maandag 31 januari 2011

Seleucia deel 1

I Opdracht

`Er wacht een zware taak aan het eind van de horizon. Alleen met een aantal vrienden kun je deze uitvoeren. Je zal er alle mensen een plezier mee doen. Breng de opdracht tot een goed einde want er wordt daar honger geleden, net zo als wij vroeger onder de Romeinen!' riep Isradeo, staand op de heuveltop. De wind transporteerde de woorden naar Davithe, de zoon van Hagi. Deze riep terug dat hij zijn best zou doen, maar of de woorden aankwamen zoals hij ze bedoelde wist hij niet. In ieder geval hief Isradeo, de wijze vriend van Davithes vader uit het dorp vlakbij Nazareth, zijn armen in de lucht alsof hij alle goede machten verzamelde voor de laatste opdracht van Davithe. De leerjongen wist dat die opdracht draaide om een onderdrukker in het land van de Eufraat en de Tigris, om de schrik van Mesopotamië. Maar Davithe stond er bij alsof hij de hele wereld aankon. Het was zijn laatste opdracht, daarna zou hij bij zijn vader in de leer gaan.
Davithe dacht aan Isradeo. Hij was een goede vriend van Hagi, zijn vader, maar tevens zijn tegenpool. Zijn vader was een sterke magistraat die werd gesteund door zowel de Romeinen als het volk. Zijn draagvlak was groot, mede door zijn retorisch bepaald niet zwakke vermogen en vooruitstrevendheid in zijn vak, het spreken van recht. Ook de voorname positie die zijn familie heeft weten op te bouwen in de jaren van Romeinse dictatuur heeft van hem paradoxaal genoeg een geliefd man van aanzien gemaakt. Maar in de ogen van Isradeo was Hagi goed beschouwd een meeloper van de Romeinen. Isradeo doorzag het paradox. Hij vond hem een collaborateur, een veredelde charlatan en aan de andere kant een slimme magistraat die zijn macht op een zodanige wijze wist te gebruiken dat het volk er zelf het profijt van had.
De twee hadden elkaar ontmoet bij de berechting van een lid van de Christus sekte. Isradeo had daarin Hagi ervan weten te weerhouden het lid zwaar te straffen door hem te wijzen op de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van geloof die in de wereld zou moeten heersen. Beiden raakten in gesprek en het bleek dat Isradeo onderricht heeft gehad van de wijze mannen die Christus, door velen gezien als de sekteleider, als eerste zagen. Hagi raakte onder de indruk van de goede trouw van waaruit deze man dacht. Hij nam zich voor de gelovigen te helpen waar hij kon. Hagi had als klein kind de Christus gezien in de straten. Het maakte nu alsnog indruk op hem.
uiteindelijk was hij toch een mens en zag hij het als levensbedreigend om de aanwassende groep door vuur en vlam te verdedigen. Want dat kon zijn reputatie schaden. Hij zou opgepakt kunnen worden in een van de vele Romeinse razzia's. Zijn gezin zou kunnen worden opgesloten in de getto waarvan vele mensen het bestaan niet eens vermoedden. Die mensen waren alleen bezig met zichzelf. Zij zagen het onrecht van het Romeinse beleid niet. Uiteindelijk wist Isradeo Hagi te overtuigen dat een verdediger van verdachten geen blaam trof zolang hij hen vanuit zijn hart verdedigde en het recht, de wet zou verdedigen tegen het onrecht. Hij moest een compromis
sluiten door de sekte te verdedigen en de Romeinen te omarmen.
Het mocht dan voor de buitenwereld lijken op een zwaktebod, maar Hagi en Isradeo wisten wel beter. Isradeo, het orakel werd Hagi's adviseur en zij verstonden elkaar.
Jaren later benoemde Hagi Isradeo tot leermeester van zijn zoon. Dat was een gouden zet want het klikte tussen zijn zoon en Isradeo. Isradeo's verhalen over de Jezus Christus, over zijn verdiensten, het genezen van een melaatse, de wonderbaarlijke visvangst, de storm op het meer, vielen bij Hagi's zoon in de smaak. Met een aantal opdrachten werd Davithe voorbereid op de taak van magistraat. En hij zou beter worden dan zijn vader, volgens Isradeo. Na een aantal jaren was hij dan beland bij zijn laatste opdracht.
Terwijl Davithe naar beneden liep, dacht hij aan de opdracht die de oude Isradeo hem gegeven had. Met deze opdracht kan hij een wezenlijke, betekenisvolle bijdrage leveren aan het tot stand brengen van een groot Romeins Rijk. Een duizendjarig rijk waarin iedereen zijn honger kan stillen, veilig is en waar niemand bang hoeft te zijn door een of andere ziekte te worden getroffen. Een samenleving waarin ieder mens gelijkwaardig is en dezelfde rechten en plichten heeft. Waarin de ergste droogte kan worden overwonnen en het hoogst bereikbare kan worden bereikt: volledige zelfontplooiing.
Ondertussen sloeg een man aan de voet van de heuvel het allemaal gade. Hij had een keffije omgeslagen tegen de stof dat met de wind meewoei. De man stond naast twee muilezels. Blijkbaar wachtte hij op Davithe die de heuvel bijna af was gelopen.
Zonder woorden en met gevoel voor spanning pakte Davithe zijn plunjezak met kleding, bestemd voor de armen in Jeruzalem, op en liep naar de wachtende man aan de voet van de heuvel. Geen begroeting, geen woord werd er gewisseld.
Alleen toen Davithe voor die man stond, hij kon de ezels aanraken, was er een vleugje interesse, nieuwsgierigheid.
`Wat heb je gehoord van die Dé?' vroeg de man met keffije.
`Och, niets bijzonders.' zei Davithe en vertelde wat hij had gehoord van Isradeo. `Het is mijn levensopdracht, Shjamir. Als deze opdracht volbracht is, ben ik er klaar voor mijn vader op te volgen
Het was in de familie van Davithe de gewoonte dat de oudste zoon zijn vader opvolgde. Zijn vader was een magistraat in een plaats boven Jeruzalem. Zijn familie genoot na jaren van rechtspreken een behoorlijk aanzien die intact bleef tijdens de Romeinse overheersing en de onrustige periode 26 tot 36 AD. Ook tijdens het stadhouderschap van de ontactische Pontius Pilatus en de gedeeltelijke terugtrekking van de legermacht onder Claudius in 41 AD. Met de benoeming van Agrippa verwaterde de rechtspraak en het aanzien van zijn familie niet.
`Niets bijzonders? 't Is dat ik niet van je vrienden ben, want anders....' Shjamir maakte zijn zin niet af en schudde zijn hoofd.
`Ja, dat is waar Shjamir,' en Davithe probeerde zijn fout te herstellen, `zou jij dan misschien bereid zijn mee te gaan naar het rijk der Parthen?


II VLUCHTELINGEN.

Het scheen dat de weg van de Jordaan naar Jeruzalem door de Romeinen was afgesloten. Er was onrust in de oude stad omdat twee gladiatoren niet wilden vechten in het Amfitheater. Voor© en tegenstanders van de spelen waren slaags geraakt en de Romeinse garde probeerde de vechtende groepen uit elkaar te halen.
Tot die tijd kon niemand de stad in of uit. Daarom stonden er langs de weg naar de stad met de witte muur en de tempel veel mensen te wachten. Deze mensen, vooral vluchtelingen en handelsreizigers, buiten de stad hadden bijna geen water meer en het was niet te verwachten dat de Romeinen hen te drinken zouden geven. De Romeinen hielden immers de openbare drinkputten bezet. Dat er geen mensen uitdroogden was onvoorstelbaar. Vooral ouderen en kinderen moesten last hebben van het watergebrek.
Hoe Shjamir en Davithe via Jeruzalem naar de Jordaan konden komen wist Isradeo niet. Het antwoord zou zich vanzelf aandienen volgens hem. Wachten en nadenken over een goed plan was nu dus op zijn plaats. Ze moesten vooral informatie vergaren over de tiran uit het oosten. De tijd kon nuttig worden besteed door te praten met mensen die voor de tiran gevlucht zijn. Zo konden ze een goed beeld krijgen van de situatie in dat verre land waar alle macht in handen is van een man die zich keizer liet noemen.
Davithe stelde zich voor hoe het zou zijn zonder Romein in de buurt. Hij wist dat spoedig het door de Romeinen beheerste land zou worden verlaten en dat er dan sprake zou zijn van anarchie en een wrede keizer. Een keizer die zijn leger liet vechten tegen de Romeinen om zo als een tiran te kunnen blijven heersen over zijn groot Ctesiphon. Nee, dan prefereerde Davithe de Romeinen. Hij zou meewerken om hun mandaatgebied te vergroten teneinde maatschappelijke rust en vooruitgang mogelijk te maken.

De Romeinen hadden een groot deel van Sameria en Judea in handen gekregen nadat ze felle gevechten hadden geleverd met de bevolking. De Romeinen waren natuurlijk kwalitatief beter bewapend en bovendien beter getraind, maar tegen de Samaritanen was het toch moeilijk vechten. Deze barmhartigen, barmhartig omdat zij hun tegenstanders direct doodden en niet lieten lijden, waren overal, maar toch onzichtbaar. Kortom ze waren meesters in het voeren van een guerrilla.
In het begin waren de Romeinen een echte bezettingsmacht maar dat bouwden ze af tot kleine controlerende eenheden soldaten in de streek rondom Jeruzalem. Op belangrijke doorgaande wegen, knooppunten en bergpassen werd gecontroleerd evenals in de stad zelf. De inwoners werden in de eerste tientallen jaren uitgebuit door de bezetters. Maar ze kregen na verloop van tijd meer zeggenschap over hun eigen land. De Romeinen werden zelfs steeds vaker geprezen om de vooruitgang die zij brachten. Onder de Romeinse keizers Augustus, Tiberius en Claudius waren aquaducten aangelegd om voor water in de stad te zorgen. Na de bloedige opstand en de vernietiging van
de stad door Titus werden er later spelen gehouden maar die kregen steeds meer kritiek van de bevolking. De veiligheid in de stad was enorm vergroot door de patrouillerende wachten. Maar daar stonden de critici niet bij stil. Maar nu, nu werd het gezag getart. Het gezag dat al zoveel welvaart had gebracht, werd onder kritiek bedolven. Dit kon wel eens een ommekeer in de houding tegenover de Romeinen betekenen, dacht Davithe. Zo wint de sekte met de gekruisigde leider steeds meer aanhang en als de Romeinen hen blijven verbieden zal dat onvermijdelijk tot chaos leiden. De wil van de meerderheid is altijd nog groter dan de macht van de onderdrukking door weinigen.
Veel praatten Davithe en Shjamir er niet over. Het was eigenlijk wel duidelijk. Het duizendjarige rijk moest er komen. Als ze er over praatten hadden ze het vaak over het duizendjarige rijk met de vrijheid en gelijkheid voor iedereen, zonder onderdrukking. Beiden waren het er over eens dat het doel meestal onbereikbaar was. Daarom moest de vrijheid en gelijkheid voor iedereen het doel niet zijn. Het doel, zo concludeerden ze, moest veel verder liggen. Een bijna onmogelijke opgave.
Terwijl ze wachtten dacht Davithe over wat Isradeo tegen hem heeft gezegd en aan het duizendjarige rijk, de utopie, het doel, de onmogelijke opgave.

Twee dagen wachtten de mannen reeds op het moment dat de blokkade zou worden opgeheven. Dat was vermoeiend in de, voor de tijd van het jaar, uitzonderlijke hitte. Ze kregen een leeg gevoel in hun maag. De voorraad eten die ze bij zich hadden was ontoereikend en daarom gingen ze de heuvels in om wilde vruchten te plukken en zo mogelijk een vogel te vangen.
De vogels, als die er al zaten, lieten zich niet makkelijk pakken. Het was dus een hele klus om voor voldoende voedsel te zorgen.
Ze lieten zich de verzamelde vruchten en gevangen vogels goed smaken. Het eten deelden ze met mensen die minder fortuinlijk waren en ze hoorden ondertussen de verhalen over een dictator, Nerod genaamd. Dit was de tiran die Isradeo bedoelde, wist Davithe te vertellen.
De verhalen spraken hun aan omdat ze soortgelijke verhalen van Isradeo en handelsreizigers hadden gehoord. Deze mensen kwamen uit het land tussen de Eufraat en de Tigris en probeerden toevlucht te zoeken in het land ten westen van de Jordaan; `Het beloofde land' zo werd Jeruzalem en omstreken al snel genoemd door de grote groep vluchtelingen op zoek naar veiligheid. Zij trokken weg uit het land waar de wrede dictator Nerod een schrikbewind uitvoerde. Nerod duldde geen oppositie. Er werd gezegd dat hij zijn tegenstanders ophing aan bomen en de stadspoorten.
Er ging zelf het gerucht rond dat de wachters, de grote stieren met de vleugels, bij de paleis- en stadspoorten 's nachts levend werden. Ze vlogen dan uit om buiten de stad vreemdelingen en dorpelingen levend te vangen. De gevleugelde stieren namen hen mee naar de stad. Deze wachten hadden het
gedaante van een stier met een mensenhoofd en vleugels.
Het voedsel dat er was, moest worden verdeeld onder zijn familie en zijn soldaten. Het kleine beetje dat er overbleef werd teruggegeven aan het volk, maar veel was het niet. Soms had deze keizer, zoals hij zich het liefst liet noemen, de wrede gewoonte voedsel in de Tigris te gooien. De mensen sprongen, door de honger gedreven, als een horde lemmingen in de rivier om een beetje eten te bemachtigen. Velen konden echter niet zwemmen. Zij verdronken jammerlijk in de woeste stroom.
Er gingen geruchten van dolende roofridders die op hun kamelen door de ruige bergen en woestijnen trokken en plunderden wat er te plunderen viel. Geen enkele karavaan wist zich zeker van een behouden aankomst voordat ze de Romeinse linies bereikte. De karavanserais bevonden zich aan de frontlinies en groeiden uit tot de grotere Romeinse vestingen. Wat dat betreft hadden de Romeinen onder leiding van keizer Tiberius ( zoek op wat hij heeft betekend voor Rome.) iets bereikt.
Er was rust in het Joodse land dat zich uitstrekte van de hoge vlakte en het meer waar de Jordaan doorheen stroomt tot de grote zee in het zuiden. Waarom die sekte zich dan keerde tegen de Romeinen was voor velen daarom niet helemaal duidelijk.
Maar goed, Davithe en Shjamir hadden gehoord van de misstanden in het land van Eufraat en Tigris. Davithe dacht na hoe deze vreselijke excessen de wereld uit konden worden geholpen. Hij had al een soort plan en overlegde dat met Shjamir.
Het plan is eenvoudig hield hij hem voor, `Ten eerste moeten wij zorgen dat we in de stad S. komen. Van daar uit kunnen we mensen mobiliseren om gezamenlijk op te trekken naar Ctesiphon. We zullen dan 's nacht moeten reizen. Overdag kunnen we ons beschermen in de bergen.' vertelde hij aan Shjamir, `Maar we moeten eerst zorgen dat we in de stad S. komen.' en hij tekende de route uit in het zand.
Toen zij een lift kregen aangeboden van een kamelenhandelaar werden ze verrast door de handelaar. Hij zei dat de handel stagneerde door de keizers wandaden. Niemand had nog zin om kamelen te kopen in zulke slechte tijden. De kamelenhandel was ingestort. Veel van zijn vakbroeders ( De vakbroeders komen in het verhaal niet terug. Je kunt zeggen dat K. weinig tot geen steun heeft van zijn collega's.) hadden de moed al opgegeven. Maar hij zou die keizer Nerod eigenhandig het land uit willen jagen, terug naar waar hij vandaan kwam. De verrassing kwam met de opmerking dat als Davithe en Shjamir nog een goede tolk en kenner van Nerod's leger konden gebruiken hij zeker wel samen met Shjamir en Davithe ten strijde wilde trekken tegen Nerod. Het was als door de Goden gezonden. Een man met een aantal kamelen, kennis van de woestijn en een strijdlust die ze konden gebruiken, wilde hen helpen. De vrijwilliger noemde zijn naam. Hij bleek Karim heten.
Het bijkomend voordeel voor Davithe en Shjamir, vertelde de handelaar, is dat hij de woestijn goed kent en dat waarschijnlijk veel vakbroeders met hem mee willen doen.
De nieuweling was een spraakwaterval. Hij zei dat hij als Mesopotamiër geen Parth was en de strijd tegen de Romeinen beu was. Volgens hem was er al een groeiende weerstand onder de bevolking te zien en werd steeds meer de kant van de Perzische Sassaniden gekozen.
Voor Davithe de kamelenhandelaar vertelde wat zijn plan was, vroeg hij waarom de handelaar dacht dat ze het tegen de beruchte keizer wilden opnemen.
`Met de uitstraling van jullie is iets dat mij zegt dat jullie je voor de goede zaak willen inzetten. Aangezien ik mijn handel weer terug wil en de mensen in mijn dorp en streek niet wil laten barsten moet ik helpen. Met jullie charisma in m'n gedachten moest ik het voorleggen. Wat vinden jullie ervan?'
`Goed, de eerste zet is gedaan,' zei Davithe tegen Shjamir, `We gaan naar de stad S.....' Hij richtte zijn gezicht naar Karim, `Maar niet om daar sentimenteel te doen.'
`Ja, en als we daar zijn, gaat het echte werk beginnen.' zei Shjamir en hij hief zijn beker met bronwater. Samen met Davithe en Karim beklonk hij de start van campagne tegen Nerod.
`Kun jij zwemmen, Parth-hater?' vroeg Shjamir de volgende dag aan Karim.
`Eh, eh, ik ben geen Parth-hater,' zei hij bedachtzaam, `Die oorlog en hun Keizer ben ik beu.'
`Ja, ja, natuurlijk.'
`Trouwens, waarom vraag je dat eigenlijk? Ik spring niet in de Eufraat!'
`Nee, natuurlijk niet, maar je kunt het nog nodig hebben.' antwoordde Davithe, `in de Jordaan leren we jou de basisbeginselen van de zwemkunst!'
Na twee dagen rijden op de kamelen kwamen ze aan bij de rivier, waar het land achter de Jordaan begint. In het warme water leerde Karim zwemmen. Tot aan het eind van de dag werd daar doorgebracht. Karim werd ook het ondernemingsplan ontvouwd. Het leek hem niet verkeerd. Alleen stelde hij voor een iets andere route te kiezen. Later zou hij dat nog eens herhalen.
Het was al laat ze gingen daarom dus maar slapen om de volgende dag in de ochtendschemer weer fit aan de volgende rit te beginnen.
Dit herhaalde zich een aantal malen. 's Morgens vroeg reden ze en op het heetst van de dag rustten de drie. Ze kwamen steeds minder vaak mensen tegen. Degenen die ze tegemoet reden hadden verhalen over Nerod's wandaden. Het viel Davithe en Shjamir op dat hetgeen de Mesopotamiër vertaalde steeds gruwelijker werd.
Bij het krieken van de dag werd Davithe als eerste wakker. Hij wekte Shjamir die snurkte.
`Als je maar niet snurkt als we ten strijde trekken.' zei Davithe.
`Ach wat,' bromde Shjamir die schijnbaar last had van een ochtendhumeur, `Je kunt beter 's nachts snurken dan overdag slapen. Maar goed ik geef je toch gelijk dat je me herinnerd hebt aan deze gewoonte.' Shjamir zei dat schijnbaar om de vrede tussen hem en Davithe te bewaren.
`Wat doen we dan met de kamelen? Die maken toch ook lawaai?' vroeg Karim, net wakker geworden, een beetje verwonderd.
`Jij bent niet de slimste, hè?' zei Davithe tegen Karim, `Het was gewoon een grap!'
`Leuk hoor, zijn we nog niet eens echt vertrokken en gaan we elkaar een beetje de les lezen, waardeoordelen geven!' zei Shjamir. Daarmee doelde hij op Davithe die af en toe een beetje arrogant overkomt.
`Ik zal eens kijken of daarginds in dat dorp al pità-brood is te krijgen.' zei Karim. Hij was een gewone streekgenoot en had zodoende van de vreemdelingenhaat niets te duchten.

Hij klom op een kameel die in de steeds korter wordende ochtend©schaduw op de grond lag en maande het dier te gaan staan. Langzaam richtte het zich op en Karim reed richting het dorp. Onderweg zag hij hoe mooi de omgeving was. De zon was nog maar net op en scheen tegen de heuvels in het westen. Dat gaf een weelde van kleuren. De verschillende tinten bruin van het gesteente, de rotsblokken op de heuvels, contrasteerden met de verschillende kleuren van de jonge en frisse vegetatie, dat weer ging groeien na een paar maanden onderbreking. Het was een mooi gezicht. Het combineerde ook heel goed met de eucalyptus©bomen die aan de kant van de zandweg groeiden en voor perspectief in het geheel zorgden. Het beekje in het dal maakte de omgeving gezond en hield het levend. Hier en daar sprong een konijn weg bij het horen van de kameel en het gezang van zijn berijder. Het was als een illustratie in een glossy magazine, het ogenschijnlijk zo vredige leven. Alsof hij een boer in de rustige periode was, die naar de markt ging om te verkopen, te ruilen.

Hij stapte uit het plaatje, de werkelijkheid in en bereikte het dorp. Het zag er verlaten uit. Hoewel de zon toch al geruime tijd op was, was er niemand te zien in de straat die naar de waterput leidde. Het zou er druk moeten zijn.
Karim vroeg zich af waarom het zo stil was. Was er wat gebeurd? Wat was er dan gebeurd? Waar waren al de mensen?
Karim wist het niet. Het kameel bond Karim bij de waterput aan een pijnboom vast.
Terwijl zijn kameel lag te herkauwen, haalde hij de emmer in de waterput omhoog. Met het water leste hij z'n dorst. Na gedronken te hebben ging Karim op onderzoek uit.
Hij liep naar het grootste lemen huis dat het dorp rijk was. Veel ramen hebben de huizen niet en de ramen die het had waren gebarricadeerd, evenals de deur. Karim liep om het huis
heen. Het viel hem op dat gelaarsde mensen de schotten hadden aangebracht.
Karim had in zijn jongere jaren in het leger van Nerod gezeten. Daar heeft hij les gehad van een nomade uit de woestijn. Die vertelde hem en zijn broeders in het leger hoe sporen te lezen. Uit de sporen kunnen een aantal dingen worden opgemaakt. Uit de voetstappen begreep Karim dat het om soldaten ging. Ze waren nog niet lang geleden op de plek geweest waar Karim nu stond. Karim wist voorlopig genoeg. Dit moesten Davithe en Shjamir weten.
Zelf snapte Karim er weinig van. Waarom worden huizen dichtgetimmerd en achtergelaten door de bewoners. Karim liep in een looppas naar zijn kameel die daar nog lag te herkauwen. Karim reed dezelfde weg terug naar waar hij vandaan kwam. Ditmaal had hij geen oog voor de omgeving. Hij dacht aan de situatie in het dorp. Het drong langzaam tot hem door dat de mannen van Nerod represaille©maatregelen hebben genomen. Dat deze best wel eens zwaar konden zijn had hij ook wel door. Hij wist als geen ander dat de soldaten in groepsverband echte beesten kunnen zijn.
Teruggekomen bij Davithe en Shjamir meldde Karim met een overslaande stem wat hij had gezien, `Soldaten van Nerod hebben de inwoners vermoord.' en hij legde zijn vlakke hand tegen zijn strottenhoofd, waarmee Karim wilde zeggen dat de bewoners waren onthoofd.
`Ik heb er een heleboel gezien. Vrouwen en kinderen voor de deur, zo afgeslacht, afschuwelijk!' Nu had Karim dit niet gezien, maar zijn gevoel gaf hem te kennen dat er iets ergs aan de hand was.
Davithe en Shjamir waren verrast dat Karim met dat nieuws kwam. Ze hadden nog wel gerekend op een pitabroodje. Trek hadden ze, maar niet hierin.
`Wat vertel je nou Karim? Meen je dat? Het leidt geen twijfel wie dat op zijn geweten heeft!' reageerde Shjamir op het slechte nieuws.
`jongens, een grapje van mijn kant. Nu staat het 1-1' zei Karim droog, `De ramen en deuren van de huizen zijn gebarricadeerd en alle mensen zijn weg. Er zijn represaillemaatregelen genomen door soldaten, dat is alles wat ik weet.'
`Bah, wat een smerige grap, het had bij Nerod wel zo kunnen zijn. Het getuigt van jouw slechte smaak Karim.' reageerde Davithe. Ondertussen dacht hij na hoe die klaploper kwijt te raken. Hij mocht hem niet en aan zulke flauwe grappen had Davithe (en hij niet alleen) een bloedhekel. Shjamir had over de grap van Karim te zeggen dat hij het geen grap vond. Volgens hem was het de realiteit waar rekening mee moest worden gehouden.
`Nerod haalt zoiets uit, de vraag is alleen wanneer. Er moet iemand zijn die het kan tegenhouden. Ik zou niemand anders weten dan onszelf die deze misdaden van Nerod kan voorkomen.'
Dat moest Davithe beamen, `Goed, maar ik blijf het een flauwe grap vinden. Ik kan het niet tolereren.' Met die uitspraak was deze discussie over, maar het wilde die dag tussen Davithe en de kamelenhandelaar niet boteren.
Voor diezelfde dag waren de plannen om met Karim als gids een iets andere route te kiezen om de stad S. te bereiken. Karim had de twee kunnen overtuigen van de noodzaak. Onderweg hoopten ze een schaapherder tegen te komen die hun wat meer over de gebarricadeerde huizen kon vertellen.
Echter, voordat de zon onderging en het schemerig werd kwamen ze niet verder dan een 15 tot 20 Judeaanse mijlen. Die dag hebben ze de mondvoorraad die ze nog hadden, opgemaakt. Sinds de middag hebben ze alleen water gedronken. Nadat ze een overnachtingplaats hadden gevonden en die in orde hadden gemaakt, wilde Karim het plan voor de volgende dag bespreken. Maar Davithe en Shjamir wilden gaan slapen.
`Ik vindt alles prima, behalve deze toeristische route.' zei Shjamir, `Trouwens we moeten morgen voedsel vinden.' Daarna sloot hij z'n ogen en probeerde te slapen.
Davithe had nog een beetje een rot gevoel van de ochtend, `Morgen is er weer een dag, ik heb nu eigenlijk geen zin om die plannen van jou te bespreken.' zei Davithe een beetje denigrerend tegen Karim. Karim ging ook maar slapen toen er niemand overbleef om zijn plannen te bespreken.

In die nacht gebeurde wat eigenlijk al veel eerder had kunnen gebeuren; Shjamir had weer eens een snurk©aanval en door zijn gesnurk (wat in de nacht veel luider klonk dat overdag) werden de kamelen onrustig. De kamelen die normaliter wel tegen gesnurk kunnen, voelden zich bedreigd door dat geluid. Het gevolg was dat ze niet rustig bleven en zich losrukten. Tumult in het driemanskamp.
Gevloek en getier, `ver..., shit,' en andere woorden die een gemoedstoestand tot uitdrukking brengen werden door Davithe gebezigd, `De dieren zijn los, er achteraan!' riep hij.
Karim had zijn sandalen nog aan. Hij was de eerste die achter de kamelen aan rende.
Davithe was de tweede die de richting waarin de kamelen de donkere nacht ingingen opging.
`Doe maar rustig aan!' riep Shjamir de andere twee achterna, `Die dieren lopen niet ver weg, in de nacht.' Ondertussen dacht hij wel dat indien zij de dieren niet in de nacht zouden vinden, zij ze wel op de buik konden schrijven. Overdag zijn de kamelen echte trekkers. Zij kunnen mijlen lopen. Dus Shjamir herhaalde zijn roep niet, maar zette nu ook, zo goed als dat in het donker gaat, een looppas in.
Na een uur zoeken hadden ze de dieren te pakken. Ze werden stevig vastgebonden aan een pijnboom. Inmiddels was de maan te voorschijn gekomen. Toen was te zien dat Shjamir gevallen was. Zijn knie was opengehaald door de rotsblokken. Karim had een van zijn sandalen verloren maar hij was blij dat de kamelen terug waren gevonden. Davithe had niets. Hij was in het verleden de boodschapper geweest van zijn vader en liep daardoor veel 's nachts door heuvelachtig terrein. Soms wel 15 mijlen in het pikkedonker.
`Hè hè, blij dat we die dragers terughebben ...., dankzij Karim.' zei Davithe en hij wendde zich tot Karim en zei dat het hem speet dat hij in de afgelopen tijd zo sceptisch was. Karim aanvaardde het excuus, `Ach ik weet wel dat ik mezelf moet bewijzen. Jullie zijn niets anders dan ons volk. Ook jullie maken onderscheid tussen goed en kwaad. Tussen Parth, Judeaan en Romein, Mesopotamiërs bestaan voor jullie niet eens meer. Maar wij horen hier allemaal. Dit is ons land en we moeten van dat verschil af. We moeten naast elkaar leven en niet als kemphanen tegenover elkaar staan.'
`Bravo Karim, dat vind ik nou ook.' zei Shjamir, `Weg met de verschillen. Volken aller landen herenigt U.'
`Hé, dat is goed gezegd' zei Davithe.
`Ja, ik zeg het daarom nog eens. Wij zijn allemaal mensen. Mensen met recht op vrijheid en gelijkheid. Wat is die Nerod dan voor iemand om anderen te veroordelen tot de bedelstaf? Te laten verhongeren tot de dood er op volgt? Wat is hij als hij tegenstanders vermoordt, executeert? Juist, hij is nog minder dan een straathond. Nog minder dan de aasgieren die het vlees van de botten rukken. Nerod pleegt misdaden, hij moordt zonder schaam en dat maakt me woedend, tierend. Wij zullen niet rusten voordat ons gram is gehaald. Ik word agressief bij het zien van al die vluchtelingen onderweg. Wat hebben ze misdaan! Die dictator moet weg en daar gaan wij wat aan doen.!' riep Shjamir furieus en op een meer rustige toon, `maar laten we nog wat proberen te slapen. Morgen is er weer een lange dag.'


III VERTROUWEN.

De zon kwam juist boven de horizon toen de drie ruw werden gewekt door een stemmen, een luide stem van een man en het geluid van een zich verwerend individu. Er was iemand in levensgevaar, dat was duidelijk. Het vreemde was dat het drietal veronderstelde dat zij alleen waren. Dat zij alleen in de uitgestrekte heuvels waren. Vreemd!
Alle drie waren ze direct wakker. Davithe, Shjamir en Karim waren de hele nacht al in een soort waaktoestand en zagen allen tegelijk dat een soldaat een vrouw bruut op een rijpaard trok. Ze verweerde zich hevig.
Davithe had de situatie snel in de gaten en kwam meteen in actie.
`Shjamir, ga naar links, Karim naar rechts. Ik probeer de aandacht van die soldaat te trekken. Daar moeten jullie gebruik van maken. We moeten haar bevrijden.'
Daar hadden Shjamir en Karim wel oren naar want ten eerste hadden ze wel zin in wat actie, ten tweede was het een mooie vrouw en ten derde was het niet meer dan hun plicht een mens in nood te redden.
Toen Shjamir en Karim hun positie in hadden genomen kwam Davithe tevoorschijn, met zwaard in de hand. Het zwaard had Davithe van zijn vader gekregen toen hij besloot met Shjamir te vertrekken om Nerod te bestrijden. Nu was het een kans om het fonkelende wapen uit te proberen.
`Waar gaat gij heen!' zei Davithe met stemverheffing en hij stond daar met zwaard in gevechtspositie op twintig meter van de soldaat. De soldaat wierp de schoonheid van zijn paard op de rotsen en moest lachen. De soldaat trok zijn zwaard en reed op Davithe af.
Ondertussen ontfermde Shjamir zich over de vrouw. Ze was niet buiten bewustzijn, maar ze sprak niet. Liggend op de stenen zag ze enkel het komende gevecht aan. Ze keek ontspannen en in een ogenblik keek Shjamir haar recht in de ogen. Hij voelde zich op een vreemde manier warm worden. Het oogcontact wekte nieuwe energie in hem op. Samen keken ze naar Davithe.
De soldaat had Davithe bereikt en er ontstond een ongelijk gevecht tussen een getraind soldaat en een boodschapper die het eigenlijk alleen van z'n loopvermogen moest hebben. De eerste klap ving Davithe op met z'n zwaard maar hij was niet in de positie om wat terug te kunnen doen. Hij verloor zijn evenwicht en viel. De soldaat zag dat direct en hief zijn wapen om de boodschapper een genadeslag te geven.
Karim had het gevecht, dat een paar minuten duurde, aanschouwd, maar hij had ondertussen wel een goede werpsteen uitgezocht om Davithe te helpen als hij in de problemen zou komen. Karim had die steen nodig om met een worp die soldaat vellen. Hij had het al meerdere keren gedaan. In de tijd dat de kamelenhandel nog goed liep, waren er veel kamelendieven actief. Karim had toen geoefend om zonder wapen, maar met een steen, die dieven mores te leren. Hij had daarmee zo'n werptechniek ontwikkeld dat hij van een twintig tot dertig meter iemand tussen de ogen kon raken.
Hij stond op dezelfde hoogte als de soldaat en was zeker
vijfendertig meter van hem verwijderd. Karim richtte zijn blik op het doelwit en gooide de steen. Deze suisde rakelings langs de soldaat. Hij voelde de steen. In een reflex keek hij om wat er aan de hand was. Dit gaf Davithe de kans zich weg te rollen. Toen sloeg de soldaat toe met zijn zwaard. De klap werd opgevangen door de harde rotsen. Ondertussen was Karim er naar toegerend. De soldaat draaide zich om, zag Karim en daarna niks meer. Karim had hem een trap in het gezicht gegeven en daar had de soldaat niet van terug, hoewel Karim blootsvoets was.

Onderwijl had Shjamir het vertrouwen van de vrouw gewonnen. Ze vertelde Shjamir in een mengelmoes van dialect en Arabisch dat zij in het verzet zit en dat ze bezig was een brug op te blazen toen ze werd betrapt door die soldaat. Shjamir begreep niets van dat opblazen. Misschien kwam het door de warmte van de vrouw.
Ongevraagd vertelde ze hem dat haar vader en zijn groep een betrouwbaar procedé ontwikkeld hadden om obstakels uit de weg te ruimen of hindernissen te creëren, bijvoorbeeld de brug vernielen.
Gehaast vertelde ze dat ze moesten vertrekken want binnen de kortste keren zou het wel krioelen van de soldaten.
Shjamir vroeg nog hoe ze dat procedé noemen, dynamiet had ze gezegd. Ze maakte aanstalten om op te staan. Shjamir stak zijn hand uit, maar ze weigerde de hand en liep in de richting van de kamelen.
`Davithe, Karim, opschieten we moeten hier weg!' riep Shjamir naar de twee die bezig waren de soldaat die buiten bewustzijn was geraakt, vast te binden aan een boom.
`Wat is er?' kreeg Shjamir te horen toen Davithe en Karim naar hem en de vrouw toeliepen.
Hij vertelde het verhaal. Daarop vulde de vrouw aan dat ze een grot weet die goed gebruikt kan worden om de soldaten te ontlopen. Het heeft meerdere in© en uitgangen vertelde ze.
`Goed, dan gaan we daar heen.' zei Shjamir.
De drie mannen en de vrouw liepen met het buitgemaakte rijdier langs de soldaat die bij positieven was gekomen. Davithe maakte een obsceen gebaar naar die soldaat.
`Moet dat nou?' vroeg Karim beleefd, niet wetende of hij de vrouw wel wilde volgen.
`Ja waarom niet, we leven in een vrij land.'
`Dat moet het worden.' verbeterde Shjamir hem.
`Ja.' voegde Karim toe.
De kamelen zaten nog vastgebonden aan een pijnboom. Ze maakten de dieren los, stegen op en reden achter de vrouw aan, richting de grot.
De grot was nauw en vochtig. De kamelen gleden telkens uit. De kamelenhandelaar was niet voorzichtig met zijn lastdier. met een twijg gaf hij het dier tikken om het na een uitglijder in beweging te zetten. Als dat niet hielp trapte hij het dier zelfs.
`'t Is een lui dier.' verontschuldigde hij zich, `Ik heb er eens één gehad die je volgde waar je heen ging. Dat zijn de besten. Beter dan de meeste vrouwen. Zo volgzaam.'
Op een gegeven moment reden ze vrij eenvoudig de grot uit het daglicht tegemoet. Ze stopten aan de rand van een bos.
`Ik ga alleen verder.' zei de vrouw. Ze steeg af en gaf de riemen aan Shjamir. Hij, Davithe en Karim stonden even raar te kijken maar weldra was de vrouw terug. Met een man.
`Dit is m'n oom. Hij is een strijder, net als m'n vader.' zei ze, `Zijn naam is Massimiliano.'
`Nou, wij zijn ook strijders, althans tegen de keizer.' zei Karim en hij stelde zichzelf en de anderen voor.
`Welkom in onze tijdelijke woning.' zei Massimiliano, `Als jullie ook strijden willen, dan zijn jullie hier op het juiste adres. We hebben eergisteren net een arm©worstelªwedstrijd gehad.'
Davithe en Shjamir keken Karim aan.
`Dat wil ik wel proberen.' hapte de kamelenhandelaar.
In verschillende dorpen in de omgeving van zijn voormalige woonplaats stond Karim bekend als een goed arm©worstelaar. Hij heeft een aantal malen van de Romeinse kampioen gewonnen en Karim heeft daarmee naam gemaakt in de streek waar hij vandaan komt. Dat had Karim tenminste verteld aan Davithe en Shjamir.
Massimiliano kwam op Karim afgestapt, `Als jij denkt op een eerlijke manier de vice-worstelkampioen uit ons dorp te kunnen verslaan, krijg je van het dorp een feest aangeboden.'
`Och dat is het proberen waard, maar wat als ik verlies?'
`Dan zullen we jou niet vragen ons te helpen de soldaten uit ons land te verjagen.' was het antwoord van Massimiliano en hij riep de vicekampioen. De vicekampioen was een rijzige man van ongeveer 24 À! À 25 jaar. Hij had een beetje vlassig haar en was, vergeleken met de mensen tussen wie Davithe, Shjamir en Karim zich bevonden, vrij licht van huidskleur.
`Moet ik tegen die jongen? Dit is toch veel te gemakkelijk, of willen jullie graag dat wij jullie helpen?' schimpte de uitgedaagde tegen Massimiliano. Er werd een tafel bijgehaald en de armspieren werden losgemaakt. Kortom de strijd kon beginnen.
Karim bedacht hoe hij dat aan moet pakken. Hij verwachtte dat die op een Germaan gelijkende worstelaar wel eens zijn dommekracht zou kunnen gebruiken.
Hard erin! Daar moest hij op bedacht zijn. Karim moest de schijnbare kracht van zijn tegenstander gebruiken, maar hoe?
De ellebogen moesten op de tafel. De linkerhand werd op de rug vastgebonden. Het teken dat de wedstrijd begon, werd gegeven.
Nu zit ik er midden in, dacht Karim, hem gewoon laten komen en dan het slot erop, de tegenstander niet onderschatten.
Maar de tegenstander kwam niet met de verwachte aanval.
Eén, twee, vijf minuten verstrekken, de spanning steeg.
Davithe en Shjamir stonden toe te kijken zoals alle anderen. Het was doodstil niemand durfde ook maar een geluid te maken.
In de verte was de roep van een bosuil te horen. Karim dacht dat het een oehoe moest zijn.
Het werd schemerig zodra de zon achter de boomtoppen verdween. De duisternis viel. De bosgeluiden verstomden. Toen zette de reservekampioen zijn lang verwachte aanval in. Karim kon hem pareren. Het was stil, alleen de ademhaling van de twee tegenstanders was te horen.
Hij zette zijn arm volgens zijn plan op slot.
De tegenstander had dat blijkbaar door want Karim voelde dat de tegenstand, de druk, afnam. Dit was het moment op een tegenaanval op te zetten, maar Karim voelde dat hij niet uit zijn eigen slot kon komen.
Karim werd rood en dat niet van zijn eigen inspanning. Het was eigenlijk een belachelijke vertoning hoe twee volwassenen daar zaten met de armen gebogen. Van de absolute stilte die er eerst was, was niet veel meer over. De mensen begonnen te fluisteren, te praten, de eigen vicekampioen werd aangemoedigd. Er werd gelachen, misschien uitgelachen.
Karim was de inzinking inmiddels te boven gekomen en was uit zijn eigen pijnlijke slot gekomen. De kampioen (zo voelde Karim dat op een bepaald moment, hoewel hij tevens wist dat toegeven aan de gedachte dat zijn tegenstander, die kampioen was, ongetwijfeld zou winnen, zijn ondergang zou betekenen) had inmiddels de druk weer opgevoerd.
Uit ervaring wist Karim dat zoiets veel kracht kostte. Daarom hield Karim zich nog even in voor dat hij zijn slag zou slaan. De worstelaars gaven elkaar niet veel toe, hoewel je kon zien wie de meeste krachten gebruikte.
Toen sloeg Karim toe; Op een moment dat het publiek hun huidige idool luid aanmoedigde, spendeerde Karim al zijn beschikbare krachten aan de ondergang van zijn tegenstander. Met geschreeuw werd de arm van de tegenstander tegen de tafel geduwd. Daarna sloeg Karim zijn vuist op tafel. Met z'n rechterhand maakte hij met een ruk de binding los die zijn linkerarm op zijn rug hield.
`Nu is het feest' riep hij, `ter ere van de weerstand van mijn tegenstander. Trouwens waar is hij gebleven?'


IV NA DE WEDSTRIJD.

Het feest was in volle gang, er werd gedronken, er werden schalen met gevogelte, vis, wild, fruit en brood geserveerd.
Karim stootte Davithe aan en vroeg waarom de wedstrijd tegen de vicekampioen was. Davithe wist het ook niet, misschien wist Shjamir het. Ook hij kon het niet vertellen.
Karim hief zijn beker, `Luister vrienden, het feest is goed, maar ik heb wat te vragen. Waarom hebben jullie de vicekampioen ingezet?'
`Dat zal ik jullie vertellen,' zei Massimiliano, `lange tijd vechten we al tegen de soldaten daar verspillen we al onze krachten aan. Nu op dit moment ook. We zijn alleen een beetje verdeeld hier in het dorp. De ene helft wil vechten en de andere helft wil een enigszins normaal leven leiden. Voor zover dat kan natuurlijk. Kijk een aantal jaren geleden hadden we een prima relatie met Nerod. Tenminste het was niet slecht. Maar heel geleidelijk werd hij te machtig. Hij eiste dingen van ons die niet kunnen worden ingewilligd. Onze mannen moesten in zijn leger tegen de Romeinen vechten. Belastingen werden op steeds grovere wijze geïnd. Daarom zijn we hierheen getrokken. Dit is het paradijs van vrijheid, gelijkheid en de veiligheid.'
`Het is niet groot. Hoe komen jullie dan aan al dat fruit, de gevogelte en de vis?' vroeg Davithe.
Massimiliano zette zijn beker voor zich op de tafel `Laat ik beginnen te zeggen dat dit in ieder geval groot genoeg is voor onze dagelijkse levensbehoeften. Alleen alle extra's moeten we ergens anders vandaan halen. We hebben daarom buitenposten. Mobiele mannen en vrouwen die 's nachts in ploegen opereren en karavanen die de stad proberen te bereiken, overvallen. De vis komt van onze visbrigade bij de rivier.'
`Indrukwekkend.'
`Ja, dat is het ook. Ik wil niet zeggen dat we het beter hebben dan voorheen in ons dorp. Het is niet te vergelijken. De situatie is anders. Vroeger vochten we niet. Tegenwoordig moeten we wel om te overleven.' Massimiliano was even stil en richtte zijn blik op het houtvuur wat een geur van verderf verspreidde. `Hoe komen jullie hier verzeild?' vroeg hij plotseling.
`Dat is een lang verhaal,' zei Karim en hij vertaalde de vraag voor Davithe en Shjamir. Davithe had de vraag al begrepen en richtte zich rechtstreeks tot Massimiliano wiens taal hij al begon te begrijpen, `Om het kort te houden zijn we hier beland door tegen de stroom vluchtelingen in te gaan. Maar dat is allemaal niet belangrijk want het is verleden. Wat echt belangrijk is, is de toekomst, waar we heen gaan. Wij zijn van plan Nerod te verslaan.'
`Hahahaha, met jullie drieën zeker?' bulderde hij, `Erg interessant, maar avonturiers kunnen we niet gebruiken. Het is erg gevaarlijk en het kan je dood betekenen. Onze strijders voeren nu een sabotage©actie uit. Met veel meer mankracht dan jullie met je drieën en zij hebben het al moeilijk genoeg.' Davithe schudde zijn hoofd.
`Het wil overigens niet zeggen dat wij niet op onze hoede zijn. Wij hebben wachtposten, verkenners, etcetera op de vlakte die de soldaten en andere mogelijke indringers in de gaten houden en over onze veiligheid waken.' merkte hij op, `Maar om terug te komen op jouw vraag. Onze kampioen is momenteel bezig met een sabotage©actie. Leve de kampioen!' Er klonk een niet overtuigend gejuich.
`Dan dacht ik nog dat wij in een woest verlaten land terecht zijn gekomen waar de keizer alle macht heeft.' zei Davithe.
`Niet waar dus.' onderbrak Shjamir.
`Nee, dat is niet zo. Eigenlijk is er al best wel een groot verzet tegen de mannen van N, maar we zijn niet echt georganiseerd.' zei Massimiliano.
`We zijn al in een uitgestorven dorp geweest, echt verlaten, geen leven te bekennen. Dar weet je natuurlijk niets vanaf?' zei Davithe.
`Nee, wij bemoeien ons niet zo met andere dorpen. Dat kan gevaarlijk zijn weet je, als zij ons kennen, kent Nerod ons ook en dan zijn wij niet meer veilig.'
`Dus jullie zijn ongeorganiseerd om je eigen veiligheid te waarborgen.'
`Ja, zo kun je het zeggen.'
`Maar je moet je krachten toch bundelen om zo sterk te staan.'
`Ja, maar dan ken jij onze geschiedenis niet. Wij hebben zo onze trots. Onze familie komt op de eerste plaats.'

`Die twee' zei Karim en wees op Davithe en Shjamir, `die twee zijn goede bestuurders. Tenminste, we hebben een soldaat gevangen.' Er steeg een minzaam gelach op uit het kampement. Shjamir haastte zich te zeggen dat ze Massimilliano's zuster met beleid uit handen van een soldaat hebben bevrijd.
`Dat zeg je nu pas!' bulderde Massimiliano, `Nou, ze mankeert in ieder geval niks. Bedankt hoor!'
`Heeft ze zelf niks gezegd dan?' vroeg Davithe beleefd.
Nee, dat kon Massimiliano niet positief beantwoorden. Ze had hem wel verteld over een brug die zou worden veroverd door het verzet.
Toen Massimiliano dat zei, stoof Shjamir op, `Dan is zij naar de brug toe! Tegen mij heeft ze het verteld dat ze bezig was dynamiet te plaatsen toen die soldaat haar betrapte!' zei hij gehaast.
`Nog een keer, wat is zij aan het doen? Dynamiet plaatsen?' vroeg Massimiliano zichzelf beantwoordend.
`Dat redt ze nooit in haar eentje. We moeten er op af, 't liefst met z'n allen.' reageerde Shjamir denkend aan haar warmte.
`Och, dat is niet nodig, zij weet precies wat ze doet. Ze mag dan wel mijn kleine zusje zijn. Ze staat haar mannetje.' zei Massimiliano en hij sprak het woord zusje snel uit, alsof hij zichzelf meerwaarde wilde geven.
`Ja maar, wie was het die door die soldaat werd overrompeld?' retourneerde Shjamir, `Je moet je zusje in de gaten houden broertje!' Daar had Massimiliano geen antwoord op.
`Oké, wie wil er als vrijwilliger mee achter haar aan.'
vroeg Massimiliano op luide toon aan de mannen die om hem heen stonden.
`Massimiliano, een vraagje, wat is dynamiet. Je zegt het wel maar vertel eerst maar wat dat is!' riep een dorpsbewoner die al aardig op leeftijd begon te komen. Er werd instemmend op die vraag gereageerd door de anderen die nu in een kring om Massimiliano heen stonden. Ze wilden het allemaal wel eens weten wat er gaande was.
`Sorry, dat ik dat niet eerder heb uitgelegd, maar dynamiet is een chemische verbinding die, als er vuur bij komt, ontploft en daarbij grote schade kan toebrengen aan gebouwen, bruggen en wat dies meer zij, kortom een nieuw wapen dat de Romeinen nog niet zelf hebben geprobeerd, maar ons hebben toevertrouwd, om te testen, begrijp je wel?.'
Natuurlijk gingen Davithe, Shjamir en Karim vanzelfsprekend mee. Wat zij hoorden van Massimiliano was voor hen nieuw. Zij wisten niet dat de Romeinen dynamiet hadden en wat dat precies inhield was ook niet geheel duidelijk. Maar dat een nieuw wapen moest worden uitgetest begrepen ze ook wel.
Er waren enkele dorpsbewoners die vrijwillig mee wilden. De groep met vrijwilligers vertrok onder aanvoering van Massimiliano naar het gebied waar zijn zuster zich vermoedelijk bevond. Zij wisten het niet zeker. Ze gingen puur af op wat Shjamir had gezegd over wat de vrouw van plan was voordat ze opgepakt werd.

De groep had een halve dag gelopen toen ze soldaten zagen. Er werden schuilplaatsen gezocht om zich te verbergen voor de soldaten. Die eerste soldaten waren te vergelijken met de eerste donkere wolken die voor het slechte weer uitdrijven.
`Ik heb een slecht gevoel in m'n maag en zeker weten dat het niet door het overvloedige eten komt' zei Shjamir.
`Hoezo?' vroeg Davithe.
`Er is zwaar weer op komst,' zei Shjamir, `ik voel het.'
De mannen hielden zich stil.
`Ik denk dat onze mannen nog niks hebben gedaan met die brug.' merkte Massimiliano op en hij bedoelde daarmee de andere helft van de bevolking in zijn dorp.
`Correctie! Die brug kan al zijn gesaboteerd. Maar hij is zeker nog niet ontploft.' weerlegde Davithe.
De anderen knikten instemmend, maar ze begrepen het niet.

De groep had zich verscholen tegen de rotswand die eigenlijk de overgang van vallei naar rotsachtig terrein markeerde.
Ze hadden een goed uitzicht over de vallei. Met in de verte de brug over de rivier. Massimiliano vertelde dat het nog wel een dag lopen was om de brug te bereiken.
`Ja, dat zou wel, maar ons doel is niet die brug te zien van dichtbij maar je zus te vinden.' had Davithe gezegd.
`Oké, dat is dan wel zo maar ze zal zich toch dicht bij die brug bevinden.'
`Jij wilt dat we dichter bij die brug komen?' vroeg Karim, die nog niet veel had gezegd.
`Natuurlijk, daar zitten de andere mannen ook.' antwoordde Massimiliano.
`Zeg Massimiliano, is dat dorpje daar Ctesiphon?' vroeg Davithe.
`Ja.'
`En verder....'
`Nou ja, lang geleden zijn mijn voorouders overvallen door de Parthen vanuit het oosten. Zij stichtten Ctesiphon. We konden goed met hen samenleven. Maar toen kwam Nerod aan de macht, enfin dat verhaal ken je. Die man aanbid Goden die wij niet kennen. Zijn paleis wordt bewaakt door honderden zwaargewapende mannen en ook zijn er enkele gevleugelde stieren die het paleis bewaken en beschermen tegen indringers.'
`Interessant, weet je,' overpeinsde Davithe de situatie, `Ze kunnen ons 's nachts niet zien. Het lijkt mij verstandiger om 's nachts via de rotsen dichter bij te komen. Ik hoop wel dat we nog genoeg levens over hebben, want via de catwalk over die richel nemen we wel een risico.' Nu konden ze een aantal uren uitrusten. Het was namiddag en de zon stond nog hoog aan de hemel. Het was warm maar er stond een zacht briesje vanuit de richting van de rivier die enige verkoeling bracht. Shjamir vergeleek het met zijn vakantie op een eiland in de Middellandse Zee.

Een aantal mannen had zich verspreid over de directe omgeving om ingeval van onraad direct Massimiliano te waarschuwen. Ze hadden die middag nog niets gezien maar laat in de middag kwam er een boodschapper met het bericht dat twee jongetjes waren gezien in het lagere rotsachtige gedeelte aan de ander kant van de rotswand.
`Waarom heb je ze dan niet tegengehouden?' vroeg Massimiliano op verwijtende toon.
De boodschapper moest het antwoord verschuldigd blijven.
Davithe, Shjamir, Karim en de rest wisten dat er wat aan de hand was. Na de uitleg werd het kampement ogenblikkelijk opgebroken en ze gingen gezamenlijk in de richting die de boodschapper hen wees. Het duurde niet lang of ze waren bij de wachtpost die de jongetjes had gesignaleerd.
`Daarginds in de verte zie je twee kleine figuren. Ik weet zeker dat het twee jongens van P. zijn. Hun moeder is dood en hun vader is bij die sabotage betrokken. Ze liepen in het dorp met ons mee maar ik heb ze terug gestuurd. Ik heb expres niks gedaan omdat van de andere kant van de weg soldaten komen die op patrouille zijn. Daarom heb ik op jullie gewacht.' zei de wachter.
`Goed werk, alleen ik was graag eerder geïnformeerd over die jongens.' zei Massimiliano. Inmiddels was de patrouille vrij dicht bij de jongens gekomen. `Nog even en ze worden gezien.' zei Karim.

Plots kwam er een vrij forse man achter de rotsen aan de andere kant van de weg die de jongens achter de rotsen bracht. `Weet je wie dat is? De verliezer! Het antwoord op de vraag waar is hij gebleven.' riep Karim naar de anderen die allemaal vanuit de heuvels stonden toe te kijken.
`Dat is Vitorio, onze vicekampioen!' zei Massimiliano verheugd.


V SOLDATEN.

Mohammed had zich een tijd geleden vrijwillig aangemeld om te dienen in het leger van zijn vaderland. Na een training van een paar maanden was hij gedrild om bevelen op te volgen en ze uit te voeren.
Het leger trok hem omdat het veel zekerheden geeft. Je bent niet afhankelijk van het seizoen, het weer en je hoeft niet constant hard te werken. Geen wonder, vond Mo zoals zijn vrienden hem noemen, dat je dan kiest voor het leger.
Kijk, de keizer zal zijn leger goed moeten onderhouden om zichzelf staande te houden. Een ontevreden leger komt het welzijn van de keizer niet ten goede.
Het is waar dat Mo dan wel een aantal dingen moest doen die hij liever niet deed, zoals het veroveren van nieuwe gebieden achter de Eufraat en de Tigris waarbij onschuldige burgers de dood vonden of het verdedigen van die veroverde gebieden tegen de imperialistische Romeinen. Maar per saldo is het leger toch voordelig omdat het leven daarin meer biedt dan alleen overleven.
Af en toe, als het rustig is aan de fronten of zoals nu als Mo is ingedeeld bij de patrouille©eenheid kun je van het leven genieten. Vrouwen zat en soms lekkere quat of een waterpijp, dat vergoedt veel.

Mo had via via gehoord dat een collega van hem op patrouille op een vrouw was gestuit. Hij had haar op zijn rijdier maar werd overvallen door twee tot vier mannen. Ze leken niet op mensen uit de regio. De vreemdelingen waren anders gekleed. Mo en consorten hadden moeten lachen om het verhaal.

Uit de beschrijving vermoedde de commandant van de kazerne dat de mannen uit het door de Romeinen gecontroleerde gebied kwamen.
De commandant had daarom alle verloven ingetrokken en de patrouilles verdubbeld. Daarom was Mo nu op patrouille.
Hij reed nu met de andere leden van de patrouille over de heuvels aan de andere kant van de rivier.
Het was goed te zien dat de rivier in de loop der tijden de rotsen had uitgesleten. Vanaf de kazerne waren zij over de rivier gegaan waarna ze een richel over moesten. Daarachter was het heuvelachtig en veel lager dan het land dat achter de richel begon. Het was en hoge vlakte met dorre vegetatie. Er viel weinig regen. Echt een plek om niet te willen hebben vond Mo. De keizer maakte er ook geen aanspraak op.
Toen de patrouille op de richel was, zagen een aantal soldaten in de verte iets bewegen. Het konden bomen zijn want in de verte stonden een aantal jonge eucalyptus©bomen en het waaide een beetje.
Ze reden gewoon door en deden of er niks aan de hand was.
De patrouille©commandant hield de situatie goed in de gaten. Op een gegeven moment zei de commandant tegen Mo zich te laten afzakken en via de rotsen te voet de omgeving te verkennen.
De patrouille zou blijven wachten totdat Mo terug was om te rapporteren over de situatie.
Mo deed wat hem gevraagd werd. Een paar uur later kwam hij terug.
`Er zijn daar in ieder geval twee kinderen, commandant.' rapporteerde Mo.
De commandant deelde zijn orders uit, `Goed, we gaan er gewoon naar toe, maar we splitsen de groep in drieën. Ik vermoed dat er wat meer aan de hand is. Mo, ga terug naar dezelfde plaats waar die kinderen zitten. Neem nog twee anderen mee Mo. Tigus, jij gaat met vier anderen over de richel tot aan die rotsen daarginds. Ikzelf ga met de rest over de weg naar die heuveltop.' De commandant wees naar een heuvel.
De groep onder aanvoering van Tigus had al snel in de gaten dat er een aantal wachtposten waren uitgezet door een onbekende groep. Dat rapporteerden ze aan de commandant.
Het waren dus niet alleen die twee kinderen, was zijn conclusie, hier was veel meer aan de hand, zoals hij vermoedde.
Ondertussen was de commandant over de weg dichterbij de top gekomen. Ze waren zichtbaar voor de wachtposten van de tegenpartij.
Tigus en zijn mannen zagen al snel uit een rotsspleet een aantal andere mensen tevoorschijn komen.
Twee van hen waren heel anders gekleed. Opeens zag hij een man tussen de rotsen vandaan komen en hij zag ook twee kinderen. Daarachter moest Mo ook zitten dacht hij. Nog even en de commandant zou op de top van de heuvel komen. Hij zou daar vermoedelijk stoppen.
Dat was het sein om tot de aanval over te gaan.
Wij zijn in de meerderheid dacht Tigus, een overrompeling moet slagen.
Mo had gezien hoe een man de twee kinderen van de weg haalde en er mee achter een rots kroop. Hij zag hoe de commandant op de heuvel stopte en rondkeek. Dat was het teken.
Mo's overmeestering van de twee kinderen en hun begeleider was niet het moeilijkste wat hij ooit gedaan had. Hij zag dat de commandant afsteeg en tussen de rotsen verdween, zijn mannen voorop. Mo liet de drie vastbinden en ging naar de commandant. Boven op de richel waren Tigus en zijn mannen in gevecht met de vreemdelingen. De vreemdelingen waren sterk. Twee soldaten werden van de richel geduwd door een derde, minder vreemde man.
De commandant had het zwaar, hoewel hij twee wachtposten had uitgeschakeld, werd hij voortdurend bestookt met rotsblokken en vallend gesteente. Maar dat raakte een keer op. Het zou een man tegen man gevecht worden, dacht Mo. Inderdaad, meter voor meter werd gewonnen op de verzetsgroep, want dat was inmiddels wel duidelijk geworden.
Maar tegen de overmacht van de patrouille waren de verzetsstrijders en de twee vreemdelingen niet opgewassen.
Na twee doden en evenzoveel gewonden aan eigen zijde werd het verzet gebroken en werden ze geboeid naar beneden geleid. Omdat ze ook aan de enkels waren geboeid ging de gang naar beneden niet gemakkelijk.
Bij de weg gekomen stegen de soldaten op hun paarden. Toen zagen Karim, Shjamir, Davithe en Massimiliano dat de jongens en Vitorio geboeid achter de rots werden geleid. Het kon beter geschopt kunnen worden genoemd.
`Hé, doe een beetje rustig aan!' riep Karim naar de soldaat die schopte, `Het zijn wel twee kinderen!'


VI GEVANGENNEMING.

De groep werd over de weg richting brug geleid.
Het ging niet erg snel omdat ze in de pas moesten blijven lopen om niet te struikelen.
Bij de brug gekomen konden ze duidelijk zien dat het water erg verraderlijk was; Het water stroomde redelijk snel, maar toch was de stroom behoorlijk breed en er zaten draaikolken in.
Davithe en Shjamir namen de situatie goed in zich op. De brug werd goed bewaakt, dat kregen ze in ieder geval te zien. Op de brug stonden een aantal met zwaard bewapende wachters.
Naast zich op de grond een licht gepantserd schild en verder een soort lans met een lengte van ongeveer twee meter. Ook lag naast hun op de grond een nieuw wapen, een kruisboog wist Davithe.
In Jeruzalem had hij de Romeinen op de Via Dolerosa er ook mee zien lopen toen zij net weggingen. Dat is nu ongeveer een half jaar geleden.
Wat gaan die nieuwe uitvindingen toch snel, dacht Davithe bij zichzelf, niet dat de ontwikkeling moet stoppen, dat gaat toch te langzaam, nee, in een halfjaar tijd heeft Nerod datzelfde wapen ook. Het is de handel in de wapens die zich erg snel verbreid. Je kunt het wel vergelijken met de grote brand in de stad. Ook in Jeruzalem en omstreken is bekend geworden dat Rome eens in brand stond tijdens het bewind van Nero .... Het wordt de-grote-brand-in-de-stad genoemd en is in Jeruzalem vooral bekend geworden omdat de mensen die zich christenen noemen, als schuldigen werden gezien.
Als er een huis in brand staat moet men bevreesd zijn voor het naastgelegen pand en binnen een uur kan zelfs een heel deel van de stad branden. Maar ogenblikkelijk dacht Davithe dat die handel in wapens een verdere escalatie van de vijandigheden tot nu toe heeft tegengehouden. Nerod voelt zich nog niet bedreigd door de Romeinen en hun leger en voor de Romeinen geldt hetzelfde. Misschien is het zelfs wel zo dat de Romeinen die handel in wapentuig expres organiseren om zo een ontwikkeling door de vijanden van nieuwe, echt verwoestende wapens tegen te gaan. Maar als iedereen wapens heeft met dezelfde vernietigingskracht dan is het aantal van belang. Het aantal lansen, drietanden, speren, zwaarden, bogen, schilden en nu dus kruisbogen. De Romeinen zullen Nerod dan aan een lijntje houden omdat de ze de uitvoer van hun technologie zelf bepalen.
Ondertussen werden ze verder over de brug geleid. De patrouille werd afgelost door een aantal wachters. Hun voeten werden losgemaakt zodat het lopen wat sneller ging.
Ze werden door de stegen van het plaatsje gedirigeerd. Onderweg werden er drie poorten voor hen geopend, die direct nadat zij er onderdoor waren weer werden gesloten.
`Ssss, klote daken en muren.' fluisterde Shjamir te hard, want de wachter hoorden het ook.
`Koppen houden!!' werd geroepen. Gevolgd door een schreeuw achter Davithe. Op de grond lag Shjamir, het bloed
sijpelde uit een van zijn oren. Shjamir probeerde weer op te staan.
`Niet praten!!' werd weer gesnauwd.
Massimiliano passeerde als eerste de vierde poort. Toen hij er onderdoor was, bleef hij als versteend staan.
`Doorlopen!' werd hem toegeroepen door een wachter.
`M'n benen kunnen niet meer.' verkrampte Massimiliano terwijl hij nog eens goed keek.

Een aasgier rukte een stuk vlees van iets wat de gedaante van een mens had.
`De lijken©vreters bestaan dus.' dacht Massimiliano. Hij zag wat beenderen, botten liggen; Ribben met het ruggenwervel, delen van de benen, schouderbladen, beenderen van het bekken en heupen. Het lag door elkaar op het hete zand. Massimiliano zag dat er op de grijze massa geen schedels lagen, maar hij dacht er niet echt aan. Hij dacht nergens aan, maar nam waar om het later te verwerken. Massimiliano was de eerste waarnemer van zijn eigen penibele situatie. In de geschiedenis zouden nog veel mensen dat als voorbeeld nemen zoals hij dat onbewust had gedaan. Hij stond als aan de grond genageld door de reinheid van het verminkte skelet. Opeens wierp van angstwekkende hoogte een vogel zijn schaduw op de grond. Massimiliano begreep in een flits het silhouet. Als waarnemer interpreteerde hij het: ze zouden onaangenaam dicht bij de dood zijn.

Voor het vertrek had Massimiliano, Davithe en Shjamir over het gerucht verteld dat in het dorp al ruim 3 jaar de ronde deed. Er waren aan de oever van de rivier menselijke schedels gevonden die waarschijnlijk afkomstig waren van de vermiste streekgenoten en vreemdelingen. Er werden regelmatig mensen vermist in de streek en iedereen wist het. De verklaring is het feit dat er grote vogels zijn die met hun enorme vleugels de slachtoffers bewusteloos slaan en dan met hun lange snavels het hart en de andere ingewanden uit het lichaam rukken.
De zojuist genoemde verklaring was aannemelijk, temeer daar de bewoners in omringende dorpen enkele keren een grote vreemde vogel in de lucht zagen. Het dier kwam hun onbekend voor. Het verhaal van de vogel werd aan de dorpsoudste doorverteld en die heeft waarschijnlijk de link tussen de schedels en de onbekende vogel gelegd. Ook zijn door bewoners aan de rivier, in de door de rivier uitgeslepen oevers meerdere, bijna complete skeletten, of fossielen, van reusachtige vogels gevonden.
Toen het verhaal aan Davithe en Shjamir werd verteld, geloofden ze het niet. Volgens hen was het een uitleg voortgekomen uit onwetendheid en was de angst van de mensen een goede voedingsbodem voor zulke verklaringen. Davithe deed er nog een schepje bovenop. Hij zei dat hem eens was verteld dat in de Naturalis Historae van Plinius Major staat dat dieren geen mensen aanvallen zonder reden.
Tegen zoveel kennis was Massimiliano niet opgewassen.
`De gevleugelde stier is zo ook een fabel. Puur bijgeloof. Zo'n God bestaat niet. Dat is allemaal boze opzet van die Nerod om de mensen dat te laten geloven. Gewoon een
vorm van bangmakerij, terreur, om de mensen in het gareel te houden, om ze te onderdrukken ten voordele van zijn macht. De Goden zijn er niet voor dat doel. Zij helpen ons te overleven. Zij helpen ons op aarde te bestaan en na het bestaan hen te helpen ander mensen te laten overleven. Wij zijn er voor de Goden. Snap je dat? Wij zijn de Goden. Wij zijn het die over onze eigen toekomst beslissen.'

Terwijl Davithe dacht aan wat er voor het vertrek was gezegd, telde Karim vier gieren in de wolkenloze lucht. Hij had het gevecht met de patrouille doorstaan, maar wist dat hij hier zijn aan eind zou komen.
Karim dacht aan zijn kamelen die hij allemaal aan de kant had gedaan om tegen de alleenheerser van het Rijk te strijden. Hij had geen spijt van de keus. `Dit is de slechtste dag in mijn leven, daarvoor waren er 48 maal 365 mooie dagen en die kunnen ze me niet meer afpakken.'

Ze werden over de binnenplaats geleid en moesten een deur door, een gang in, een zijgang naar rechts en een naar links. Daarna zat er in de gang een bocht waarin ongeveer anderhalf tot twee meter vooruit kon worden gekeken. Bij elke meter werd de lucht een beetje muffer en bij elke stap kwamen de mannen wat dichter bij het binnenste van de aarde.
De mannen werden daar in een soort nis geduwd waarna er een houten hekwerk voor werd geplaatst. Dit hekwerk werd vastgezet door een balk die tussen de muur en het hek werd gezet. Daarna vertrokken de wachters.
Ongeveer 13 mannen zaten opeengepakt in een nis in de muur die niet veel groter was dan vijf vierkante meter.
`We zitten nog bij elkaar, dat is al wat' zei Massimiliano opgelucht.
`Van mij mogen we wel in drie nissen zitten. Zo opeengepakt krijgen we bij geen zuurstof en we staan elkaar in de weg.' zei Karim.
`We moeten dat hekwerk breken. Karim dat is iets voor jou.' concludeerde Davithe, die had gezien dat Shjamir behoorlijk was gewond aan zijn hoofd. Dat baarde hem wel zorgen. Hij vroeg aan Shjamir hoe het ging.
`Het had beter gekund, maar ik houd er een souvenir aan over en dat had ik niet gedacht van die meelopers, die schoften.' en verontwaardigd sloot hij zijn ogen en trok zijn neus en mond samen. De mannen die dat zagen moesten glimlachen.
Maar ineens had Shjamir zijn volle bewustzijn, opende zijn ogen, `We moeten hieruit. kom op Karim, dat hekwerk moet bij die balk worden vernield. Zo kunnen we die balk met z'n allen verplaatsen.'
Hij had dat nog niet gezegd of er klonk een gekreun tussen de mannen vandaan. Een man zakte door zijn knieën en viel op de grond.
`Er is hier bijna geen lucht, geef hem ruimte.' klaagde een dorpeling tegen beter weten in.
`Help es dan, in plaats er bij te staan kijken' snauwde Karim de bewuste dorpeling toe.
Ze probeerden de balk weg te duwen terwijl een paar man het hek naar zich toe trokken om zo wat ruimte te maken om de balk te bewegen. Het lukte niet echt, het maakte veel lawaai en daarom was men bang dat het de bewakers zou waarschuwen.
`Hou maar op' zei er een, `dit wil toch niet'.
`Nee, we moeten hulp van buiten krijgen, maar hoe ...'.
Er kwam een bewaker bij het hekwerk. Hij had een paar appelen bij zich. `Het openen van dit met ijzer versterkte hek lukt je niet zonder hulp van buiten.' zei de bewaker terwijl hij een appel opat. Hij zag er vriendelijk uit, voor zover het bewakersproletariaat die indruk kan wekken.
Davithe dacht dat hij gebruik kon maken van de instelling die deze man blijkbaar had, `Diegenen die buiten zijn, moeten daar blijven. Wie hier is, is er tegen zijn wil. Wie wil niet buiten zijn, daar waar de zon schijnt, de regen naar beneden stroomt en de wind je gezicht verweert. Niemand zou toch voor een verblijf hier beneden kiezen? Al was het voor enkele ogenblikken? Niemand kiest daarvoor, ook wij niet. Weliswaar zitten wij nu als muizen in een val, we zullen er levend uit komen. Ons verlangen is sterker dan het sterkste ijzer!'
`Ja, onze handen zijn gemaakt om de kamelen te mennen, de oogst binnen te halen en niet om het zwaard vast te houden want daar kun je niet van leven. De keizer is niet goed wijs om jullie daarvoor te betalen en het geld van de boeren af te nemen. Jullie zijn net zo erg als de keizer.'
`Oh, oh' dacht Davithe, `daar gaat m'n plan.' Maar anders dan Davithe dacht, ging de bewaker met zijn gevangenen een dialoog aan.
`Ja jullie hebben gelijk. Ik ben de keizer eigenlijk ook goed zat. Het eten is niet goed, het werk staat ons steeds minder aan en de arbeidsvoorwaarden worden steeds vaker genegeerd. Neem bijvoorbeeld gisterochtend. Wij moesten een executie uitvoeren: een jongen die een lam had gejat die bestemd was om te worden geofferd. Het staat nergens in onze werkovereenkomst en het is niet gezegd bij indiensttreding dat wij dergelijke dingen tot onze taak moesten rekenen. Oké, hij is geëxecuteerd, zijn verdiende loon.' De bewaker keek zijn gevangenen vragend aan. `Luister het was een offerlam en dan verdien je niets anders. Maar kijk jongens, die executie dat staat niet in ons contract. Toen de keizer ons in dienst nam beloofde hij gouden bergen, scholing, een goede baan, land dat productief zou worden, voldoende eten noem maar op. En kijk nou wat er van ons geworden is? Wij zijn verworden tot de beulen van ons eigen volk, bijna zelf de morele moordenaars. Maar goed ik zal kijken wat ik voor jullie kan doen. Want in principe zijn jullie ook mensen.' Dat kwam voor een deel van de groep hard aan.
`Hij ziet ons nog als mensen, dat valt even mee!'
`Zijn principes zijn nog erger dan Hades' toorn.' werd ironisch door een dorpeling opgemerkt.
`ja, zo schieten we niks op, we moeten wat anders verzinnen' zei een ander.
`Nee, niks iets anders, we moeten vertrouwen op ons gelijk. Het recht overwint en spoedig zal de bewaker terugkeren met advies; deze man is corrupt, geloof me.'
Davithe en Shjamir waren er nog steeds van overtuigd dat er een klein wonder zou gebeuren, want dat hadden ze nodig. Dat wonder zou komen dachten ze, want ze geloofden in zichzelf en in wonderen.
Ze bleven nog een poos in de kerker. Door het lawaai konden de mannen horen welk deel van de dag het was.
De bewaker had zich niet meer laten zien sinds het gesprek. Het grootste deel van de groep geloofde niet meer in de spoedige bevrijding. Ze hadden geen hoop meer en de sfeer in de groep raakte gestrest. Het voedsel werd nog wel rondgebracht. Ze kregen pitabrood en het smaakte steeds beter naarmate het verblijf onder het maaiveld in de donkere stilte langer duurde. Het enige licht dat ze zagen was als een bewaker met een mand met brood langskwam.
De bewaker kwam nogmaals langs met eten en water, `Gevangenen die ter dood worden gebracht behoren in goede conditie te zijn.' zei hij en hij zette een emmer voor het traliewerk neer. `Dat wil zeggen dat jullie het komende sterven moeten zien als een vijand, als een extra straf. Niet als een zegen voor een gepijnigde martelaar. De dood zal met jullie vechten als een kat die met een muis speelt.'
Het water had een grijsbruine kleur zagen ze toen de grote houten deur nog geopend was.
`Zand schuurt de maag' merkte één op. Het was Massimiliano. Niemand, behalve hij, wilde water uit de emmer drinken.
Ze konden niets anders doen dan wachten tot het moment dat ze zouden worden opgehaald om het vonnis te voltrekken. De gestreste situatie leidde ertoe dat een paar mannen ruzie maakten in de laatste uren van hun leven. Het ging om de vrouw van een van de mannen die vreemd was gegaan met een andere man. De versierder vroeg om vergeving van het gebruik van de vrouw. De ruzie escaleerde en er mengden zich anderen in de ruzie. Er werd geschreeuwd en gevloekt. Alle Goden werden er bij gehaald. De vrouw verdween uit het oog. Het werd een ordinaire knokpartij waarbij behoorlijke tikken werden uitgedeeld vol in het gelaat. Ook Davithe en Shjamir werden niet gespaard. Zij werden gezien als zendelingen uit het Rijk Van Het Kwaad. Door hun komst werd het feestmaal verstoord en zitten ze nu in een kerker was de opvatting van een van de vechtersbazen die er zelf nog redelijk aan toe was.
Davithe en Shjamir werden het nieuwe doelwit van de overige gevangenen. Maar Karim was een van de eersten die boven op de mannen sprong om Davithe en Shjamir te ontzetten.
De bewakers die het geschreeuw hadden gehoord, aarzelden geen moment en renden de donkere gang in. Ze passeerden een aantal kerkers waarin de eenzame opgesloten veroordeelde misdadigers zaten. Het waren misdadigers in de ogen van de keizer. In de ogen van de burgers bestonden er geen misdadigers in de kerkers. Eigenlijk was er al lange tijd anarchie. De misdadigers liepen gewoon vrij rond terwijl onschuldigen opgesloten zaten in keizerlijke kerkers.
De minst slechte bewaker had het verzet ingelicht door naar een huis net binnen de stadspoort te gaan en daar op de deur
te bonken en het wachtwoord te noemen dat hem is verteld. De deur werd niet geopend. Hij moest de boodschap direct afgeven. Door een koerier werd de boodschap dat de groep onder aanvoering van Davithe en Shjamir vastgehouden wordt in de kerkers van de stad, naar de plaatsvervanger van Massimiliano overgebracht. Dit was niet gemakkelijk, maar toen hij het hoorde formeerde hij een selecte groep uit de streek die voor de bevrijding moesten zorgen.
Het plan om de gevangen dorpsgenoten en de vreemdelingen te bevrijden kon onderweg wel worden bedacht. Onder aanvoering van hem vertrok de groep.


VII BEVRIJDING.

Ondertussen was de procedure om de gevangenen te executeren gewoon doorgegaan. In totaal moesten ze, volgens die procedure, minimaal twee dagen in de dodencellen verblijven. Om de procedure correct na te leven werd de Davithe©groep over gebracht naar de dodencellen. Dit was niet ver van de plaats waar ze al die andere dagen zaten.
`Opstaan, jullie worden verplaatst.' Een paar potige bewakers met manshoge speren porden de mannen die nog zaten om te gaan staan.
Massimiliano strekte zich om de emmer met water op te pakken.
`Vanaf nu geen water en brood meer!' werd hem door een bewaker toegesnauwd en de emmer werd met de speer uit zijn hand gedrukt.
Ze werden door de langzaam krommende gang naar een trap geleid. Ze liepen de trap omhoog en zagen daglicht.
`Welke cel baas?' vroeg een bewaker.
`Dodencel!'
De bewaker keek naar beneden van schaamte. Hij dacht bij zichzelf wat voor rot beroep bewaken is. Hij schaamde zich nog meer voor de mannen die hij naar de genoemde cel moest brengen.
Eén van die mannen herkende de bewaker. Hij had nog niet zo lang geleden op de markt zaken met hem gedaan. Vlak voordat hij zich als laatste bij de deur van de cel meldde maakte hij het gebaar de deur niet op slot te doen. Hij hoopte dat de bewaker hem zou herkennen als zijn vriend.
Hoe het kan weet bijna niemand, maar de in de stad opererende verzetsgroep JP, luisterend naar de initialen van een eerder geëxecuteerde plaatselijke verzetsheld, was op de hoogte gebracht van komende executies.
De JP-ploeg had al snel het scenario voor een aanval op het goed bewaakte verblijf van de gevangenen bedacht.
Zij zouden de groep bevrijden uit de dodencellen die bovengronds waren. Over de daken kan je dan bij de dodencellen komen. Met dynamiet konden ze de ondergrondse kerkers voorgoed vernietigen als de gevangenen eruit waren gehaald. Naar binnen gaan moest niet al te moeilijk zijn als je van binnenuit al hulp kreeg van een bewaker.

De avond van de twintigste op de eenentwintigste juni, de dag van de zonnewende moest het gebeuren. Eén van de bewakers zou de andere bewakers afleiden zodat de JP-ploeg over de daken naar de Davithe-groep zou kunnen lopen. Het leek allemaal gemakkelijk.
Op het moment dat de bewakers door de overgelopen bewaker geroepen werden naar de cel die als rustkamer diende, liet het verzet enkele mannen afdalen die door een nis naar binnen zouden kruipen.
Door een gelukkige samenloop van omstandigheden was de celdeur niet goed afgesloten, waren de bewakers gezamenlijk in de rustkamer en stond er een voor de Davithe©groep onbekende verzetsgroep klaar om hun plan uit te voeren.
Verbaasd en met groot gemak opende Karim de celdeur. Er
stond niemand voor de deur noch was er zelfs een bewaker te zien. Davithe en Shjamir liepen langs Karim en gingen de trap af. Ze zagen de bewakers in de cel, ze dobbelden.
`Die dobbelen om hun vrouwen terug te winnen.' fluisterde Shjamir.
`Ja, weet jij nog hoe jij je eigen vrouw verloor bij het discuswerpen.' herinnerde Davithe zijn vriend.
`Hoe kom je daar nou bij joh. Ik heb geen eens een vrouw.'
`Nee, hahahaha, die ben je bij het discuswerpen kwijtgeraakt.'
`Daar praten we later nog over.' verweerde Shjamir zich.
Achter hem klonk een waarschuwend gesis.
De bewakers kwamen een voor een uit de cel. Enkelen liepen naar de cellen en richting de trap naar de dodencellen. Als eerste zag een vlezige bewaker met een grote vette snor dat de celdeur van de eerste dodencel openstond. Hij wilde direct alarm slaan maar Karim sprong de trap af en als een slang kronkelde hij zich om de bewaker heen. Direct daarna trokken Davithe en Shjamir de bewusteloze of gestikte bewaker de trap op de cel in. Snel werd de deur dicht gedaan.
De Davithe©groep had geen wapens en moest dus met list langs de bewaking zien te komen. Een collega van de geëlimineerde bewaker zag dat zijn collega niet op zijn plaats stond en sloeg alsnog alarm.
Alle bewakers kwamen op het geschreeuw af. Dit was een voordeel voor de JP-ploeg.
Door een diep in de kerkers van de keizer afdalende bewaking kon deze ploeg de andere ploeg bevrijden. De JP-ploeg kwam steeds dichter bij de dodencel waarvan ze de precieze locatie van de bewaker wisten.
Ze dachten dat de overgelopen bewaker en zijn collega's in de rustkamer waren, daarom slopen ze. De verzetsgroep hoorde echter geen ontspannen bewakers in een van de cellen. De ploeg was daarom op zijn hoede.
Ze wisten nog niet dat de Davithe-groep inmiddels de bewakers voorbij het trapgat hadden zien rennen naar de gewone cellen en over de enig mogelijke vluchtroute over het plein van de executie. Het was logisch dat ze daar groot alarm zouden slaan.
Voor de Davithe-groep was de kans om over de daken en muren te komen niet erg groot omdat ze geen touwen of iets dergelijks hadden zodat ze onmogelijk konden vluchten. Davithe dacht nog aan het gijzelen van bewakers, maar dat was ook geen oplossing omdat de bewakers er al vandoor waren en de bewaker die in de dodencel lag vermoedelijk gestikt was. Trouwens het hoofd van de gevangenis zou er toch niet op ingaan wist Massimiliano. Die zou hen dan het liefst afmaken.
De Davithe-groep liep voorzichtig in de richting van de rustkamer van de bewakers in de hoop daar touwen en wapens te vinden. Opeens stonden ze oog in oog met strijders van de JPªploeg. Het is niet te beschrijven wat er gebeurde. Er was eerst een soort van verbazing. Een ongeloof maakte zich van de Davithe-groep meester. Natuurlijk wist de JP-ploeg dat de deur niet afgesloten was. Maar toch waren zij ietwat verbaasd toen zij de Davithe-groep in plaats van bewakers tegenkwamen.
`Kom op, we moeten hier weg.' fluisterde een strijder van de JP-ploeg zo duidelijk dat iedereen het kon horen.
`Hij heeft gelijk, wat is de kortste weg?' vroeg Shjamir aan de man die hem op een leider leek.
`Achmed en ik hebben alles al van te voren uitgedokterd, we gaan met enkele touwen het dak op. We zitten nu ondergronds, dus het is nog een hele klim om op het dak te komen. Op het dak moeten jullie ons volgen en stil zijn. De bewaking weet dat jullie weg zijn en zal extra op hun hoede zijn.' doceerde de man die veel weg had van de rechter uit Amman die wel eens op bezoek kwam bij de ouders van Davithe.
`Moeten we de andere gevangenen niet bevrijden nu we hier toch zijn?' vroeg Karim
`Daar wordt voor gezorgd. Eerst jullie het dak op.'

Het duurde zeker vijf minuten voordat ze op het dak van de gevangenis stonden. De zon ging bijna onder. Over enkele minuten zou het pikkedonker zijn zodat de bewaking hen niet zo makkelijk zou opmerken. Daarom moesten ze stil zijn en geen vragen stellen. Geluiden in de nacht klinken tientallen keren sterker dan overdag. In het schemerlicht van de ondergegane zon vlogen onhoorbaar nog een paar rotsvleermuisjes voorbij.
Karim dacht dat hij in zijn jeugd steentjes omhooggooide waar de vleermuisjes op afkwamen. In zijn jeugd had hij gehoord dat je van een vleermuizenbeet gek kunt worden. Misschien was die Nerod wel gek geworden van zo'n beet en had hij geen antigif in de buurt. Karim stelde zich de filosofische vraag wat gek eigenlijk is. Hijzelf is met een paar Judeanen over de Jordaan gegaan om die Nerod te verjagen, dan ben je pas mesjogge dacht hij bij zichzelf. Als hij die Davithe en Shjamir nou niet had voorgesteld mee te gaan, was dit niet gebeurd. Maar ja, de gek praatte tegen dwazen.
Shjamir zag die vleermuizen ook. Hij zat vlak achter Karim en de sterke kamelengeur waarmee Karim zich omringde. Hij rookt het nu eigenlijk voor het eerst omdat hij al die tijd in de kerker in spanning heeft gezeten en het daar vreselijk stonk. Hoewel hij gespannen was, heeft hij niks laten blijken omdat dat de onrust alleen maar zou vergroten. Shjamir keek naar de rug van Karim en vond dat hij er in ieder geval sterk uitzag, als de gladiator die de laatste tijd in amfitheater de dienst uitmaakte. Maar toch was Karim al een ouder iemand. Hij heeft zijn gedachten al gevormd, zijn geest is oud. Zo'n iemand is star en onbeweeglijk en kun je reeds gevormde denkbeelden niet uit het hoofd praten. Shjamir dacht aan de eerste ontmoeting met Karim bij Jeruzalem. Karim zei toen dat hij de keizer eigenhandig zou verjagen. Shjamir wist zeker dat Karim dat nog wilde. De woestijnbewoner was een en al motivatie.
Davithe wist dat ze er nog niet waren. Het wachten op de volledige duisternis was begonnen en nu moesten ze nog over het dak naar beneden. Dat was gevaarlijk want er zaten zwakke plekken in de bedekking. Gelukkig duurt de schemer kort in deze tijd van de zonnewende. Gek, dacht Davithe, eigenlijk zou het feest moeten zijn, zouden er offers gebracht moeten worden. Maar daarentegen heerst er angst en Davithe keek naar Karim, die naast hem zat gehurkt, recht in de ogen die
glinsterden. Hoe kan hij zo gemotiveerd zijn, dacht Davithe, niet alleen omdat hij zijn handeltje heeft zien instorten, er moet meer zijn.
Het was donker, de laatste zonnestralen hadden zich allang in een rode gloed achter de horizon teruggetrokken. Ze hoorden de wachten voorbij marcheren. Hen was opdracht gegeven naar de rivier te gaan. Davithe keek over zijn linkerschouder en zag in het vage licht van de sterren dat leden van de JP©ploeg niet bepaald ongelukkig keken. Dit was een deel van de opzet dacht Davithe, die JP©ploeg had zijn zaakjes keurig voor elkaar.
De leider van de JP©ploeg bewoog en siste tegen de andere mannen dat ze hem moesten volgen. Karim werd door Davithe voorgelaten en kroop als eerste achter de leider van de andere groep aan. Hij was immers de tolk. Karim vertaalde hetgeen de leider van de JP©ploeg zei. Ze konden naar beneden, naar de binnenplaats van de gevangenis. Daar moesten ze zich tegen de muur op de grond laten vallen om niet op te vallen voor de bewakers die nog aanwezig zijn in de kerkers. De poort zal door de JP©ploeg worden opengemaakt.
Aldus geschiedde. Voorzichtig lieten ze zich via een touw naar beneden afzakken. De ontbindingslucht hing als een deken boven de grond. Davithe, Shjamir en Karim lieten zich tegen de muur op het deken vallen en roken de penetrante zure lucht.
Ondertussen slopen twee mannen naar de poort en morrelden wat aan de scharnieren. Na een poosje renden ze weg.
Opeens hoorden ze in de verte een luide knal, die wegebde in de nacht. Geschreeuw van mensen in paniek was duidelijk hoorbaar. Er klonken opeens twee knallen. Ditmaal zagen ze dat de poort openbarstte en als een dood voorwerp voorover viel. De twee mannen wenkte de rest. Ze hoorden geschreeuw van de bewakers in de kerkers. Er kwamen mannen uit een gebouw boven de onderaardse kerkers. Het was de rest van de groep van die onbekende leider. Zij hadden de achtergebleven bewakers ondergronds opgesloten.
`Snel, jullie moeten hier weg omdat de boel zo de lucht in vliegt! Volg mijn broeder. Hij brengt jullie naar een veiliger onderkomen.' zei de leider. Dit werd vertaald door Karim.
Shjamir zei dat die bewakers niet behoefden worden gedood als de gevangenis werd opgeblazen. De leider zei dat de kerkers de explosie goed zullen doorstaan.
De mannen van de Davithe©groep werden door de gids naar buiten geleid. Hoewel het donker was zagen ze iets meer omdat naast de sterren de maan opgekomen was en als een kaars toch iets van een verlichting gaf. Ze hadden gezien wat zo stonk, het was een lijk van een man. Een lans zat in zijn buik, alsof die door roofvogels of aasvogels was opengereten. Uit zijn oor kwam bloed en zijn schouder lag in een vreemde slag bijna onder zijn nek. De verbeten trek van de dode verried dat hij veel pijn moest hebben gehad toen hij stierf. Zijn ogen waren gedraaid in de kassen en grijs en met bloed doorlopen. Het leek of hij naar boven keek en iemand of iets beschuldigde, dacht Davithe. Maar natuurlijk beschuldigde hij, er zijn genoeg schuldigen.
Nog drie poorten en ze stonden in de straten met de kasba's, terwijl in de richting van de rivier nog steeds werd geschreeuwd. De gids liep snel en het duurde niet lang of ze
zagen de hoofdpoort. Tegelijkertijd klonken dichtbij explosies. De gevangenis spatte uit elkaar. De mannen konden niks ander doen dan rennen. Ieder voor zich. De kamelenhandelaar had een beetje moeite te volgen en raakte steeds meer achterop. Hij viel. Davithe zag dat toen hij omkeek. Hij aarzelde niet en rende terug naar Karim. Ondertussen waren de explosies erg dichtbij gekomen. Karim kon moeilijk lopen en Davithe ondersteunde hem. Eén gids hielp mee. De overigen waren met de andere gids meegegaan. Hinkend werd Karim naar de straat gebracht. Ondertussen hadden de leden van de JP©ploeg veel dynamiet gebruikt om de gevangenis op te blazen. Ze gaan als wilden tekeer, vond Davithe.

`Waar gaan we nu heen?' vroeg Karim aan de gids.
`Naar de schuilplaats in de heuvels net buiten de stad.' zei hij wijzend naar het oosten.
`Ja maar, de stadspoorten worden toch bewaakt?' vroeg Karim
`Ga jij je daar maar geen zorgen over maken. Dat is allang geregeld. Wij kunnen wel wat meer dan de Romeinen imiteren.'
Karim vertelde Davithe waar ze heen werden gebracht.
`Vertrouwen mijn vriend, dat moet u hebben.' zei de gids, maar nu verstaanbaar tegen Davithe en Shjamir, `Vertrouwen en geduld.'
Davithe en Shjamir keken elkaar aan en vulden bijna synchroon aan, `In de strijd om vrijheid, gelijkheid en veiligheid.' De gids knikte.
Ze werden een huis ingeleid door de gids, in het huis lagen dure karpetten op de grond. Wandgordijnen hingen voor de vertrekken die de binnenplaats omringden. Een gordijn werd opengetrokken door de zwijgende gids. Er lagen wat spullen opgeslagen. Davithe kon niet zien wat het waren. De gids vroeg aan Karim om even te helpen een kast van de wand af te schuiven. Die kast onttrok een mansgroot gat aan het oog. De gids stak een uitvoerig verhaal af en Karim die als tolk alleen luisterde vroeg af en toe wat.
Toen de gids klaar was zei Karim tegen de Davithe©groep, `Luister, dat gat is een ingang van een gangenstelsel onder de stad door. Er lopen ook gangen naar de heuvels buiten de stad. Het is de bedoeling dat we hier naar beneden gaan. Het is daar aardedonker en in het donker weet alleen de gids de weg. Hier beneden is een plateau waar we moeten wachten. Er is even een beetje kaarslicht. Zo gauw de gids beneden is moet iedereen de hand van de voorganger vasthouden en niks meer zeggen. Absolute stilte is dan een noodzaak. De kaars wordt dan gedoofd en we gaan op weg. Het zal ons ongeveer drie uur kosten om naar de heuvels te komen, mits er niks gebeurd. De tocht is niet zonder gevaar, maar dat merken we wel.'

Wat er in de grot gebeurde is moeilijk te beschrijven. Er was in het eerste uur van de tocht niks aan de hand. Het was stil en de groep vorderde onder aanvoering van de gids. Het werd vochtig in de grot. Na een uur werd door de gids een fakkel ontstoken en zagen de mannen een diepe kloof waar water
door heen stroomde.
De gids zei dat nu gezwommen moest worden om het pad aan de andere kant te kunnen vervolgen. Nu pas bleek dat een aantal mannen niet kon zwemmen.
`Wij mannen van de woestijn haten water, hoe kan je ons aandoen te zwemmen, gids? Is er geen andere route die het water vermijdt?'
Er was ruggespraak tussen de gids, Karim, Davithe en Shjamir.
De gids zei dat de onderaardse rivier toch moest worden overgestoken, welke route er werd gekozen.
`Misschien is er een ondiepe plek ergens?' opperde Davithe.
`Wellicht kunnen we onze lederen waterzakken gebruiken om te blijven drijven als we ze kunnen vullen met lucht?' dacht Davithe hardop, `Ik heb eens gehoord dat de Romeinen zo rivieren in...'.
`Dat zouden we kunnen uitproberen.' onderbrak Shjamir Davithe, `als we een waterzak zouden hebben zou dat helemaal te gek zijn.' Karim vroeg direct aan de gids of hij leren waterzakken bij zich had.
Inderdaad had hij daaraan gedacht, `In de woestijn of in het gebergte moet je altijd water meedragen anders kunnen je dagen wel eens snel geteld zijn.'
Hij had de zak nog niet gevuld omdat hij wist dat deze rivier moest worden overgestoken. De waterzakken werd tevoorschijn gehaald. Lederen zakken die 2 man ongeveer 4 dagen van water konden voorzien. gemiddeld 1 liter p.p. per dag = 8 liter
Karim werd gevraagd de zakken met lucht te vullen. Er werden grappen over gemaakt, `Op de bedorven adem van die Karim naar de vrijheid. Karim, je kunt ons er ook over heen blazen!'
Enkele andere mannen hielpen hem. De zakken vulde zich met lucht.
`Davithe zal het laten zien hoe je naar de overkant moet.' zei Shjamir.
`Dank je wel Shjamir, maar zie je hoe dat water stroomt. We kunnen beter een touw aan die waterzak vastmaken en dan de niet©zwemmers er overheen trekken.' merkte Davithe op.
`Karim vraag eens aan onze geachte gids of hij een touw heeft dat zo lang is als de breedte van de rivier.' vroeg Davithe aan Karim. De gids schudde het hoofd.
`Mannen, luister, ieder levert zijn hemd en tuniek in bij Shjamir. Hij knoopt ze aan elkaar. Dat lint wordt als touw gebruikt.' riep Davithe zijn groep toe.
Iedereen deed wat gezegd werd en de grijze sliert van hemden werd in het water gedrenkt en getest op sterkte.
Toen Davithe vond dat het touw sterk genoeg was zei hij tegen Karim te vragen of de gids naar de overkant durfde.
Jawel, hij pakte de mouw van het laatste hemd en liet zich direct in het water zakken en zwom de 15 meter naar de overkant. De stroming was sterk want de gids klom zo'n dertig tot veertig meter verder aan de overkant aan de wal met het ene uiteinde van de sliert kledingstukken in de hand. Davithe
moest aan de andere lint met hem meelopen omdat de keten niet lang genoeg was. Het laatste hemd werd aan de tros waterzakken vast gemaakt.
Op de achtergrond klonk een zacht gerommel.
Het lijkt wel of de stad door een aardbeving wordt getroffen, alsof een berg wordt gespleten door de krachten van het onderaardse, dacht Davithe die zijn vader wel eens over een ramp in een Romeinse stad had horen praten. Dat moet als het einde der tijden moet hebben geklonken zei zijn vader dan.
`We moeten haast maken.' klonk het aan de andere kant van de rivier. Karim vertaalde dat en Davithe zei tegen Shjamir dat er niet werd uitgeprobeerd of de constructie werkte.
`Wie kan zwemmen, zwemt naar de overkant en wie dat niet kan gaat daar staan en wordt over de stroom heen getrokken.' Davithe wees naar de plek naast hem.
Er waren drie mannen die niet konden zwemmen.
Davithe zei vlug dat ze de armen over de zak moesten doen, goed vast moesten houden en met de benen moesten trappelen. De eerste man liet zich in het water zakken met zijn armen over de balg.
De gids en een ander zetten zich schrap om de zich aan de balg vastklampende dorpeling over te trekken. In het midden begon de stroming heftig aan de lederen zak te trekken. De hemden spanden zich nog meer. Het water trok met kracht aan de kluwen waterzakken en de benen van de man. Opeens liet de man de zak los, het leek wel of hij in het witte water naar beneden werd getrokken. Direct sprongen twee dorpsgenoten die konden zwemmen in het water. De een greep de hand van de drenkeling maar de ander had zelf moeite zijn hoofd boven water te houden. De stroming trok hun mee voorbij de bocht. Davithe en Shjamir liepen nog mee, maar konden niks uitrichten. De gids was met de aan elkaar gebonden lappen stof achter de drie in verdrinkingsgevaar verkerende mannen aangerend, maar zag dat de eerste drenkeling door de stroming was gepakt en mee werd gevoerd. De gids gooide de twee de hemden toe vanaf een over die steeds hoger werd. Eén man lukte het de hemden te pakken. De andere man dreef af, ten dode opgeschreven wisten ze. Nu probeerde de gids, met hulp van een ander, de overgebleven drenkeling, die al onderkoeld was, te redden. Maar het stof was door het water niet sterk meer en scheurde. Ook de laatste van de twee redders verdronk in de stroming van de onderaardse rivier.

Davithe, Shjamir en Karim en nog een dorpeling die niet kon zwemmen moesten nu naar de overkant zwemmen. Zonder hulp, want er waren nog maar een paar hemden over.
Davithe, Shjamir en de overgebleven niet©zwemmer tussen hun in gingen als eerste. Het lukte hen de man naar de overkant te brengen. Ze wisten nu ook dat ze het binnen veertig meter de overkant moesten halen anders werd de stroming te sterk. Ze schreeuwden dat Karim toe. Karim stak z'n arm in de lucht ten teken dat hij het begreep. Toen hij op de helft was hield hij zijn hand boven water en liet hem er direct weer in vallen, zo ook met zijn andere hand. Met een snelheid in het tweede gedeelte die zelfs die van de gids
overtrof bereikte hij zwemmend de oever op een wijze die de gids, Davithe en Shjamir en de overige mannen nog niet eerder gezien hadden.
De groep pakte de spullen in de rugzak van de gids. Met drie mannen minder ging de groep verder. Ze lagen achter op schema vertelde de gids dat was het enige dat hij zei. Hij repte geen woord over het verlies aan mensenlevens. Daarna doofde hij de fakkel. Hij is duidelijk in mineur, dacht Karim, maar hij zei niets over de drie verdronken mannen. Twee uur later bereiken ze het licht van de nacht.
`Ik heb er over nagedacht wat we nu moeten doen.' zei de gids tegen Karim, `De afspraak die ik had met de groep die ons zou begeleiden naar het kamp in de heuvels hebben we misgelopen. Nu stel ik voor dat ik alleen verder ga en dat jullie in de grot blijven tot ik de volgende nacht terug ben met versterking.'
Karim overlegde met Davithe en Shjamir en zei tegen de gids dat een dag in de grot wel uit te houden was maar dat er bij het geringste onraad een vlucht zou worden opgezet. Ook vroeg Karim wat de naam van de gids was.
`Namen zijn niet zo belangrijk. Noem mij zoals het beste uitkomt, gids bijvoorbeeld.' sprak de gids in de taal die iedereen sprak.
`Kijk, als er iemand van jullie langskomt moeten zij ons wel herkennen, een naam of een wachtwoord of code zou prima zijn.' verdedigde Karim zich op aangeven van Davithe.
`Nee, jullie blijven hier en morgen ben ik in het donker terug. In die plunjezak zit nog wat, wat jullie van pas kan komen.' zei de gids tegen Karim. De gids vertrok te voet richting oost noordoost. Hij volgde de zeven sterren die in die richting duidelijk zichtbaar aan de horizon stonden.
Davithe sprak tegen Shjamir en de twee gingen terug de grot in. Karim volgde, met de overgebleven dorpelingen achter zich aan.
Ze hadden geen vuur meer, geen wollen dekens, eigenlijk niks waarmee ze zich konden verwarmen. Wat ze nog konden doen was slapen en wachten op het daglicht. Omdat ze geen schapenwollen dekens hadden en het vochtig was in de grot kropen de mannen als een groep wolven tegen elkaar aan om zo weinig mogelijk warmte te verliezen.
De nacht verstreek.
Niemand doet een oog dicht, dacht Davithe.
Ondertussen was de nacht echt gevallen. Met lange tussenpozen huilden er een paar wolven of prairiehonden. Als dat gehuil ophield was het doodstil. Zelfs het vertrouwde en gevaarlijke gesnurk van Shjamir ontbrak nu, viel Davithe op.
Die stilte maakt de nacht juist zo angstig, dacht Davithe. Hij had het niet warm gekregen omdat hij aan de zijkant van de hoop mannen lag. Maar hij rolde zichzelf steeds meer op. Zijn armen drukte hij tegen zijn borst om zo weinig mogelijk warmte te verliezen. Hij balde zijn hand tot een vuist omdat zijn vingers ijskoud waren. Davithe raakte uitgeput door de honger de spanning en, hoewel de temperatuur in de grot constant was, doordat het steeds kouder voelde.
De nacht vorderde, het gehuil werd minder en hoewel het
donker bleef in de grot leek het of het daglicht naar binnen wilde, de ochtend brak aan. Er waren een aantal mannen wakker geworden en zij dronken eerst wat water uit de beek.
`Dit moet je ook doen, het is lekker fris en het stilt de honger tot op zekere hoogte.' werd Davithe verteld.
Shjamir was ook wakker en het verbaasde hem dat niemand wat opmerkte over zijn gesnurk, `Ik heb vannacht niet gesnurkt zeker hè?' merkte hij op.
`Nee, nu je het zegt, het is mij niet opgevallen. Zo snel wen je eraan.' loog Davithe terwijl hij luisterde naar Karim.
`In de heuvels is wel wat eetbaars te vinden.' opperde Karim, `Dus we zouden voorzichtig wat kunnen gaan zoeken.' vervolgde hij.
`Wat nou jongen, heb je honger?' vroeg een dorpeling. `In die plunjezak hebben we quat gevonden. De gids had er wat bladeren inzitten. Als je wilt mag je daar wel van. Het geeft je een lekker gevoel, geen honger meer en .....'
`Of ik dat niet weet, waarom denk je dat ik af en toe zo sterk ben? Nee, nu even niet, ik heb een gezonde geest nodig en ik wil niet overmoedig worden want dat kunnen we niet gebruiken. Ik ontraad je dus ten strengste het gebruik van dat middel.'

De groep was nog maar net uit de grot toen de zon achter de heuvel, begroeid met doornstruiken en enkele eucalyptusbomen, vandaan kwam. Het licht van de nog rode zon verlichtte de omgeving. Het diffuse licht deed de omgeving herleven. Even was het doodstil toen de eerste stralen zonlicht de stenen en rotsblokken op de grond raakten. Na dat ogenblik floten de vogels.
`Geniet hier maar van,' zei Shjamir, `Ik weet wat de zon hier doet, zodra de koelte weg is, is het gedaan met de zingende vogels.'
`Als de natuur stil is dan zal de hulp zich wellicht ook stilhouden.' verkondigde een stem van één der dorpelingen.
`Ze komen vannacht heeft de gids gezegd. Daar kunnen we het mee doen, dus laten we ons tot die tijd verbergen in de grot.' antwoordde Davithe, `We hebben dat dominospel en kunnen ons daarmee vermaken.'
`Ze kunnen eerder komen, of we krijgen bezoek van de soldaten van Nerod. We kunnen dan beter een wachtpost uitzetten. Bij de ingang bijvoorbeeld.' opperde Shjamir die allang had gezien dat er maar twee wegen waren om bij de grot te komen, `Bij de ingang zie je ze direct aankomen en vanmiddag staat de zon achter je zodat het tegenlicht de wacht onzichtbaar maakt.'
`Briljant idee, als jij nu als eerste de boel in de gaten gaat houden.' waagde Karim.
Shjamir zei onmiddellijk dat het goed was. Hij was bereid zich als eerste in die taak te bekwamen, `Nu kunnen we nog even genieten van de zon en de ochtendkoelte.'
Davithe tikte Shjamir aan, `Haha Shjamir, ik geloof dat ik opeens heel gelovig begin te worden.'
`Nee joh, dat is gewoon het feit dat we nu afhankelijk zijn van de terugkomst van de gids. Als je absolute zekerheid
wilt, zoek je het hoger op. Maar zekerheid hebben we niet. We moeten op de gids en onze waakzaamheid en flexibiliteit vertrouwen. Pas dan zal alles goed komen. Als je gelooft in jezelf!'
`Shjamir, jij hebt dat verhaal over die vuurspuwende berg toch ook gehoord? Jij weet toch ook van de verwoesting van Jeruzalem? Je weet toch van de wonderlijke verhalen die er over Jezus Christus rondgaan?'
`Ja sterker nog bij sommige gebeurtenissen was ik zelf getuige.'
`Nou dan moet je dat toch geloven?'
`Wat geloven?'
`Dat die dingen waar zijn en dat misschien die gekruisigde leider toch onze leider is.'
`Onzin, omdat de tempel verwoest is geloof ik niet in de Messias. Ik verwacht hem, maar ik wacht niet. Ik ga naar buiten.'
Ze hadden voor een paar uur fakkels wisten ze toen ze bij de beginnende hitte de grot ingingen. Shjamir zat buiten.
`Hahaha, hij zit te zweten.' lachte Karim tegen Davithe.
`Ja, hij zal een paar kilo's verliezen. Gezond toch?!'
`Gezond is anders, maar hij kan wel wat minder meetorsen.'
'Hé Karim, hoe zit dat eigenlijk met die vakbroeders van jou? Ze zijn helemaal niet komen opdagen.'
`Nou, Davithe, dat is een lang verhaal. Ik vertel het later nog wel als Shjamir er bij is. Ik heb me vergist in m'n collega's, het volk en de Goden.'
`Ach, niet in Massimiliano en niet in de verzetsgroep. Er zijn blijkbaar nog rechtvaardige mensen.'
`Gelukkig wel ja, maar het vertrouwen in hen ben ik wel verloren.' zuchtte Karim, `weet je wat het probleem is? De mensen zijn tegenwoordig zo op zichzelf gericht, zo bezeten bezig zichzelf te verrijken. Dat is niet goed.' Karim keek even naar de anderen die bij een fakkel zaten te dobbelen en wendde zijn weer tot Davithe en fluisterde, `kijk nou naar dat dorp van hun. De ene helft viert er feest terwijl de andere helft zijn leven riskeert. Het ene dorp wordt uitgemoord en het andere dorp het er van neemt. Kijk, Davithe, er is geen solidariteit. Al die dorpjes zijn stammetjes die hun eigen oorlogen voeren. **********************************
Het was nog niet eens middag. Ze wisten dat ze nog een poos moesten wachten. Om de tijd te doden werd er een fakkel aangestoken en werden de stenen tevoorschijn gehaald. Als een paar oude mannen zaten ze daar op de koude rotsbodem te dominoën, te wachten op de dingen die komen zouden.

Davithe dacht aan zijn laatste opdracht, de Parthen uit Mesopotamië te verjagen en mede tot stand brengen van een groot Romeins Rijk.

Van 162 tot 165 voerden de Romeinen een oorlog met de Parthen, die Armenia, Cappadocia en Syria bezetten. De oorlog wordt beëindigd met de overwinning van de Romeinen bij Doura Europos (de stad S.) en de bezetting van mesopotamië.
Hij dacht aan huis, aan zijn vader en moeder, aan zijn vrienden thuis, aan Isradeo en vreemd genoeg aan het verhaal over een stad in een van de kustlanden dat Isradeo hem eens had verteld.
De stad op een eiland in de zee, dat veel handel dreef met hun regio, werd, volgens het verhaal, verwoest door het vuur uit een vuurspuwende berg. Volgens Isradeo was het de wraak van God, de vereniging van alle goede machten, op de verwoester van de Tempel van Jeruzalem. Davithe dacht er aan omdat het in de stad S. net zo aan toeging. Ook deze stad werd totaal verwoest door het vuur. Davithe had het zelf gezien. Hij kon er niet aan ontkomen en moest het geloven: het gramschap van de almachtige God bestaat echt. Hij rilde, misschien was het wel niet van de kou.