende. Dat is een misdaadsyndicaat die vanuit de Randstad zich hier in het Noorden met deze activiteiten bemoeit.' Doede Zeeman haalde een pakje Marlboro sigaretten uit de binnenzak van zijn colbert. ‘Oorspronkelijk komt de Colosseumbende uit Italië, je ziet wel in dat het behoorlijk ernstig is, Siemon!' waarschuwde Zeeman, ‘ik zou je dan ook willen vragen wat voorzichtiger met de situatie om te springen. Er is niks, maar dan ook helemaal niks wat je in je eentje kunt uitrichten.' De voormalig zeebonk zakte nog een sigaret uit het pakje dat op tafel lag.
‘Wat jullie nu doen,' Doede Zeeman betrok nu ook Douwe bij zijn betoog, ‘is het paard achter de wagen spannen. Jullie betrekken boeren in een zaak die op een heel ander niveau afspeelt. Of staat voor jullie de boerenstand gelijk aan de onderwereld?'
Douwe gniffelde en zei, ‘Nee, is het zo erg dan?'
‘Ja, zo beroerd is ons land er aan toe,' antwoordde Zeeman die voor Siemon de glans als interessante oorlogsveteraan verloor, ‘maar waarschijnlijk kunnen jullie wel iets positiefs doen.'
‘Wellicht Doede.' reageerde Siemon.
‘Altijd, als m'n moeder maar thuiskomt.' viel Douw hem bij
‘Jullie kunnen die boeren wel laten komen, maar heb het met die boeren over een protestactie. Laat die criminelen weten dat jullie het er niet mee eens zijn. Het zijn maar een paar lui die hier de sfeer verzieken.'
‘En dan?'
‘Ondertussen zullen wij, de regiopolitie, een aantal mensen aanhouden die zich met deze zaak inlaat.'
‘En de familie Doekstra dan?'
‘Douwe senior heeft informatie uit de organisatie dat het daar lekt. De penningmeester zou niet helemaal zuiver zijn.'
‘Ja, dat hadden wij al gedacht. Maar vraag is waarom hij de politie er wel bij wil betrekken?'
‘Wat...., hoe bedoel je?'
‘Op de vergadering heeft hij gezegd dat hij desnoods de politie wil omkopen. Geld genoeg in kas zei hij nog.'
‘Omkopen is niet zo moeilijk. Het is een ideaal rookgordijn.'
‘We moesten niet ingrijpen. Daar hebben we de politie voor, zei hij.'

‘Ik bedoel maar, zo maakt hij zich minder verdacht.'
‘Tja, dat is een gedachtenkronkel die ik niet helemaal bevat,' vond Siemon, ‘De vraag is: hoe krijgen we ze vrij!'
‘Laat dat aan de politie over.'
‘Maar die zijn ook niet zuiver!'
‘Ach, niemand is heilig.'
‘Ik ken wel een foute heilige, in 754 bij Dokkum vermoord. Hij probeerde ons ook te bekeren.' onderbrak Douwe deze tweestrijd, ‘Trouwens heilig wordt je pas als je dood bent.’
De twee letten niet op die opmerking, maar beëindigden wel de besluiteloosheid met een afspraak. Siemon stelde voor dat ze zouden proberen heel Ureterp en omstreken te mobiliseren voor een protestoptocht naar de Groningse en Drentse grens, zoals de Groningers en Drenten bij Nietap hebben gedemonstreerd.
‘Juist, ik denk dat jullie daar veel meer mee bereiken.'
‘Ik denk het.' zei Douwe die voelde dat hij het gelijk aan zijn zijde kreeg.

Die avond is Doede Zeeman nog even gebleven.
Ze dronken een borrel en Zeeman vertelde over een zeereis naar Australië die hij lang geleden had gemaakt.
Hij vertelde dat het schip door de mooiste streken op aarde voer en hem in de meest wonderbaarlijke steden bracht. De naam van het schip was ‘Botany Bay'. Een schip om verliefd op te worden verzekerde Doede.
‘Het schip waarop ik voer was een Godin,' zei Zeeman, ‘Ons schip, de Botany Bay, vervoerde cacaobonen. Ze was niet groot, evenals haar vermogen. Dat maakte van haar al een Godin, maar vooral haar zuinigheid en de élégance waarmee zij zich over het water voortbewoog maakte van haar de koningin van de Godinnen op zee. En wie wil niet op zo'n schip werken?'
Douwe knikte verwachtingsvol. Siemon daarentegen kon zijn aandacht er niet bij houden en schonk zichzelf nog een Berenburg in.
‘Bij vertrek uit Rotterdam was het even pezen, aanpakken. Maar op volle zee was er alle tijd. We voeren met slecht zicht, in mistbanken, door het nauw van Calais. Het was druk, overal om je heen hoorde je scheepshoorns. Het is een wonder dat we heelhuids deze straat gepasseerd zijn. Gelukkig werkte de navigatieapparatuur naar behoren en hadden we een goede kapitein.' Hij stond even stil bij het noemen van de kapitein, ‘Die man leeft niet meer. Gesneuveld als waarnemer in Bosnië.' De voormalige zeeman nipte aan zijn kruidenbitter. Hij vervolgde zijn verhaal en er verscheen zowaar een glimlach op zijn gezicht, ‘Bij de Canarische Eilanden hadden we eindelijk goed weer na een stormachtige nacht in de Golf van Biskaje. Dolfijnen zwommen met ons mee. Dat was iets moois. Ze waren er al een paar jaar niet meer vertelde een maat mij. Nu waren ze terug. Dat hebben we gevierd. Onder een stralende zon, vijfentwintig graden met een lichte bries, noordwest. Het was een leven als op de Capilso van Cousteau. Maar natuurlijk moest er gewerkt worden. Ik moest helpen in de keuken, het dek schrobben en in de kantine het noodzakelijke doen. Het was geen leuk werk, maar voor de reis had ik alles over. Veertien, vijftien, zestien uur per dag zwoegen was geen uitzondering.
‘Dat is nu wel anders.'

‘Ja Siemon, wat ze tegenwoordig doen kun je toch geen werken meer noemen? Maar goed, in Afrika zijn we de eerste keer aan land gegaan. In Freetown geloof ik, daar hebben we nog enkele colli cacaobonen voor een klant opgehaald. Het was ontzettend benauwd daar; Het regenseizoen was begonnen. Het was er zo warm dat de regen die viel ook zo weer verdwenen was. Toch was het groen. In Freetown hebben we fruit ingekocht voor de reis over de Atlantische Oceaan naar Kaapstad.' Doede Zeeman pakte de colafles en schonk zichzelf in, ‘D'r lopen daar zulke spinnen rond,' hij spreidde zijn hand, ‘met koppen zo groot als bierdopjes.'
‘Daar maak je de jeugd tegenwoordig niet meer bang mee,' zei Siemon die tekenen van alcoholverzadiging begon te vertonen.
‘In Kaapstad begon pas de ellende. We stoomden op Cape Town aan en zagen de Tafelberg zich uitstrekken boven die stad. Alles verliep voorspoedig. Onze kapitein was wel ervaren zoals ik al zei maar hij had nog nooit de Kaap gerond. Hij zag tegen deze ronding op. Dat besefte ik later pas.
Je moet je beseffen dat er destijds nog apartheid bestond. Het was op z'n hoogtepunt. We voeren dus de territoriale wateren van de Republiek Zuid Afrika binnen, tegelijkertijd kwamen er twee schepen aan. De manschappen van een van die boten enterde ons en pakte de kapitein op. Heel raar alsof het de normaalste zaak van de wereld was, dagelijkse praktijk. We protesteerden niet eens. De stuurman had alleen een kort gesprek met een agent op die politieboot. Vanaf de andere boot werd een loods gestuurd die ons veilig de haven binnenloodste. Daar werden we aan de ketting gelegd.
De kapitein werd twee dagen vastgehouden voordat onze ambassade hem vrij kreeg. Hij werd beschuldigd van spionage, wat wij natuurlijk belachelijk vonden. Onze kapitein kwam uit Suriname en als dat de reden was voor zijn arrestatie dan was het goed mis met de republiek. Wij lagen dus aan de ketting, wat ons de gelegenheid bood Kaapstad te bezoeken.
Sommigen van ons bezochten de zwarte hoeren in het zeeliedenkwartier. Dat waren de types van laag allooi, dacht ik,' Zeeman glimlachte, ‘Ze waren niet getrouwd en op zoek naar vertier na bijna twee weken op een schip met zes man te hebben rondgedobberd. Ik was de jongste van de bemanning en wilde nog wat zien in de wereld. Toen had je nog idealen. Ook ik ging het centrum in, maar niet met de anderen mee. Ik bekeek de stad met mijn westerse ogen en zag een op ras gebaseerde samenleving. Nee, het was geen samenleving maar een afscheiding. Je had er verschillende groepen. Hoewel ze in de minderheid waren, overheersten de blanken. Daaronder stonden de Indiërs en mulatten en helemaal onderaan de ladder van dat feodale stelsel stond de zwarte bevolking.
Ik was benieuwd hoe de onderdrukten, die je het smerige werk zag opknappen, leefden, waar en hoe ze woonden. Tot dan toe had ik alleen maar de villa's van de rijke blanken in de stad gezien. Ik nam de taxi naar ‘a quarter where the black people live.' De chauffeur begreep me niet, of hij wilde me niet begrijpen. Uiteindelijk heb ik me naar het station laten brengen en zag daar veewagons, mèt mensen,' beklemtoonde Zeeman, ‘Ik vroeg aan iemand die uitstapte waar hij vandaan kwam. Helaas verstond ook hij mij niet.'
‘Die man sprak zeker Zulu?'
‘Nee Douwe, hij sprak Zuid-Afrikaans. Het leek wel oud Nederlands. Het was in ieder geval bijna Nederlands. Ik vroeg waar die man was ingestapt, waar hij woonde. Dat heb ik geweten. Drie uur rijden per trein. Drie uur in een veewagon, want dat was het. Hij werkte voor een blanke en onderhield de goede man zijn huis en tuin. Ik vroeg hem of er in de buurt een wijk was dat leek op zijn stad. Maar Kaapstad scheen een blanke stad te zijn. Je moest uren reizen om te weten hoe de gediscrimineerde bevolking leeft in townships, in krottenwijken buiten de stad.

Het station benauwde me, te veel ellende, te veel mensen. Ik nam een taxi terug naar de haven. Er zaten al drie anderen in de wagen. Ieder keurig in pak, een wit overhemd met een donkere stropdas en idem colbert. Ze schenen bij elkaar te horen en toen de wagen reed was ik zo vrij te vragen wat ze deden. Ze zeiden dat ze voor zaken in Kaapstad waren. Ze moesten naar de haven voor een ‘Dutch freighter'. Ik vroeg of ze de Botany Bay bedoelden. Dat was zo. Daarna vertelde ik wat er met de kapitein is gebeurd. Een van hen gaf direct aan de chauffeur door in het centrum te stoppen. Ze zeiden ontzettend blij te zijn mij te hebben ontmoet. Want als zij zich in de haven zouden vertonen, waren ze onherroepelijk gearresteerd.
Anderhalve dag later was de kapitein vrij. Je kon aan hem zien dat hij niet goed was behandeld. Ons schip was intussen door de stuurman in gereedheid gebracht uit te varen en we kregen de volgende dag toestemming te vertrekken,' Zeeman stak wederom een sigaret aan met de peuk van de oude, ‘De volgende avond bij het avondeten vertelde de kapitein dat het kantje boord was dat die ANC-jongens er lucht van hebben gekregen.' De asbak deed zijn dienst, ‘Ik heb m'n mond gehouden. Het was vreemd dat hij zijn banden met het ANC niet geheim hield. Later heb ik het hem nog eens gevraagd. Iedereen aan boord wist het, met uitzondering van mij. "De zwakke schakels moet je niet belasten", zei hij.'
‘Ja, een ketting is zo sterk als de zwakste schakel.'
‘Precies, maar om terug te komen op het verhaal, vanuit Kaapstad voeren we over de Indische Oceaan richting Australië. We zakten af naar de vijftigste breedtegraad en passeerden steeds meer ijsschotsen en -bergen, afgewisseld met reusachtige Blauwe Vinvissen. Onbeschrijfelijk, maar ik geloof niet dat het normaal is voor een Bone-bootje als de Botany Bay om zover naar het zuiden af te zakken. Echter de kapitein tegenspreken kon natuurlijk niet. Hij wilde vermoedelijk de twee verloren dagen inhalen. Daarbij zette hij wel ons leven op het spel en dat heb ik nooit vergeten.
Na zijn pensionering werd hij waarnemer bij de UN. Daar sprak ik hem als medewaarnemer. Hoewel oud en al jaren niet meer actief op de grote vaart, was hij een zeer vitaal man. Ik verbaas me er over dat sommige mensen tot op hoge leeftijd zo productief kunnen zijn. Het heeft met de instelling te maken. De kapitein was altijd goed gehumeurd. Ook toen hij uit zijn gevangenschap kwam. Van zijn positieve instelling kunnen wij nog wat leren. Die fatalistische gedachte die hier rondwaart en die binnen korte tijd in een zwarte horizon zou kunnen eindigen, baart mij geweldige zorgen. Natuurlijk kunnen wij hier -godverdomme- samenleven . Dat hebben we al ruim vierhonderd jaar gedaan. We laten ons gek maken door een klein groepje verworden criminelen.'
‘Blijkbaar.' merkte Douwe kalm op, ‘maar ga verder met dat interessante verhaal.'

Siemon ging door de invloed van de drank steeds meer de irrelevantie van het verhaal beseffen.
Schijnbaar viel het Doede Zeeman op, ‘Nee, ik heb er geen zin meer in. We hebben afgesproken dat jullie hier in het dorp een protestmanifestatie organiseren. Als jullie daar nu mee bezig gaan, dan breng ik de DIO op de hoogte.'
‘Je superieuren?'
‘Ja Douwe, gelijk heb je,' bevestigde Zeeman, ‘'t Is tijd om op te stappen.' Met een zwaai verliet hij de fauteuil waarin hij gedurende het verhaal in was weggezakt.

Zeeman droeg Douwe op zijn oma, die al naar bed was, de groeten te doen en zei te rekenen op een goed protest. Zeeman merkte op dat ze als bevolking moeten laten weten waar ze staan.

‘Eén ding nog,' sprak Doede, ‘Siemon, probeer te vermijden dat die ongelofelijk irritante relschoppers op de manifestatie komen. Je ziet ze altijd op TV als er een manifestatie tegen extreem rechts is. Desnoods sluit je ze op in een boerenschuur. Als ze hun gezichten maar niet laten zien.'
Douwe liet de veteraan uit. In een oogwenk was de man verdwenen.

‘E-en doedel-zak, een doedel-zak op zehee. Wat heeft die man een noten op zijn zang zeg!' riep de aangeschoten postbode Douwe toe.
Douwe betrad de woonkamer, ‘Een volgelopen postzak is er niets bij, toch?'
Siemon gaf geen antwoord.
‘Hij heeft wel groot gelijk.' sprak Douwe staand voor Siemon, ‘Die relschoppers kunnen een bedreiging zijn om een front tegen die criminelen te vormen.'
Siemon pakte de fles Berenburg van onder de salontafel vandaan, ‘Ach wat, laten we nog wat drinken dan loop ik wel naar huis.'
‘Nee Siemon, ga in godsnaam nu naar huis; Het is genoeg geweest.'
‘Je hebt gelijk.'
‘De drank heeft je te pakken.'
‘Verdraaid je hebt opnieuw gelijk.' Siemon stapte nu inderdaad op.
Bij de voordeur hield hij stil, ‘Hoewel het hard werken was, zag ik veel en genoot ik van ieder moment op zee. Siemon, ... ik ga naar huis.'

Nadat Douwe de deur had gesloten ging hij naar zijn slaapkamer en overpeinsde de avond. Er kwam bij hem een gevoel op dat iets met de chronologie in het verhaal van Zeeman niet klopte. Liggend in zijn bed haalde hij de feiten nog eens op. Toen viel Douwe in slaap.

DONDERDAG, 11 OKTOBER

Opgeschrikt door de telefoon werd Douwe wakker. Hij stond op, liep gedesoriënteerd naar het toestel en nam hem aan.
‘Ja.' zei hij met een trilling in zijn stem.
‘Douwe, hier met je pa.'
‘Hé pa, waar zit je?' reageerde hij opgelucht.
‘Niet veilig zoon, maar we mogen niet klagen.' zei vader Doekstra met een hoorbaar verzwakte stem, ‘Hier is alles okay, voor zover de situatie het toelaat. We zijn nog bij elkaar. Als God het toelaat zien we elkaar spoedig weer.'
Douwe junior was klaarwakker, ‘Nou pa, ik hoop het. We zijn bezig. Hou je taai en doe trouwens ma de groeten.' De vader en zijn zoon verstonden elkaar onmiddellijk en hadden aan weinig woorden voldoende.
‘Prima jongen, luister: vernietig ad.......'
De telefoon werd schijnbaar uit de handen van zijn vader gerukt. Douwe hoorde een fractie van een seconde gescheld op de achtergrond waarna de lijn werd verbroken.

Onthutst legde Douwe de hoorn op zijn plek en ging op zijn bed zitten. Hij nam zijn hoofd tussen zijn handen. Met z'n handpalmen tegen z'n wangen gedrukt, peinsde hij over de benarde situatie waarin zijn vader en moeder zaten. Douwe dacht aan z'n immer bagatelliserende vader, die altijd z'n God er bij haalde op de moeilijke momenten. Die God kan me niks verdommen, dacht Douwe. Het leven in handen van zijn God? Ammehoela, we zullen daar een stokje voor steken. Maar wat probeerde hij te zeggen? Vernietig ad..?' In de douche nam Douwe een glas water. ‘Wat moet ik vernietigen?' vroeg hij hardop aan zichzelf, ‘een ad..?'
Hij hoorde toch duidelijk het woordje -ad-. Douwe dacht na. Het gesprek werd abrupt afgebroken. Wat kan hij dan gezegd hebben? Niet veel, advertentie of advies misschien. Nee, het was niet waarschijnlijk. Hij ging weer naar zijn bed en viel ogenblikkelijk in slaap.

Die nacht droomde hij over Siccema L. Brouwer. Zijn woonhuis boven de winkel stond in brand. De vlammen sloegen uit enkele ramen en de vuurtongen grepen onmiddellijk het materiaal waarmee het platte dak was afgewerkt. Douwe hoorde gegil in zijn slaap. Omstanders keken vanaf een afstand toe. Echter niemand deed wat. Na enige minuten arriveerde de politie en zette de drukke straat voor de winkel af. Daarna wachtten ze op de brandweer. Van binnenuit werd een raam ingegooid en Siccema L. Brouwer verscheen tussen de kozijnen. Hij schreeuwde de omstanders toe dat zijn vrouw nog binnen was en verdween weer in het brandende huis. Even later kwam hij tevoorschijn met zijn vrouw. De omstanders schoten te hulp. Jonge mannen riepen de winkelier toe dat zijn vrouw moest springen.
Douwe zag het allemaal vanuit een helikopter gebeuren. Boven het lawaai uit hoorde hij ze onderhandelen. De vrouw was al acht maanden zwanger en springen zou waarschijnlijk de dood van het kind betekenen, redeneerde Siccema. De omstanders schreeuwden, ‘Spring dan vrouw, spring.' Douwe hoorde haar man zeggen dat ze moest springen omdat het anders haar dood zou betekenen. Het gebeurde in een flits waarna de vrouw beneden lag. Het publiek applaudisseerde en gejuich steeg op. De jongens hadden haar opgevangen en de zwangere vrouw op de grond gelegd buiten de hitte van het vuur. Ze hield haar handen op haar gezwollen buik.

De aanstaande vader was niet meer in het raam te zien. Douwe zag hem ook niet, maar hoorde hem in een kamer wanhopig schreeuwen. Even later verscheen hij bij het raam en gooide ordners uit het venster. Daarna sprong hij. De ordners braken zijn val.

Douwe werd wakker door het zonlicht dat in zijn ogen scheen. Hij herinnerde zijn droom en legde onmiddellijk het verband. Hij wilde natuurlijk -administratie- zeggen. ‘Vernietig de administratie.' zei Douwe hardop alsof hij het tegen een ander had. ‘Maar waarom?' vroeg hij zijn brein af. Hij had geen tijd zich iets af te vragen. Dat had hij in z'n slaap al gedaan.
Blootsvoets liep hij de trap op naar z'n vaders bureau. Alles lag nog op z'n plaats. De papieren die Siemon had doorgenomen lagen naast de computer. Douwe inventariseerde eerst alles om het vervolgens ter vernietiging mee naar beneden te nemen.

Plotseling stonden twee mannen in halflange leren jassen op de overloop op de eerste etage. Ze hadden legerkisten aan en onder die kisten zat modder. Zware zeeklei uit de polder lag op het Novilon van de overloop. Douwe stond oog in oog met de twee die in lengte enorm verschilden. In zijn handen had hij de documenten.
‘Hé hé hé, niet zo vlug jochie,' zei de langste van het stel. ‘Waar ga jij heen?!' zei hij op gebiedende toon.
‘SHIT' riep Douwe en hij dook omlaag om met de papieren in zijn handen onder de graaiende armen van de twee heen te duiken en in de douche te belanden. Daar smeet hij de papieren neer en draaide de deur op slot. Shit, dacht hij, nu zal je het hebben. Deze eikels hebben pa en ma. Maar ik zal ze. Ik laat me niet pakken. Ik zal het vernietigen. Op de plank boven de Wc-pot lag een aansteker wist Douwe. Daarmee stak hij een van de papieren aan, om er vervolgens als een kettingroker de andere documenten mee te verbranden. Het lijkt wel een spionagefilm, dacht Douwe. Ik speel een van de hoofdrollen in een spannende oorlogsthriller.
Douwe handelde snel want het was een peulenschil om met geweld een douchedeur open te krijgen. In een oogwenk had hij een aantal vellen kunnen verbranden. Het ging niet snel genoeg volgens hem. Douwe stopte de niet verbrandde documenten onder zijn T-shirt en sloeg het doucheraam in waar hij doorheen kroop. Vanuit het doucheraam sprong hij op de harde grond in de tuin. Blootsvoets en met enkel ondergoed en een T-shirt aan, rende hij de straat op. Zijn gekwetste arm voelde Douwe niet. Waarschijnlijk zette de angst en emotie de pijn opzij.
Omdat zijn moeder het vaak over de buurtbewoners had, was de naam van het artsengezin die schuin tegenover hen zijn komen te wonen, ook gevallen. Daarom rende Douwe naar het huis van de medici. De man uit het gezin liet hem binnen. Ze kenden elkaar niet. Douwe had het dorp net verlaten toen de arts en zijn vrouw, ook een arts, er onderdak vonden.
De dokter zag dat Douwe erge pijn had. Hij bespeurde ook de gehavende benen en de kou. Op de vraag wat er aan de hand was moest Douwe, staand in de hal, schaapachtig glimlachen.
De arts aarzelde niet, zei tegen Douwe dat hij maar even op de bank in de kamer moest gaan zitten. Vervolgens rende hij naar boven, pakte een deken uit een kast en kwam ermee naar beneden.
‘Kijk, ga hier maar mee op de bank zitten.' zei de man die zag dat Douwe nog steeds in de hal zag stond. Tegelijkertijd sloeg hij de deken om Douwe heen als om een renpaard die juist de Derby heeft gelopen.
‘Dank u wel meneer, het is heel aardig van u. Alleen zou ik graag de politie iets willen zeggen. Kan ik even bellen?'

‘Nee, nu niet. Ga toch maar eerst even op de bank liggen. Kan ik zien of je niks gebroken hebt. Wat heb je eigenlijk met je arm?'
‘Vorige week een ongelukje gehad. Arm uit de kom en een pin in de arm of zo iets. Het trekt nu behoorlijk.'
‘Ja, dat wil ik wel geloven. Zeg, ben jij die jongen van Doekstra?!' vroeg hij terwijl hij de patiënt onderzocht, ‘Nou ik zie het al, in ieder geval is er niks gebroken.'
‘Kan ik nu even bellen dan?'
Niets zeggend reikte de arts Douwe de draagbare pockettelefoon.

Hé, dacht Douwe, alweer iemand die zo modern probeert te doen door zo vreselijk achter te lopen. Hij toetste het nummer in dat hij nog uit het hoofd wist.
‘Ja, hallo? Met Douwe Doekstra. Ik wil graag de heer Krikke even spreken.'
‘Momentje alstublieft...'
Daar gaan we weer, dacht Douwe.
‘Nee, agent Krikke is niet aanwezig. Wat kan ik zeggen dat het is?' kwam het irritant zangerig naar Douwe over.
‘De zaak Doekstra, het gaat om de zaak Doekstra.'
‘Momentje nog. Ja, agent Krikke komt juist binnen.'
‘Ja, met Krikke?'
‘Met Douwe Doekstra hier, zeg ik heb zojuist bezoek gehad van een tweetal vreemde figuren in huis. Ze stonden al op de overloop en ze waren waarschijnlijk op zoek naar info van mijn vader. Ook heb ik vannacht...'
‘Niet te snel alstublieft meneer Doekstra. Eén voor één graag. Wat is het probleem?'
‘Probleem? God man, goedemorgen. Ik ben zojuist m'n huis uitgejaagd. Twee onbekende insluipers stonden op de overloop.'
‘Goed, genoteerd. Wacht eens even? Waar bent u nu? Dan kom ik naar u toe. Dat praat gemakkelijker dan zo over de telefoon, vindt u ook niet? Dan kunt u precies vertellen wat voorgevallen is.'
Hulpeloos keek Douwe de arts aan, ‘Hij wil hier komen. Kan dat? Wat is het adres?' fluisterde Douwe tegen de arts. Deze noemde het nummer van de Bûtewei. Douwe gaf dat door aan de agent die toezegde onmiddellijk te zullen komen.
‘Wat een malloten, ze laten domweg alles gebeuren. Eerst ontvoert een of andere bende m'n ouders en wat doet de politie? Ze komen een keer op ziekenbezoek en ze bellen eenmaal om te zeggen hoe de stand van zaken is. Ik krijg niks te horen. M'n ouders zijn verdwenen en de politie houdt alles geheim voor mij. Ik zou niet weten hoever ze zijn met hun onderzoek. Vervolgens dringt een stel criminelen ons huis binnen en de politie wil alles even rustig onder vier ogen bespreken.' Opeens sprong Douwe op en riep verschrikt dat hij helemaal zijn oma vergeten is.
‘Rustig maar, ik zal m'n vrouw wekken om een glas warme melk voor jou te maken. Dan ga ik ondertussen naar jullie huis om te kijken wat er aan de hand is.'
‘Ja, als u dat wilt doen?'
‘Ik zal het doen. Wat is je naam eigenlijk?'
‘Mijn naam is Douwe, Douwe Do.....'
‘Ja, ik heet Klaas Winter. Nou Douwe, ik zal eens kijken wat ik voor je kan doen.' De man liep naar de slaapkamer en vertelde zijn vrouw van het vreemde geval.


Ondanks de twijfel aan het verhaal was de arts naar de overkant gelopen en had aangebeld. Na een aantal malen werd door de grootmoeder van Douwe opengedaan. Hij stelde zich voor als de buurman en vertelde hetgeen voorgevallen was in zijn huis.
De grootmoeder vertelde hem van het vreemde gedrag van Douwe.
‘Vertelt u maar, toevallig ben ik arts. Misschien is er iets dat ik kan doen?'
‘Ja, dan komt u in feite als geroepen. Ik constateer al een aantal dagen een vreemd gedrag bij Douwe. Weet u, sinds hij uit het ziekenhuis is teruggekeerd is het mis. Hij heeft een soort, hoe zal ik het noemen, een achtervolgingssyndroom, alsof ze hem op de hielen zitten, alsof er een oorlog is en hij moet vluchten!'
‘Hij vertelde mij,' zei de arts, ‘dat z'n ouders zijn ontvoerd en dat hij vannacht is gebeld door zijn vader. Er zouden vanmorgen twee mannen op de overloop hebben gestaan. Hij had onder zijn T-shirt een aantal papieren waar die mannen op zoek naar zouden zijn.'
‘Dan moet ik dat zeker hebben gemerkt want ik slaap op die etage en praktisch met de deur open.'
‘U heeft niks gemerkt?' vroeg de arts oprecht verbaasd.
‘Nee, dat zweer ik u.'
‘Wat voor vreemd gedrag vertoont hij dan?'
‘Hij is duidelijk niet zichzelf. Het is alsof hij zweeft, alsof hij droomt. In ieder geval is hij heel ver weg. Voor de buitenwereld is hij niet te bereiken. Hij is niet aanwezig in zijn gedachten. Douwe is zo met zichzelf bezig, alsof hij in een speelfilm op een andere planeet de hoofdrol speelt. Hij is zo Unheimisch.'
‘Wat bedoelt u?'
‘Unheimisch? Alsof hij niet thuis is. Z'n gevoel correspondeert niet met hetgeen hij waarneemt. Soms is hij net een autist, onbereikbaar. Maar aan de andere kant kan hij met sommige mensen goed overweg. Zo was gisteravond een oud-zeeman op bezoek. Die vertelde verhalen, nou, Douwe lag echt aan z'n lippen.'
‘Hmm, maar zijn ouders, waar zijn die nu dan?'
‘Ze zijn een midweek naar Centerparks.'
‘Hmm, heel vreemd allemaal. Weet u wat, ik woon hier schuin tegenover. Als u vanmorgen een kop koffie komt halen, dan praten we dan verder.'
‘Prima, dan is Douwe bij u begrijp ik?'
‘Juist mevrouw, tot straks.' de dokter draaide zich om en liep met grote passen het grindpad af, de straat over naar zijn huis.

‘Klaas, die jongen slaapt. Hij was doodmoe.'
‘Nou, Frouk, ik begin een vermoeden te krijgen wat er aan de hand is. Het is wat ik een traumatische fantomie noem.'
‘Goedemorgen, bedoel je dat hij om aandacht vraagt?'
‘Nee, hij schreeuwt er om, maar wat wil je met zulke ouders. Moet je nagaan, jij ligt in het ziekenhuis en je ouders gaan doodleuk op vakantie. Je wordt thuisgebracht door een paar vrienden en na een telefoontje komt je oma om voor je te koken. Dan wordt je toch ook Unheimisch.'
‘Wat bedoel je daarmee?'
‘Dat woord noemde die vrouw. Zij vindt hem onbereikbaar. Hij geeft niet thuis. De patiënt heet overigens Douwe.'
‘Douwe kan wel wat slaap gebruiken. Zullen we hem naar de overkamer brengen?'
‘Dat is een goed idee.'


De naam voor de lege -overkamer- was als vanzelf ontstaan. Ze hadden er een goed uitklapbaar bed neergezet vanwege de oefening in het ziekenhuis van enige tijd terug. In verband daarmee stond in de kamer ook een telefoon en gebruikten ze de ruimte tijdens de oefening als tijdelijke opslagplaats voor medicamenten van het ziekenhuis waar Klaas en zijn vrouw werkten. Ze waren nog niet teruggebracht.

‘Nu is er koffie, toch?'
‘Ja, als jij het zet.'
‘Waarom niet.'
‘Juist, meneer dokter, waarom niet?' en ze drukte haar wang tegen de zijne.
Hij draaide zijn gezicht naar de hare en bracht zijn lippen naar haar lippen. Kortstondig betastten de gevoelige lichaamsdelen de wederpartij.
‘Wat hebben we toch een geluk.'
‘We zijn gelukkig samen, toch Klaas?'
‘Wij wel. Dadelijk komt die vreemde grootmoeder van Douwe op bezoek. Ik heb haar gevraagd hier te komen.'
‘Is zij niet gelukkig dan?'
‘Dat kan ik natuurlijk niet beoordelen. Maar zonder zorgen is ze niet.'
‘Allicht niet, met dat zorgenkind.'
‘Ja, er is denk ik veel meer aan de hand. Ik zit met twee verhalen die haaks op elkaar staan.' Klaas Winter vertelde nogmaals datgene de vrouw in het andere huis hem had verteld.
‘Kijk, die Douwe vertelt een ongeloofwaardig verhaal. Maar ik kan niet oordelen over iets waar ik nog maar sinds een half uur iets van weet. Die grootmoeder komt zo. Wellicht kan ze wat meer zeggen.'
‘Wat die Douwe jou heeft vertelt is mij niet duidelijk. Maar ik weet wel dat er iets aan de hand is in boerenkringen. Douwe's vader was toch directeur van die bank hier in het dorp?'
‘Zijn ouders zijn verdwenen.'
‘Ja nou, laat je hersens werken. Bankdirecteur en zijn vrouw ontvoerd door boeren.'
‘Ja, ja, dat is wel erg gemakkelijk hè. Dat zou de Telegraaf ook kunnen bedenken. Nee, dan is het net alsof het leven alleen om geld draait.'
‘Dat zeg ik niet Klaas,' viel ze uit, ‘maar nu je het toch noemt. Het is ook zo. Je kunt er niet omheen. Die boeren hebben de afgelopen tijd flink geïnvesteerd. Zij hebben natuurlijk geld nodig. Wat doe je dan? Even de directeur onder druk zetten. Eventjes hem meenemen naar, zeg maar een special meeting. Dat gebeurt zo vaak. Alleen komt het nooit in het nieuws.'

De bel klingelde.
‘Wie o wie, de ontvoerders of de vast slapende oma?'
‘Of de inbrekers,' vulde Frouk aan, ‘Doe jij in ieder geval maar open.'

Klaas liep naar de voordeur en opende hem. Op de stoep stond de vrouw. Hij schudde haar de hand en vroeg haar binnen te komen waarbij hij zich verontschuldigde voor de vreemde situatie. Tegelijkertijd besefte hij zelf niet schuldig te zijn aan de toestand.
De vrouw besefte dat en reageerde met -het kan raar lopen- kortaf. Het was inderdaad een door de loop van de gebeurtenissen ontstane situatie. Ook zij had het huis niet opgezocht.
‘U lust zeker wel een kopje koffie neem ik aan?' zei Klaas Winter.
De grootmoeder antwoordde niet op die vraag.

‘Natuurlijk, ik begrijp het. Douwe ligt op bed. Volgt u mij maar. Hij ligt in een aanbouw op de begane grond.'
‘Ja, meneer Winter, kijk er is veel meer aan de hand. Ik begrijp, nu ik even in uw huis ben, dat u niet uit de streek komt. Wel, dan is het moeilijk te begrijpen.'
‘Probeert u maar te vertellen.' zei de arts terwijl hij de vrouw naar een lege zitplaats dirigeerde.
‘Het is eigenlijk heel makkelijk. Sinds zondag is Douwe's vader en moeder, mijn dochter, ontvoerd. Ik heb het niet willen vertellen omdat ik niet wist wie u bent.'
‘Wij weten van niks, we vertellen niks. Bij ons kunt u uw verhaal kwijt.'
‘Ik wil Douwe eerst graag even zien.'
‘Natuurlijk. Komt u maar mee.'
‘Dus het is waar dat er vanmorgen twee mannen bij u op de overloop stonden?'
‘Dat weet ik niet. Vannacht was er een telefoontje. Douwe nam hem op. Ik hoorde nog wat gestommel maar viel daarna in slaap.'
‘En vanmorgen sliep u toen er twee mannen inbraken. Vervolgens stonden die op de overloop toen Douwe met de papieren naar beneden ging.' vulde Klaas aan.
‘Dat weet ik niet. Welke papieren bedoelt u?'
‘Maar hoe bemerkte u dat Douwe gevlucht was?'
‘Nu draait u het om meneer. U vertelde dat Douwe bij u aanbelde. Wat er vannacht is gebeurt is na dat telefoontje weet ik niet. Het lijkt wel of u mij verhoort.'
‘Rustig, rustig, rustig. Dit is helemaal geen verhoor. Ik ben na Douwe's verhaal alleen benieuwd wat er gebeurt is.'
‘Als dat pure nieuwsgierigheid is kan ik maar beter vertrekken.'
‘Natuurlijk wil ik helpen. Maar ik wil ook weten hoe Douwe's ouders en uw dochter ontvoerd zijn en waarom de politie niks doet.'
De vrouw glimlachte minzaam.
‘Als u met Douwe weer naar huis toegaat, dan zullen wij, zal ik me niet met de situatie inlaten. Hoe lijkt u dat?' zei de arts toen hij die lach zag. Hij hoopte dat de vrouw weer zou vertrekken. Dan zou hij de politie bellen en vragen naar de situatie bij de Doekstra's.
Maar de vrouw ging niet weg. Ze stelde zichzelf nogal nadrukkelijk voor met haar voornaam. Ze vertelde hoe de situatie er tot de avond uitzag. Dat Douwe en een vriend de schuilplaats van zijn ouders hadden ontdekt. De politie was er ook van op de hoogte, maar zij deed niks. Klaas en Frouk, die er ook bij was komen te zitten, schudden hun hoofden.
‘Waarom zijn ze ontvoerd? U zult toch wel een vermoeden hebben?' vroeg Frouk.
‘Het heeft te maken met die club, Boeren in de Kring, waar hij voorzitter van is.'
‘Hij is geen bankdirecteur?' vroeg Klaas.
‘Nee, allang niet meer,' zei ze met woede in haar stem, alsof ze werd herinnerd aan een pijnlijk moment, ‘Hij is ontslagen. Douwe's vader heeft budgettair ongeoorloofde dingen gedaan zoals dat zo mooi heet,' Er was even een stilte, ‘Hij heeft de boel opgelicht, die schoonzoon van me.'
‘Hoezo?'
‘Met die ballonwedstrijden, dat kon niet. Hij kon het dus financieel niet verantwoorden.'
‘Oh, u bedoelt die ballonnen die nooit terugkwamen. Die in Drenthe en Groningen ergens landden.'
‘Inderdaad, die ballonnen. Daar plukt hij nu de zure vruchten van.'
‘Hij niet alleen.'
‘Precies, hij niet alleen.'

‘Dit is een persoonlijk drama,' Klaas keek uit het venster, ‘Daar zal je de politie hebben. Douwe heeft hen gebeld. Doe jij even open Frouk.'
Klaas' vrouw opende de toegang tot het huis en liet de politieman binnen. Ze vroeg of hij voor Douwe kwam. Dat beaamde hij. Ze vertelden hem dat de jongen sliep en nu niet in staat was te praten. Hij werd uitgenodigd voor een kop koffie.
‘Dat gaat er wel in, mevrouw.' De agent werd binnengelaten en voorgesteld aan de buurvrouw en Klaas.
‘Wat is er nu gebeurd mevrouw?'
‘Dat weet ik niet. Ik denk dat jullie meer weten dan ik. Wat jullie nog niet weten moeten jullie maar aan Douwe vragen!'
‘U heeft alleen iets gezien, toch?' vulde Klaas aan.
‘Ja, in de douche is het raam gebroken. Douwe is daar vanmorgen uitgesprongen.'
‘En u heeft niks gehoord?'
‘Nee, dat zeg ik. Ik heb alleen vanochtend gezien dat het doucheraam kapot is.'
‘Ik moet zo wie zo met Douwe praten. Dus wat er aan de hand is hoor ik wel. We hebben in elk geval de zaak van uw schoonzoon en dochter in behandeling. Het is te verwachten dat ze spoedig vrij zullen worden gelaten.'
‘Jawel, maar hoe zit het dan met die spanningen aan de grens?'
‘Maakt u zich daar maar geen zorgen over. Die branden zijn allen aangestoken door een pyromaan. Die jongen is opgepakt.'
‘Maar weet u dan niet dat er veel meer aan de hand is.'
‘Die ontvoering is een puur financiële aangelegenheid. Boeren uit Drenthe hebben zich verenigd en lopen nu te hoop tegen het gevaar uit Friesland. Daarbij worden inderdaad steeds meer gewelddadige methoden gebruikt om kaf en koren te scheiden.' zei de agent en onmiddellijk verontschuldigde hij zich, ‘Dat is hun zienswijze dan.'
‘We kunnen beter het vuur dat die kaffers hebben aangestoken, uit laten branden? Probeert u dat te zeggen?'
‘Mevrouw, zo zwart-wit wil ik het niet stellen. Maar we leven natuurlijk wel in een risicovolle tijd. De mensen zijn gespannen. Er hoeft maar iets te gebeuren of het loopt uit de hand. Geen wonder dat we dan als politie risico's mijden. Want een mensenleven telt nog steeds hoor, neemt u dat van mij aan.'

Wanneer Douwe de feiten op een rij zette, was het zonneklaar dat de toestand zorgwekkend was. Wat zou er gebeuren met zijn vader en moeder als hijzelf door die terroristen is aangevallen en bedreigd.
Het besef groeide dat zijn vrienden het niet bij het verkeerde eind hadden.
Misschien wordt het een verschrikkelijke moordpartij. Mogelijk grijpt de politie in à la Waco in Amerika in 1993 of wellicht wordt zoals in India in 1995, toen terroristen een Noor onthoofden om hun eisen kracht te geven.
Nee, dacht Douwe, zo zijn we niet. Wij zijn veel humaner, veel menselijker. Wij hebben geen cultuur waarin zo iets past.
Hier zit ik in m'n eentje te dubben over de toestand in het land, besefte Douwe, m'n ouders kwijt, lang leve pa en ma, en een oma die me zoekt; hoera.

‘Jezus, de wereld lijkt wel gek,' zei Douwe tegen zichzelf, terwijl hij overeind probeerde te komen. Opeens besefte Douwe dat hij geen gevoel meer had in zijn benen. Niet in paniek liet hij zich terugzakken in de uitgangspositie. Hoe kom ik aan dit blad? Waar heb ik die pen vandaan? Besta ik nog wel? Ben ik nog op de wereld? Hij voelde zich zweven, alsof hij buiten zichzelf was getreden. Douwe vroeg zichzelf af of dit de eerste stap op weg naar het hiernamaals zou zijn.
Ga ik nu dood of ben ik nu echt dood?
Gek, is dat daarnet loste ik nog een kruiswoordpuzzel op en nu speel ik -dodemannetje-.

De wereld om hem heen veranderde in kleuren die hij nimmer in z'n leven gezien had. In de verte zag hij een zwarte stip. Deze kwam met grote snelheid op hem af. Hij probeerde hem te ontwijken. Maar het puntje werd allengs groter en hij kon het niet meer aan zijn gezichtsveld onttrekken. De stip werd een ronde punt, een diep zwart gat dat steeds dichterbij kwam. De kleuren waren verdwenen en hadden plaats gemaakt voor heldere, als uit de perseïdenzwerm losgerukte, langs de aarde scherende, kometen. Douwe zag de lichtjes als een lange rij auto's die één voor één in de nacht, omhoogklimmend op een viaduct, met hun halogeenlampen tevoorschijn kwamen.
Natuurlijk, dit is de dood. Ik besta en toch besta ik niet. Ik ben sterveloos geworden. Douwe dacht aan een boek van Franz Kafka. Is Joseph K. niet door een geheim tribunaal ter dood veroordeeld. K's proces en executie waren geheim. K's gevoel moet net zo zijn geweest. Net zo geheim als mijn gevoel.
Douwe haalde zich het boek van Garcia Marquez voor de geest waarin de hoofdpersoon wakker werd in een grafkist. Het was ijskoud en donker. Hij voelde zichzelf wegrotten. Het begon bij zijn voeten die hij heel penetrant vond ruiken. Ratten knaagden aan zijn kist en niemand was zich bewust van zijn horror. Zijn dood was ook een sterveloos gevoel.
Alles beter dan zijn toestand, dacht Douwe, mijn dood is veel humaner. Ik heb tenminste nog de mogelijkheid te twijfelen. Misschien is het allemaal wel een droom.

Nee, het is de vraag of het wel een droom was. Evenmin als een fata morgana een droom is, hoewel wat je visueel waarneemt niet waar is. Je kan stellen dat Douwe hallucineerde in een moment van geestelijke rust. Hij neemt dingen waar die in werkelijkheid helemaal niet gebeuren. Maar dat kan alleen de verteller weten, een derde persoon, mits hij wel bij zinnen is.
Daar zit het probleem, want wie bepaalt dat de derde persoon niet hallucineert? Het is een vicieuze cirkel die alleen doorbroken kan worden door te stellen dat wat we nu waarnemen, waar is.
Daarom is Douwe's situatie waar. Hij heeft van geen enkel individu vernomen dat de gebeurtenissen vanuit een ander perspectief bezien niet waar zijn en hem daarmee als een fantast te boek stellen. Zolang de twijfel niet is gezaaid, zal Douwe zijn perspectief zien als de waarheid en zal hij zijn waarheid blijven oogsten.

‘Douwe, wakker worden joh. Je bent al veel te laat. Douwe, Douwe, wordt wakker. Klap tegen je kop gehad of zo?'
‘Hè?' klonk het ver weg.
‘Wakker worden, het is negen uur. Je bent een halfuur te laat.'
‘Ben jij dat ma?'
‘Goddank.'
‘Wat?'
‘Niets, ik droomde slechts.'