sneeuwvlokken dwarrelen
wit zonder verleden
op de grond
buiten wordt geschoten
er zijn gewonden
en er vallen doden
de sneeuw valt naar beneden
krijgt een geweten
als deken
voor de doden op de grond
1992-2010
maandag 30 augustus 2010
zondag 22 augustus 2010
Seleucia deel 2
VIII DE NACHT
Bezweet schrok Avlon wakker. Het was stil om hem heen.
Hij keek op zijn wekkerradio. Het digitale fluorescerende klokje wees drie uur in de ochtend aan. Avlon zocht op de tast de lichtschakelaar. Het licht floepte aan. Hij ging rechtop zitten en wreef zich in zijn ogen. Er rolde wat zand op zijn buik. Hij stapte uit zijn bed, liep naar de douche en dronk een glas lauw kraanwater.
Hij keek naar het gelaat dat hem in de spiegel aanstaarde. Het waren kleine ogen die hem, met een vlaag van herkenning, onder zware wenkbrauwen aankeken. Er zat nog zand in zijn ogen en terwijl hij dat uit z'n ogen wreef dacht Avlon aan hetgeen hij gedroomd had. Hij vond het vreemd zich deze droom te herinneren. Nooit onthield hij zijn dromen, waarom deze dan wel? Leunend tegen de wastafel probeerde hij de droom in denkbeeldige woorden te formuleren. Alsof hij iets dat hij kwijt was, terug probeerde te vinden. Automatisch gingen zijn gedachten naar de situatie die hij zich het laatst herrinnerde. In de droombeelden ging hij met zijn beste vriend de grens met Syrië over. Tenminste Avlon had een heel sterk gevoel dat het die grens met Israël was. Hij was al eens in Syrië en Jordanië geweest maar zou daar nu niet durven te komen. Zeker niet nu Iraq Koeweit is binnengevallen.
Avlon nam een teug uit het volgende glas water. Hij besloot weer naar bed te gaan. Daar deed hij zijn radio aan. Er klonk een oude hit van de Pretenders op de zender waar hij 's ochtends wakker mee had moeten worden. Hoewel hij verliefd was op de stem van de zangeres, zocht Avlon toch een andere zender op.
`...... Irakeeze raket.' kraakte de stem van de nieuwslezer. Avlon stelde de radio af, `Speciale eenheden zijn naar de plaats des onheils gestuurd om eerste hulp te verlenen aan mogelijke slachtoffers.' De stem haalde diep adem, `Vooralsnog is er geen sprake van een gifgasaanval, maar iedereen wordt geacht zijn ramen en deuren goed af te sluiten en bij de radio te blijven. Houdt u de gifgasmaskers bij de hand en ga in geen geval naar buiten.'
`Wat is er met die raket?' siste Avlon tegen zichzelf en de omroeper. Op de radio werd gebeden en de luisteraars werden verzocht mee te gaan in het gebed. Avlon zette de radio af en liep naar de telefoon. Hij had de hoorn in de hand en wilde het nummer van een goede vriend van hem intoetsen toen er werd aangebeld. Avlon legde de hoorn naast de telefoon en liep naar de voordeur.
Buiten stond zijn vriendin. Ze was gehaast en vroeg of ze kon bellen.
`Er is een raket op Tel Aviv terecht gekomen in de wijk van m'n ouders. Ik moet ze spreken!' riep ze met gehaaste maar toch kalme stem.
`Oh? ja! Verdomd, dat is niet best.' merkte Avlon droog op. Hij was met stomheid geslagen en was even stil, `Jij gaat bellen en ik trek wat kleren aan.' Hij liep door de gang naar de slaapkamer en zag, terwijl hij een T-shirt over zijn hoofd trok, dat z'n vriendin haar ouders aan de lijn kreeg.
`Wat heb je gehoord?' vroeg Avlon aan z'n vriendin toen ze ophing en hij de hal inliep.
`Er schijnt een Irakeeze raket in Tel Aviv te zijn neergekomen, vlakbij m'n ouders. Ik hoorde het op de radio. Toen ben ik direct naar jou gegaan om te bellen en jou te waarschuwen. Pa en ma zijn gelukkig oké.'
`Goed zo, weet je wat? Ik bel Nathan Booker op en vraag hem wat er gebeurd is. Wellicht wil hij dat ik naar de universiteit kom.' Terwijl Avlon belde ging zijn vriendin de keuken in.
`Jij wilt zeker ook wel een kop koffie?' vroeg ze.
`Eentje dan....' riep Avlon haar vanuit de hal toe.
Er werd niet opgenomen bij professor Booker en Avlon ging ook de keuken in.
`De koffie is zo klaar.' zei ze gehaast, terwijl Avlon half leunend tegen het aanrecht naast haar ging staan.
`Zat je te leren of zo, als je de radio nog aan had?'
`Nee, ik moest nog een voorwoord uittikken. Voor de scriptie, je weet wel.'
`Ja?'
`Ja, ik kan het ook niet helpen als jij de hele week in Kiriatz Mona zit.' reageerde ze licht geïrriteerd.
`Sorry hoor, ik weet dat je gespannen bent om die raketaanval bij je ouders, maar we moeten nu sterk zijn.' het nu beklemtonend.
`Sterk? Jij? Ach kom nou. Jij zit de hele tijd in atoomvrije kelders of hebt die tenminste in je buurt. Nee, ik kan me beter dienstbaar maken en naar m'n ouders gaan. Dat zijn in ieder geval mensen die sterk zijn geweest en nu misschien hulp kunnen gebruiken. Ga jij maar verder met je geheime opdracht, dan ga ik naar Tel Aviv.'
`Oh, irritation? Oké you go your own way and I go mine,' zei Avlon plagerig, `Ik ga verder met de missie en jij gaat naar je ouders. Je kunt me altijd bereiken op mijn kantoor en thuis. Wat is het nummer van je ouders?' Ze gaf het nummer wat Avlon op een memopapiertje schreef en bij de telefoon hing.
Het stel stond in de hal van het huis.
`Ik heb het gevoel dat we elkaar voorlopig niet terugzien, dus ik wens je sterkte bij je werk. Doe de groeten aan Nathan Booker en z'n vrouw. En je hebt gelijk. Ik ben geïrriteerd: het nachtwerk, die raketaanval. Maar in iedergeval is alles bij pa en ma goed!'
`Zie je wel, maar ik zal Nathan en Sonia de groeten overbrengen.' zei hij, waarna hij zijn vriendin omhelsde en zijn kin in haar hals drukte, `en ik wens je heel veel moed toe in Tel Aviv. Groet je ouders van mij en zeg dat ik van ze hou.' Hij was er nog steeds niet toe gekomen hen pa en ma te noemen. Dat had iets persoonlijk. Daar zat een bloedband tussen. `Je gaat er morgen heen als je je scriptie hebt ingeleverd?'
`Ja.'
`Die scriptie lukt wel, dat weet ik zeker,' fluisterde Avlon op een bijna vaderlijke toon in haar oor, `en ik zal je volgende week bellen of schrijven.'
`Ja goed. Ik ga nu weg en probeer nog even te slapen. Morgenochtend lever ik de scriptie in en neem de bus naar m'n ouders.' Ze opende de voordeur, stapte naar buiten en keek nog even om.
`We bellen nog wel!' riep ze vanuit de duisternis. Avlon stak z'n hand in de lucht. In het licht van de hal moest hij duidelijk te zien zijn. Hij hield zijn hand net zo lang in de lucht totdat hij zich er van vergewist had dat zij het had gezien. Daarna ging hij naar binnen. Het was fris buiten zo half januari.
Nadat hij de deur gesloten had, belde hij eerst professor Booker. Er werd opmerkelijk snel opgenomen.
`Ha jongen, ik heb nog gedacht die belt nog wel,' en met een onderbreking vervolgde hij, `... alleen niet midden in de nacht.'
`Je weet toch wel van die aanval op Tel Aviv, Nathan?'
`Jawel ik weet het, alleen ik weet niet wat wij daar mee moeten.'
`Je begrijpt toch wel dat dit om maatregelen vraagt.'
`Jawel, dat begrijp ik, maar niet direct van ons land, niet van ons leger en zeker niet van mijn faculteit. Nu wij slachtoffer zijn van de Irakezen moeten we dat ook gebruiken. De hele wereld ziet nu dat Iraq de agressor is. Als wij iets doen zal er nooit vrede komen, de kans op vrede ligt dan nog verder buiten bereik. We moeten deze situatie optimaal benutten.'
`Goed, ik begrijp dat ik weer het bed kan opzoeken? Zullen we dan over zes uur afspreken op de faculteit?'
`Afgesproken, tot straks.'
Avlon liet de hoorn uit z'n hand op de haak glijden en terwijl hij dacht aan zijn plotselinge gedachte Nathan Booker te bellen moest hij tegelijkertijd glimlachen om de altijd klaarstaande Nathan. Het was toch Nathan die aan zijn ziekenhuisbed stond toen hij bijkwam van elf weken in een schemergebied tussen leven en dood te zijn geweest. Het is toch die dekselse, good old Nathan Booker geweest die hem heeft bijgestaan om zijn weg terug te vinden in de maatschappij. Hij liep in gedachten verzonken door de gang naar zijn slaapkamer. Universele vrede dacht hij, universele vrede, gewoon door niets te doen. Mahatmar Gandhi zou het nauwelijks beter kunnen.
In de rest van de nacht van vrijdag 18 op zaterdag 19 januari 1991 sliep Avlon niet echt goed. Hij hoorde de kraan druppelen, de koelkast aan- en weer afslaan en de wind door de takken van de bomen waaien. Daarbij kwam nog dat het zand in z'n bed z'n voeten deed jeuken. De lakens moesten nodig een keer verschoond worden dacht Avlon. Door een lichte spanning kon hij niet in slaap komen.
De Amerikanen waren het eergister aangekondigde luchtoffensief tegen Iraq begonnen. Na al die maanden hard trainen was de situatie zover geëscaleerd dat ze in actie zouden komen. Dat kon haast niet anders. Avlon probeerde alleen nog even te slapen om 's morgens fit te zijn.
IX DE OCHTEND I
Toen om acht uur z'n wekker afging luisterde hij eerst naar de radio alvorens zich te douchen. De raket was niet ontploft maar er waren wel enkele zwaargewonden gevallen en het had grote schade aangericht aan een paar huizen.
Na zich gedoucht te hebben liep hij naar de keuken en zette wat theewater op. Tijdens het transport van de fluitketel in zijn hand naar het fornuis kwam hij de radio tegen. Met een druk van zijn wijsvinger op de aan-knop kwam er muziek uit de drie boxen die hij op strategische plaatsen in de keuken had gemonteerd. Vervolgens trok hij de koelkast open. Hij had nog wat kalfsvlees van de vorige avond. Hij zette het op het aanrecht. Terwijl het theewater kookte, pakte Avlon een glas, haalde de fluitketel van het vuur en goot het kokende water erin. Uit een kastje boven het aanrecht haalde hij een theezakje en liet haar in het water zakken. Hij pakte wat brood uit een trommel en sneed het vlees in plakjes wat hij op zijn brood deed. Daarna ging hij achter de eettafel zitten. De Stem van de Vrede kraakte, maar de niet gecensureerde muziek compenseerde dat. De Jerusalem Post van de vorige dag lag nog op tafel. Avlon sloeg hem open om nog eens te lezen wat Shamir zei van de dreigementen van Iraq aan het Israëlische adres.
Terwijl hij een slok hete thee nam moest hij lachen om een spotprent in de krant. Saddam Hoessein achter het stuur van een vrachtauto geladen met raketten die een geopende brug nadert. Onder de prent stond het onderschrift `Kom op Saddam geef toch gas (en rij jezelf te pletter).'
Avlon was nu toch redelijk ontspannen hoewel hij slecht geslapen had en wist dat hij een moeilijke dag tegemoet ging. Om negen uur ging hij naar de universiteit om met Nathan Booker nog even wat door te nemen. Daarna had hij een afspraak met de leiding en staf van zijn legereenheid. Avlon had het gevoel dat het wel eens lang kon gaan duren. Maar zo'n gevoel had hij wel vaker sinds zijn ziekenhuisopname. Een gevoel dat hij het antwoord al weet. Het gevoel dat hij het eerder heeft meegemaakt. Avlon sloeg er allang geen acht meer op.
De afspraak met de legerleiding was wellicht het belangrijkste wat die dag te gebeuren stond. Na zijn studie aan de universiteit heeft hij een opleiding van drie maanden gekregen bij een eenheid die zijn chemische kennis kon gebruiken. Het doel was bij de geringste provocatie van de vijand in te grijpen in hun militaire mobiliteit door aanslagen op grondgebied van de vijand te plegen.
Aangezien hij nog zijn dienstplicht moest vervullen, werd direct na het uitreiken van de certificaten contact met hem opgenomen over de mogelijkheid van een speciale opleiding binnen het leger. Vanwege zijn perfecte beheersing van het Arabisch werd hij in een speciale eenheid geplaatst. Van te voren is hij grondig gescreend en is zijn handel en wandel geanalyseerd. Hij bleek een voorbeeldig Israëliër te zijn.
Aanvankelijk had hij zijn bedenkingen, maar zijn door zijn nieuwsgierigheid en trots ging hij toch op het voorstel in. Voordat hij het wist had hij getekend. Hij wist van de mogelijkheden bij het bedrijfsleven en in Tel Aviv kon hij meewerken aan een onderzoek van chemische analisten. Maar in augustus 1990 was hij begonnen met de drie maanden durende opleiding in Kiriatz Mona. Toen hij begon, was Iraq Koeweit binnengevallen. Hij was daardoor extra gemotiveerd om zijn dienst goed te vervullen. Het was hem nog eens duidelijk geworden dat de dreiging vlak achter de horizon zit.
Avlon dacht aan de afspraak met de generaal; Tijdens die ontmoeting zal de opdracht bekend worden gemaakt en worden verteld hoe het moet worden aangepakt. Het zal een soort briefing zijn. Vanaf dat moment zullen de contactpersonen geactiveerd worden. Het zal een soort D-day zijn. Tenslotte zullen de namen van zijn teamgenoten met wie hij de operatie moet uitvoeren bekend worden gemaakt. Hij wist wel wie het kunnen zijn, hij had zo'n vermoeden. Om zo weinig mogelijk te laten uitlekken wist hij niks tot de eigenlijke briefing om elf uur 's morgens.
Deze briefing betekent dat de hele organisatie zal gaan draaien. Avlon weet wat er verwacht wordt van de groep waar hij deel van uitmaakt.
Avlon deed het portier van zijn auto open en stapte in. Hij draaide de sleutel in het contact om en startte de motor van zijn Alfa Romeo. Binnen een kwartier was hij op de gewenste plaats: de universiteit van Jerusalem aan de Balfour Road.
Onderweg passeerde hij verschillende taxi's en Avlon dacht nog dat hij misschien beter de taxi had kunnen nemen zoals altijd. Op het universiteitscomplex aangekomen parkeerde hij z'n auto en liep naar het gedeelte waar Nathan Booker was gehuisvest. Het was een dorp op zich met een eigen campus, synagoge, sportcentrum en winkels. Avlon kon niet aan de idee wennen zich aan te passen aan de universiteit. Daarom woonde hij niet op de campus.
Het was vijf voor negen toen hij op de parkeerplaats een bekende tegenkwam. Avlon groette maar hij kreeg geen antwoord terug. Zeker slecht geslapen, of in gedachte bij de tentamens van volgende week, stelde Avlon.
Hij klopte aan op de deur van professor Bookers tweede huis. Zijn secretaresse liet hem binnen en zei dat hij werd verwacht. Hij had nauwelijks tijd om haar een goedemorgen te wensen en knikte vluchtig. Maar misschien was dat in deze tijd ook niet helemaal op zijn plaats. Avlon ging de kamer van Booker binnen. Deze zat achter zijn bureau aantekeningen te maken, zoals hij meestal placht te doen op zijn vrije zaterdag.
Hij keek op, `Ha Avlon, fijn dat je er bent!'
`Dag Nathan.' en na een korte begroeting vroeg Booker of Avlon nog goed geslapen had na zijn schijnbaar paniekerige reactie.
`Nee,' antwoordde Avlon, `heel slecht. Trouwens het kan geen paniek worden genoemd, ook geen onrust. Het is veel meer een gezonde spanning, anticiperen op de dingen die gaan komen. Kijk dat project, wat vandaag geïnitieerd wordt, heeft mijn volle aandacht. Nu Tel Aviv vannacht beschoten is, is mijn aandacht nog meer verscherpt. Ik dacht nog, voordat ik je vannacht belde, dat we de aanval niet over ons heen moeten laten komen. Dit moet vergolden worden!' Avlon liep naar het bureau. `Verder gaat vanmiddag m'n vriendin naar haar ouders en is er een briefing. Daarbij komt nog dat ik vannacht voor die aanval vreemd gedroomd heb en ik kan me die droom nog goed herinneren. Dat overkomt me nooit.' Hij ging zitten in een rode fauteuil voor het gladde bruine mahoniehouten bureau, `Alsof ik in m'n droom voor uit denk, alsof m'n toekomst al vast ligt.'
`Tja, dat is vreemd, maar dan moet je niet overdrijven,' onderbrak Nathan hem, `probeer die droom eens kort te beschrijven.'
Avlon vertelde over de missie van de reis, de destructie van een stad, de vogels die leken op aasgieren, de grot en het abrupte einde van de droom.
`Wie waren de mensen die je vergezelden?' vroeg Nathan Booker opeens.
`Dat weet ik niet. Ik weet zelfs niet of die droom over mezelf ging en als het zo was, wie ik dan zou zijn.'
`Nee, een heel merkwaardige droom. Alsof het je wil waarschuwen. Ik heb al een beetje inside informatie uit overleg met de generaal. Fanatiek mannetje trouwens.'
`Ja, ja, maar wat is het dan?'
`De streek waar jij gedropt wordt, ligt bij een stad met een oud gangenstelsel tot 50 meter onder de zeespiegel. Er bestaat een redelijk vermoeden, het is praktisch zeker dat Iraq daar scud-raketten heeft opgeslagen, samen met chemisch wapentuig.'
`Dromen zijn bedrog,' probeerde Avlon, `het zal wel niet zo lopen. Het speelde zich aan het begin van de jaartelling af. Pompeï was al bijna vergeten. De toestand toen is niet te vergelijken met nu. Nee, het heeft veel eerder te maken met mijn worsteling met mijn verleden. Er is zoveel gebeurt dat ik het in mijn droom projecteer op het verre verleden. Het heeft te maken met het gevoel opgesloten te zitten; Die grot, dat is klassiek.'
`Neem die droom niet al te letterlijk, ga hem niet proberen filosofisch te verklaren,' reageerde Nathan Booker beheerst, `maar vergeet hem ook niet want er is teveel wat op waarheid berust: een grot onder een stad en een ondergrondse rivier. Een stad die verwoest wordt. Er zijn daar ruim na de Iraaks-Iraanse-oorlog archeologen geweest die er veel hebben opgegraven en blootgelegd. Waarschijnlijk moet een groot deel van de oosterse geschiedenis worden herschreven en dat kan jij niet weten want het is nog niet officieel bekend.'
Avlon was even stil en zijn gedachten dwaalden af op de vroege ochtend. Nathan Booker had hij altijd op zijn woord geloofd. Maar hij had niet gedacht dat die man een waarheid in dromen zag. Hij vroeg zich vaak af wat de waarheid is. Bestond die wel? Zij kon niet gezocht worden bij de mensen want die hebben allemaal een eigen, partiële waarheid. Zij zijn allemaal een onderdeel, een afgeleide van de echte waarheid. Misschien dat mensen daarom Goden of een God hebben, een intermediair tussen hun en de waarheid.
Avlon liet de droom in zijn gedachte nog eens voorbij flitsen. De dood stond heel dicht bij, maar het kwam niet bij hem op dat zijn God zijn toekomst had verteld.
`Nathan,' sprak Avlon met een geïrriteerde stem alsof hij z'n testament opmaakte, `ik zal je zeggen wat ik wens. Ik hoop dat de generaties na mij zonder achterdocht naast elkaar kunnen leven. Wat tot nu toe niet is gelukt zal eens mogelijk moeten zijn. Onze regering en ons leger moet dan niet zo dom zijn om met fysiek geweld tegen Palestijnen op te treden zoals vorige maand op de Tempelberg.'
De professor kreeg pretoogjes en zei op een vaderlijke toon dat dat ook het te bereiken doel van de huidige generaties moet zijn.
`Het doel van jouw en mij en zij.' zei professor Booker langzaam, `De Palestijnen moeten natuurlijk ook echt willen. Om maar niet te spreken van de Arabieren. De onderlinge verdeeldheid is zo groot dat er moeilijk afspraken zijn te maken.'
Die man denkt in cirkels, dacht Avlon, hij is er al te lang bij. Hij is van een duif in een havik veranderd. `In zekere zin heb je gelijk Nathan, maar ik vind dat wij verder moeten gaan. We moeten het proberen. Give peace a chance. Laten we concessies doen aan de Palestijnen! Laten we land afstaan.'
`Jij luistert zeker naar de verderfelijke zender van die peacenik daar op de Middellandse Zee?'
`Ach nee Nathan Booker, daar gaat het niet om. Verdomme, gun de Palestijnen een autonome en onafhankelijke, zelfstandige staat. Niet om een gebaar van goede wil te maken, nee, als een start van een echte vrede in de regio. Om het feit dat het om mensen gaat, met dezelfde behoeften als wij. Een Palestijnse staat, naast een Israëlische is een middel om dat te bereiken om de behoeften te vervullen.'
`Dan krijg je een soort thuisland-effect!'
`Niet als het een soort begin is, met diplomatieke betrekkingen, opname in de Internationale Gemeenschap. Dan ontstaat er een sociale controle van dat land. Wederzijdse betrekkingen en afhankelijkheid als basis voor vertrouwen.'
`Dan moeten ze een basis voor hun economie hebben. Ze moeten handel kunnen drijven met anderen. Zee- en luchtverbindingen moeten er komen.'
Avlon overpeinsde de situatie verder `Gaza, ... de Gaza strook is een goed begin. Met een goede organisatie kun je daar olijven, druiven, grape-fruits, noem maar op, telen. Lekker arbeidsintensief -het houdt de mensen van de straat Nathan, weet je nog wel- en het zorgt voor inkomsten, een cash flow. Know how hebben de Palestijnen wel, dus als dat eenmaal goed gaat, groeien ze. Misschien is dat hetgeen waar we bang voor zijn, de potentiële concurrentie.'
`Is dat voldoende?'
`Het is het begin; De Gaza-strook en een stad op de westelijke oever, daar zou Yasser Arafat en de overgrote meerderheid van het Palestijnse volk zich wel in kunnen vinden denk ik.'
`Ja,ja, je droomt maar wat. Die man is uit op de totale vernietiging van de staat Israël!'
`Nee Nathan, dat is pertinent niet waar. Dat is nou juist het gevaar voor Israël. Wij isoleren ons in een oceanische trog door steeds maar weer ons verleden aan te halen. Het het lijkt wel of we proberen ons door Jule Vernes middelpunt heen te graven om ergens aan de andere kant van de aarde boven de grond te komen. Dan hebben we dit land zeker verlaten. We kunnen ook proberen om op een normale wijze uit de zorgen te komen. Door uit dit dieptepunt te klimmen en de Palestijnen de handen te schudden. Daarna kunnen we gezamenlijk naar het wateroppervlak zwemmen om een nieuwe toekomst op te bouwen.
Ik droom misschien, maar laten we daarover over vijf jaar weer praten. Kijk voor mij is het eenvoudig Nathan, ik weet mijn toekomst, ik heb haar gezien, maar het gaat mij om jullie, om de mensen.'
De professor zei niets. Avlon droomt echt dacht hij. Hij leeft niet nu maar in het verleden en in de toekomst. Hij heeft interessante gedachten in een eigen wereld, maar het is een gek die hem gelooft.
Maar Avlon was nog niet uitgepraat, `Ik ben niet in het leger gegaan om interessante mensen te ontmoeten en ze vervolgens te vermoorden. Ik wil dat juist voorkomen. Daarom ga ik naar Iraq om te voorkomen dat een enkele gek de toekomst van de komende generaties bepaalt. Hitler heeft ook de relatie tussen mensen voor lange tijd kapot gemaakt. Ik heb wel eens mensen horen zeggen dat de oorlog echt voorbij is als zij dood zijn. Zo gaat dat ook als Saddam zijn wapens gebruikt. Als mijn kinderen dan dood zijn is deze oorlog pas voorbij. Daarom gaan wij zorgen dat deze oorlog zich niet verder escaleert. Israël mag er niet bij betrokken raken. Dat is mijn wens en ik hoop dat deze in vervulling gaat.'
`Wat anders Avlon. ..... praat jij de laatste tijd nog wel eens met anderen over jouw idealen, over wat je graag zou zien.'
`Jawel, met m'n vriendin en wat bekenden op de opleiding.'
`Is dat alles?'
`Ja, ik dacht het wel. De laatste tijd heb ik geen mens gesproken. Ik kan de kronkelige weg naar de opleiding nu wel zo ongeveer dromen. En daar denk je alleen aan je theorie en spreek je over de praktijk. Je bent zo gefixeerd op dat ene doel wat eigenlijk heel vaag is. Het probleem is dat ik daar met niemand over mag praten. De rest ontgaat je.'
`Voor de duidelijkheid, niemand weet van het project af?'
`Nee niemand, dat klopt.' Om duidelijk over te komen zei Avlon op een relativerende en vertrouwelijke toon tegen Nathan, `Na dit project stap ik er uit. Ik wil ook wel een man van de wereld worden. De dingen doen waar ik echt zin in heb. Zien, voelen, ruiken, proeven, de dingen doen die mij interesseren!'
`Begrijpelijk, begrijpelijk.'
`Natuurlijk, jij begrijpt alles, toch?' een beetje geprikkeld vervolgde Avlon, `Verder nog vragen? Ik wil nog bij een paar mensen langs die ik hier ken en lange tijd niet heb gesproken.'
`Ja, ik zal je eruit laten. Succes met de operatie,' zei de professor, `maar wees voorzichtig met die irritatie Avlon. Teveel is niet goed voor de concentratie.'
Avlon stond op en liep naar de deur. `Je hebt gelijk, maar vertel toch eens de volledige waarheid over die elf weken. Ze houden mij bezig.'
De zon scheen door het enige grote raam van de kamer. Via een glas in de vensterbank verlichtte een zonnestraal de deurklink die Avlon omlaag wilde duwen.
`Recht op je doel af, Avlon!' riep Nathan Booker hem toe, niet ingaand op de vraag die Avlon hem stelde.
Avlon stond even stil toen hij de deur achter zich gesloten had. Hij dacht aan de droom, aan wat hij verwachtte van de operatie, wat hij zojuist had gezegd tegen Booker en aan de woorden recht-op-je-doel-af. Ja je moet wel ontzettend onnozel zijn om dit vak uit te oefenen, relativeerde hij. Booker, de theoreticus, de eendimensionale man, heeft makkelijk praten, flitste door z'n hoofd. Avlon groette de secretaresse plichtmatig voor de tweede keer en liep langs haar bureau naar de deur die uitkwam op de gang van het verlaten universiteitsgebouw.
X DE VOORBEREIDING
Verkenners hebben, enkele weken voordat Saddam Hoessein Israël bedreigde, een geheime opdracht uitgevoerd. Enkele mannen en vrouwen zijn geïnfiltreerd op Irakees grondgebied. Ze hebben daar de infrastructuur in Iraq bespioneerd en contacten met het verzet gelegd. Met deze infiltratie is een fundament gelegd voor operatie Getsémanee.
Na een zwerftocht door Iraq zijn de verkenners tenslotte door het Koerdische verzet veilig over de grens gebracht. Een bergketen die de natuurlijke grens met Turkije vormt. Dit was in augustus 1990.
In de nacht van vrijdag 18 op zaterdag 19 januari 1991, de sabbat was reeds ingegaan, wordt Tel Aviv beschoten. De ministerraad is die nacht onmiddellijk bijeengekomen en heeft besloten, nu Iraq Israël met raketten heeft bestookt, de informatie en het netwerk dat de spionnen hebben opgebouwd, moet worden gebruikt.
Voor deze sabotage-acties is de groep van Avlon geselecteerd. Het plan was dat de operatie in de week van 20 tot en met 26 januari van start zou gaan. Zaterdag 19 januari komt de groep, waarin Avlon, voor het eerst bijeen.
XI DE OCHTEND II
Op de universiteit waren niet veel mensen aanwezig. De zaterdagochtend was er debet aan, evenals de tentamens die in de nieuwe week zouden worden gegeven. De meeste studenten lagen nog in bed. De docenten waren thuis in hun huis op de universiteitsterrein en maakten zich vast gereed om naar de synagoge te gaan. Hij liep nog even buiten rond op het universiteitsterrein dat in de zomer een prachtige botanische tuin bezit. Toen besloot hij zijn auto op te zoeken en naar de briefing te gaan. Op het uurwerk in de wagen zag hij dat het al laat was.
Hij was al een aantal malen op het geheime adres geweest en wist daardoor de snelste weg. Op tijd kwam hij aan bij het onopvallende gebouw. Het was een gewoon vrijstaand woonhuis in een welgestelde buurt. Hij belde aan. Een vrouw opende de deur. Ze leidde hem naar de kamer van de generaal. Ze klopte, wachtte even en opende de deur. Daarna introduceerde ze Avlon. Geheel onnodig vond Avlon.
Hij zag daar een paar mensen in een zithoek zitten, links van de deur, achterin de kamer. Avlon groette de mensen en schudde hen beleefd de hand. De paar die hij kende, noemde hij bij hun voornaam. Avlon ging naast twee mensen, die hij niet kende, op een sofa zitten. Toen nam de generaal het woord.
`Goed, iedereen is aanwezig. Luister, jullie weten zo ongeveer waarom jullie hier zijn. Dit is de start van `operatie Getsémanee'. U krijgt allen zo dadelijk instructies in de instructiezaal. Dat u elkaar niet allemaal kent is een voorzorg. Ik zal verder niets zeggen. Laten we allen naar de instructiezaal gaan waar u meer van de aldaar aanwezige officieren zult horen.'
De generaal was inmiddels opgestaan en naar de deur gelopen.
`Volgt u mij.' zei de ervaren militair.
Avlon merkte dat de sfeer vrij gespannen was. Niemand zei wat. Het enige dat de groep deed was de oude man volgen.
Achter elkaar liepen ze de gang door. Nu is het ernst besefte ook Avlon.
Nu zal de informatie loskomen en zullen we weten wat er ons te doen staat. Dadelijk zal ik m'n opmerking maken, dacht Avlon.
Het enige dat hij wist, was dat hij zijn opdracht alleen moest uitvoeren. Hij maakte natuurlijk deel uit van een grotere operatie, dat besefte hij ook wel, maar als er iets mis ging dan kon hij alleen op zichzelf vertrouwen. Desalniettemin had hij toch het gevoel dat hij al die tijd in een vacuüm had geleefd, dat hij tijdens zijn opleiding luchtdicht verpakt is geweest. Afgesloten van de realiteit. Zelfs de groepsleden waren enigszins vreemden voor elkaar. Ze kenden elkaar niet of nauwelijks. Avlon wilde op het geschikte moment voorstellen een korte kennismaking te organiseren
Ze gingen de instructiezaal binnen. Het leek wel een bioscoop, maar het rook er naar bloemen. Het was een reusachtige zaal voor de zes personen die naar binnen gingen. Er stond een tiental stoelen, allemaal gericht op een projectiescherm. Voor dat scherm stond een katheder. Er liepen een paar mannen en vrouwen in uniform. Het waren officieren van het Israëlische leger zag Avlon. Alsof ze deze bioscoop net hadden ingericht voor de briefing.
`Goed, u kunt plaatsnemen in een van de stoelen.' Zelf ging de generaal achter het spreekgestoelte staan, `Ik zal u vertellen wat er verder gaat gebeuren, wat er op de agenda staat.'
Inleidend vertelde hij wat er aan de orde zou komen. De generaal zei wat het precieze doel van de onderneming was: één doel was het voorkomen dat de Irakezen de scud-raketten kunnen laden met het zeer giftige mosterdgas een ander doel was het vernietigen van essentiële infrastructuur. Hij noemde wat details van de hele operatie. Hij vertelde dat de coördinatie geschiedt via de centrale op de Golan hoogvlakte. Daarna kregen ze allemaal een aantal enveloppen uitgereikt. Er stond een registratiecode op. Avlon kreeg zijn code. De generaal gaf het woord aan een van de officieren. Deze schakelde de overheadprojector aan en liet een sheet zien. Het was een overzicht van het gebied waar ze zouden worden gedropt .
Het bleek dat de groep onderverdeeld was in drie afzonderlijke eenheden waarvan alleen Avlon in zijn eentje moest opereren. De groep wist niks van elkaars opdracht. Wie welke opdracht zou vervullen was onbekend.
Er werd verteld wat er moest gebeuren en welke taken zouden worden uitgevoerd; Er zou een raketinstallatie zijn op een strategisch belangrijk punt. Deze installatie moet onschadelijk worden gemaakt. Er zijn bepaalde bruggen die moeten worden opgeblazen en in een gangenstelsel onder een stad moeten vijandelijke vernietigingswapens worden gesaboteerd. Alles stond aangegeven op de sheet. Van de kaart was af te lezen dat het gaat om een gebied van ongeveer honderd kilometer in omtrek.
Officieren brachten kaki-kleurige rugzakken in de zaal. Deze werden uitgereikt. Dat is het basispakket dat voor iedereen gelijk is, wist Avlon.
`Dit basispakket bevat genoeg voedsel voor de hele operatie die, zoals gezegd, niet meer dan drie dagen in beslag zal nemen. Verder heeft iedereen zendapparatuur waarmee alleen via het centrale coördinatiecentrum kan worden gecommuniceerd.
Volg de instructies op die in de enveloppen staan en gebruik je gezonde verstand en intuïtie als iets niet strookt met de kennis uit de opleiding. Ik heb alle vertrouwen in jullie dat het zal lukken, maar laat God jullie de kracht geven dat het zal lukken.' zei de generaal terwijl hij van het spreekgestoelte naar zoom van het toneeldoek liep.
Avlon stak zijn hand in de lucht. De generaal noemde zijn naam en vroeg wat hij te zeggen had.
`Meneer de generaal, het klink misschien vreemd. Deze briefing haalt mij eigenlijk uit een roes. De roes van het kennis opdoen, het oefenen en het gefixeerd zijn op iets wat tot vandaag onbekend is. Kortom het haalt heel wat bij mensen overhoop. De normale sociale contacten zijn er niet meer bij. Ik merkte toen ik binnenkwam dat er volslagen onbekende mensen bij zitten. De gang naar dit instructiezaaltje was heel gespannen en gedwongen. We staan voor een operatie die van levensbelang is voor Israël, zo niet voor de hele wereldorde en iedereen is gespannen en heeft strak getrokken gezichten. De operatie gaat in de komende week van start en daarom stel ik voor dat we elkaar eerst wat beter leren kennen voordat we beginnen. Het is, naar ik aanneem, beter voor ons individueel, voor de gezamenlijke missie en zelfs voor het hele wereldvrede.'
Alsof de generaal niet over zijn te volgen strategie had nagedacht krabde hij zich met een potlood achter zijn oor. Hij duwde met de wijsvinger zijn bril recht op zijn neus en zei bedenkelijk, `Hmm, ik begrijp je gevoelens ten opzichte van de operatie. Dat kan de onervarenheid zijn. Wees gerust, de kennis hebben jullie allemaal. Jullie zijn voldoende getraind. Maar deze operatie berust niet alleen op techniek, ook op communicatie en wederzijds vertrouwen. Ik ben blij dat het eruit is gekomen voordat jullie vertrekken anders zou er een probleem kunnen zijn gerezen.'
De generaal zette de overheadprojector weer aan en haalde demonstratief een sheet uit een map en legde deze op de glasplaat van de projector, `Natuurlijk heb ik aan de intermenselijke sociale contacten gedacht. Sommigen werken samen met mensen die ze niet kennen, dat kan niet. Daarom heb ik een dag gereserveerd voor de kennismaking onderling. Vanavond hebben we een maaltijd en een gezellige bijeenkomst. Jullie worden morgenochtend hier terug verwacht. Tenslotte wil ik nog opmerken dat jullie bij die tafel,' en hij wees naar de lange tafel met stoelen er om heen, `de enveloppes kunnen inzien. De enveloppes moeten bij mijn secretaresse worden afgeven als jullie naar buiten gaan. Tot vanavond, mijne dames en heren.'
De briefing was voorbij maar de sfeer was nog steeds gespannen. Om de tijd te doden en de spanning te doen afnemen stelde Andrea voor te gaan zwemmen in het overdekte universiteitszwembad. Om een paar baantjes te trekken en wat te praten. Dat vond de groep een goed idee, dus togen ze in een grote stationcar naar het zwembad.
Bij het zwembad aangekomen deed de chef van het zwembad even moeilijk over de toegang. Avlon, Andrea en Nathaniël kende hij wel maar de andere drie waren onbekenden voor hem.
`Ze kunnen niet zomaar naar binnen.' zei de chef op vertrouwelijke toon tegen Avlon.
`Tjonge, wat ben jij veranderd Berri,' zei Avlon hardop, `nog niet zo lang geleden had jij toch het recht te bepalen wie er zonder pas naar binnen kwam?'
`Jawel,.. maar de regels zijn veranderd.' De chef was even stil en dacht na, `Goed, voor jullie maak ik een uitzondering.'
`Zo Berri, waarom dan? Toch iets goed te maken?' vroeg Avlon gekscherend.
`Nee nee, het is eerder een kwestie van goede gebruiken hè.'
Ze liepen naar de kleedruimtes. Vrouwen rechts, mannen links stond er op een bord aangegeven. Llivia en Andrea sloegen rechtsaf.
`Andrea, waar heb jij je badpak zo snel vandaan gehaald?' vroeg Llivia.
`Och, ik heb er altijd een in m'n auto. Ik zwem elke dag wel een uurtje.'
`Weet je dan waar je hier aan een kunt komen?'
`Je hebt er geen? Ga dan maar naar Berri, hij heeft altijd wel enkele in voorraad. Verliezen is heel menselijk.'
Andrea had zich verkleed en liep naar het zwembad. Daar zag ze Petor als eerste.
`Hé, wie als eerste in het water ligt.' riep Petor naar Andrea en hij sprong in het water. Met een krijs kwam hij boven water, `Oh, gatver..' krijste hij, `wat is dit water koud!'
`Ben je gelijk afgekoeld. Uh, hoe heet je ook alweer?'
Verontwaardigd kwam Petor uit het basin en ving de handdoek die Andrea uit de kast had gehaald.
`Een beetje dom om in water te springen dat je niet kent.' De anderen kwamen er ook aan, `Ik heb iemand gekend die dat ook deed. Hij dook in een ondiepe plas. Hij heeft nu een dwarslaesie. Zonde van zo'n jonge vent. Maar ja, onnadenkend of onvoorzichtig, 't is maar hoe je het wil noemen.'
`Waar heb je het over?' vroeg Moses.
`Wie het eerst in het water is!'
Moses liep naar de rand van het bad en voelde de nattigheid, `Van mij mag je, maar voor mij wordt het een langzame koude gewenning.'
`Ja, ik denk dat dit bad niet helemaal het bad is om even lekker te zwemmen.' zei Nathaniël toen hij ook de temperatuur van het water controleerde.
`Klopt, het zwembad is aan de andere kant van dit bad. Dit basin is er voor als je uit de sauna komt.' bevestigde Avlon, `Hé, waar is Llivia?'
`Ze is een badpak bij Berri aan het uitzoeken. Ze heeft er geen bij zich.'
`Hà, voor haar grootte is er geen badpak voorradig!' zei Petor die de handdoek om zich heen had geslagen.
`Flauw hoor.' zei Andrea. Het was even stil.
Moses doorbrak de stilte, `Jij bent al nat Petor, al gezwommen? Koud hè?'
`Nou Moses zorg jij maar dat jij een vetlaag krijgt anders heb je teveel moeite om je hoofd boven water te houden!'
`Niet brutaal worden Petor. Drijfvermogen heb jij niet nodig met al dat zaagsel in je kop!'
`Hé, rustig jullie .., wij willen hier geen gedonder. Dat kunnen we helemaal niet gebruiken,' Avlon liep in de richting van het zwembad, `Volgende week zullen we onze vriendschap nodig hebben. Nu wil ik weten...'
Andrea onderbrak hem, `Ik haal Llivia op!'
`... waar jullie elkaar van kennen.' vervolgde Avlon.
`Ik vertel het je een andere keer nog wel, nu niet. Er is te veel gebeurd in het verleden.' en op een wat gedrukte toon vertelde Moses dat zijn vriendin hem verteld heeft wat er tussen haar en Petor is gebeurd, `Petor is nu jaloers, zeker weten. Hij heeft haar verloren.' zei hij daarna quasi triomfantelijk.
`Ik heb niks verloren, Moses, dat weet je best!' riep Petor Moses toe. Dreigend liep Petor op Moses af, `Pas op jochie, je weet niet wat er precies is gebeurd. Je gelooft maar wat. De waarheid komt nooit onder jouw ogen. Denk dat maar niet.' riep hij tegen Moses.
Ondertussen kwam Andrea met Llivia terug, `Hè jongens moet dat nou, die meningsverschillen. Ik dacht dat we hier lekker konden gaan zwemmen voor het eten.'
`Naïeveling ...' vond Petor in hozéé-stemming.
`Oké, wie het eerst in het water is!' riep Nathaniël anderen toe. Maar ditmaal sprong Andrea met een sierlijke duik als eerste in het water.
Nathaniël was verbaasd, `Waar heeft zij zo leren duiken? Ongelofelijk!'
Direct nadat hij dat zei sprong Llivia op een minder elegante wijze in het water, `Kom op joh, lekker temperatuurtje.' riep ze vanuit het zwembad.
Nathaniël liep op de duikplanken af, `Rendez vous, hier is alles gaan rollen.' zei hij tegen zichzelf. Toen hij nog op de universiteit studeerde was hij vaak te vinden in dit zwembad. Die jongen heeft talent zei men. Hij dook van de vijf meter plank in het water.
Nathaniël is na de Tweede Wereldoorlog geboren in Bayonne, aan de Atlantische Oceaan en de voet van de Pyreneeën in het Zuidwesten van Frankrijk. Zijn vader was daar bankier. Later is het gezin geëmigreerd naar Israël. Zodoende heeft hij een dubbele nationaliteit. Door die dubbele nationaliteit kon hij deelnemen onder de Franse vlag aan de universiade in Moskou. Daarom was hij veel uren in dit zwembad te vinden om te trainen voor de vijftig en honderd meter rug- en vlinderslag. Zijn deelname was de dekmantel voor heel andere activiteiten, maar hij mocht natuurlijk niet afgaan op de afstanden. Dat was zijn eer te na. Daarom trainde hij. Per slot van rekening had hij de mogelijkheden. In Moskou had hij de opdracht om gegevens over raketten, die onder andere door de Sovjet Unie aan Iraq waren geleverd van enkele spionnen over te nemen en op microfilm mee te smokkelen naar Frankrijk. Vanuit Frankrijk zou het dan worden overgebracht naar Israël. Omdat hij derhalve al bij de zaak van de scud-raketten was betrokken en gedetailleerde gegevens over de betrokken raket wist, werd Nathaniël als de aangewezen persoon beschouwd om zich ook in dit geval met de rakettenkwestie bezig te houden.
Moses zwom ook al. Hij was er bij het trappetje ingegaan juist toen Llivia er aan kwam lopen. Moses was geen zwemmer. Water vermijdt hij als het even kan. Dit keer was het niet te vermijden. Hij had geen zwembroek bij zich en hij wist niet dat je in nood er een bij de gevonden zwembroeken kon halen maar gelukkig had hij een goed zittende boxershort aan. Daar kon hij wel in zwemmen.
Moses hield niet van water. Hij had er nare herinneringen aan.
Als kind is hij door Petor in de Jordaan gegooid, tenminste zo herinnert hij het zich. Kort daarop kreeg hij geelzucht.
Op school is zijn Talmud die hij van zijn vader had gekregen, beschadigd door jongens in zijn klas die met een glas water zaten te spelen. De Talmud was per ongeluk nat geworden en het inkt van de pagina's die hij bestudeerde zijn gaan vlekken. Zijn vader was woedend toen hij het vertelde.
Hij was elf jaar en had de Talmud voor het eerst mee naar school. Het was een afgang.
Niet lang daarna verdronken zijn ouders nadat ze door een ongeluk in de auto in het water belandden. Moses werd bij familie in New York ondergebracht. Daar vonden zijn familieleden dat hij moest leren zwemmen. Hij is met tegenzin naar de lessen gegaan maar heeft het zwemmen onder de knie gekregen. Daarna is hij nooit meer gaan zwemmen. Hij haat water!
Hij weet natuurlijk wel dat de Moses uit het Oude Testament het Joodse volk door de drooggevallen Rode Zee naar Palestina leidde. Maar hij vindt niet dat juist hij daar aandacht aan zou moeten besteden.
Moses vindt het heden belangrijk. Daarom heeft hij de religieuze opvattingen van zijn ouders verlaten, mede op aandringen van zijn New Yorkse familieleden. Hij is na de college naar de universiteit van New York gegaan. Daar studeerde hij Natuurkunde en heeft hij het echte New Yorkse uitgaansleven leren kennen evenals het rechtse gebral. Dat beviel hem niet. De studie maakte hij niet af en hij vertrok naar Jerusalem. Daar studeerde Moses verder aan de universiteit. Hij woonde eerst teruggetrokken in zijn oude wijk, de Mea She'ariem, maar al snel voelde hij zich er niet meer thuis. Hij is de gewoontes van de Haradiem niet meer gewend. Moses is tegen het afwijzen van het zionisme op religieuze overwegingen en volgens hem is ten slotte iedere jood in Israël een zionist of hij wil of niet. Daarom vindt hij dat iedere volwassen Joodse man in het leger moet dienen om zijn land te beschermen. Zelf heeft hij het verwijt gekregen dat hij laat in het leger is gegaan. In 1987 ging Moses, na 2 jaar extra studie toch voor 3 jaar in dienst. In 1989 bleek dat een generaal hem had gerecruteerd voor een speciale elite-eenheid. Niet om zijn fysieke souplesse, maar wel om zijn technische kennis. Moses kon zijn selectie natuurlijk afslaan maar hij was teveel een nationalist om voor de eer te bedanken. Maar door de fanatische generaal is hij zo overtuigd van zijn krachten en het doel van de speciale eenheid dat hij heeft getekend. Voor hem heeft meegespeeld dat hij dan uit de bezette gebieden kon blijven waar hij iedere dag weer veel leed zag. Vooral sinds de intifada was het raak. Kinderen van 10 of 12 jaar die met stenen gooiden, werden opgepakt, geslagen, geschopt kortom mishandeld. Dit was geen zionisme voor hem. Dit was legitieme terreur en daar zouden de Palestijnen een keer onder vandaan komen. Moses vergeleek het Palestijnse en Joodse volk met communicerende vaten. Alleen door kunstgrepen kon het water aan de ene kant op een ander niveau blijven. De waterspiegel zal bij gelijke druk op hetzelfde peil staan. Het wapengekletter en het Israelische politionele optreden verhoogden de druk alleen maar. Geen wonder dat de stenen, de moorden en de Palestijnse milities dan een compensatie zijn. Als communicerende vaten zo zou je het leven kunnen zien. Intermenselijke relaties zijn toch gebaseerd op dat concept? Cognitieve consistentie en dissonantie-theorieën zijn toch gebaseerd op die eenvoudige stelling om te zorgen voor een positieve attitude. Een fout was dat er niet werd gepraat tussen het Israelische en Palestijnse volk. Officieel contact was zelf verboden. Moses vroeg zich af wat hij dan deed in een groep met een aantal conflicterende elementen. Hij was daar een van, Petor en de generaal de anderen en misschien was de balans bij de andere positieve elementen ook wel negatief. Dit kan nooit wat worden, dacht Moses bij zichzelf terwijl hij zich van het trappetje afzette.
Petor hield een bal voor zich in het water.
`Hé Moses!' riep hij en gooide de bal naar Moses, `vangen!'
Moses watertrappelde, hij was afwezig en in gedachten verzonken. De bal plonste vlak voor hem in het water. Er werd geschreeuwd naar Moses om de bal te gooien. Tegen wil en dank werd hij betrokken in een spel waterpolo. Petor, Moses en Llivia en Avlon tegen de rest. Nathaniël en Andrea zwommen als de besten maar tegen de numerieke overmacht waren ze niet opgewassen.
Na het spel gingen ze naar de kant. Ze waren moe, uitgespeeld. Andrea vroeg aan Berri of de bar open kon. Volgens Berri was dat niet zo verstandig. In verband met de tentamens de ruimte was niet verwarmd en het zou toch maar een rommeltje worden volgens hem. Het zwembad was alleen geopend. Hij zei nog dat ze geluk hadden met hem.
`Ja Berri, bedankt.' zei Avlon.
Ze verkleedden zich en vertrokken met de stationwagen naar het huis waar ze zouden gaan eten. De sfeer raakte meer ontspannen.
In de auto was het Andrea die vroeg, `Zeg, dat meningsverschil, wat doen jullie eraan?'. Ze richtte haar blik op Petor en Moses.
`Ach, Andrea, ik moet er mee leven. Petor geeft toch z'n fouten niet toe.'
`Haha, ik moet er mee leven, wat dacht je van ons. Wij zijn afhankelijk van jullie.' weersprak Avlon.
`Juist Avlon. Zij moeten het uitpraten.' viel Nathaniël hem bij.
`Goed,' zei Petor, `Ik praat wel met hem. Maar dan zal er ook alles uitkomen.' Het was stil gedurende de verdere rit naar de buitenwijk van Jerusalem.
XII EEN VERSTEEND VERLEDEN
De zes waren inmiddels bij het huis gearriveerd toen het donker werd. De secretaresse opende de deur. Het rook naar fruit in de villa; Fruit en gestoofd vlees volgens Nathaniël. Ze liepen achter de vrouw aan die de deur had geopend.
De hal was groot maar de trap in de hal was opvallend. Het was een wenteltrap recht naar boven. Terwijl de vrouw de trap opliep zei ze dat het ongebruikelijk was om de keuken en eetkamer boven te hebben, `het is de excentrieke smaak van de generaal.'
`Wat is ongebruikelijk? Het is vreemd als je je wast in de keuken als je een badkamer hebt en slaapt in de badkuip met een bed in een ander vertrek. Dan ben je pas op weg naar de absolute waanzin,' zei Avlon, `Ik moet toegeven dat in mijn leven ook een periode is geweest dat ik me in de keuken waste. Dus boven eten is niet zo gek en je kunt altijd van het uitzicht over de straat genieten. Het laat een nieuw licht schijnen op de gewone dingen.'
`Oh, ik had je wel aangezien als iemand die in de badkuip slaapt, die ronding in de rug geeft het al aan.' merkte Petor op. Avlon keek Petor diep in diens katte-ogen.
`Nou ja, Nathaniël over het eten gesproken, het ruikt in iedergeval beter dan bij m'n moeder, maar die kan helaas niet koken.' grapte Llivia.
`Oh .., vandaar dat je nooit groter bent geworden,' merkte Petor op. Hij verontschuldigde zich direct. `Sorry hoor, een rot opmerking, maar ik ken iemand die bij haar ouders haast niks eet, ze eet het tekort wel ergens anders.'
`Oh, je hoeft je niet te verontschuldigen hoor, bij jouw ontbreekt wel eens aan takt en dat hoeft niet eens aan de ouders te liggen. Dat ik wat kleiner ben is niet zo'n nadeel dat heeft de praktijk wel bewezen.'
`Goed,' zei Petor, `Ik zal met Moses een gesprek hebben over onze relatie, met jouw goedvinden natuurlijk Moses. Wat die takt betreft; Ik ben gewoon iemand die zegt wat op z'n tong ligt. Ik zal misschien vaker moeten nadenken wat ik zeg. Wat jouw betreft Llivia, ik twijfel niet aan jouw kunnen. Ik ken je reputatie als bergbeklimster. Ik wil geen onderscheid maken tussen jouw en de rest, ik wil niet discrimineren, zo moet je dat niet opvatten. Ik dacht direct aan mijn kennis die nooit een hap door de keel kan krijgen bij haar ouders.'
`Je hoeft je niet te verdedigen hoor en als je dat doet doe het dan goed. Zoek niet van die excuses, die ook nog kwetsend kunnen zijn.'
`Hoezo?'
`Stel dat ik geen ouders zou hebben gehad!'
`Oh, daar heb ik niet aan gedacht.'
`Nee, tuurlijk niet, zie je wel dat je niet nadenkt over wat je zegt.'
`Ja, nu je het zegt.'
De anderen moesten lachen. Petor beet op zijn lip. Hij had het gevoel alsof zijn hoofd vuurrood werd.
`Nou goed,' zei Petor toen zijn gezicht weer de normale kleur en temperatuur aannam, `Ik ben benieuwd wat we eten. Ik hoop dat het een beetje voedzaam is want Moses en ik hebben veel energie nodig om onze meningsverschillen bij te leggen. Wat jij Moses?'
`Wat voor voer krijgen we eigenlijk?' vroeg Petor die een geweldige honger scheen te hebben, ongeduldig.
`Kan je maag zich niet bedwingen,' vroeg de secretaresse toen ze boven aan de trap stond te wachten op Llivia die als laatste de treden beklom.
`Net zo als zijn mond.' zei Llivia die net boven kwam.
`Het voer zoals jij dat noemt bestaat uit ongepelde rijst, paprika's, tomaten, casave, druiven en kalfsvlees. Verder moet je zelf maar proeven.'
De secretaresse liep over de overloop, `Hij heeft dit huis zelf gebouwd na de Yom-Kippoer oorlog. In die dagen heeft hij veel betekend voor Israël. Niemand weet dat. Waar Ariel Sharon was, was hij ook.' Ze deed de deur van de eetkamer open, `Voor alles wordt gezorgd. De wijn staat klaar. De generaal zal zo wel komen. Hij is nog in de keuken.'
De generaal liet niet lang op zich wachten. Hij kwam binnen met twee schotels in zijn hand. Als een geoefend kelner zette hij de schotels op tafel, `Nog even geduld, dit is nog niet alles.'
Toen de generaal weer met een schaal binnenkwam vroeg Nathaniël meteen waar hij aan dacht, `Wat vindt u van deze oorlog? Zijn er overeenkomsten met de zesdaagse of de Yom Kippoer oorlog en deze crisis?'
De generaal moest hard lachen, `Dit is een piece of cake.' zei hij.
Moses stoorde zich aan dat gelach. Hij maakte de opmerking dat de twee schotels symbolisch de Graal kon zijn waaruit Jezus zijn laatste avondmaal genuttigd zou hebben.
`In ieder geval wordt het bloed niet opgevangen in deze schaal.' schamperde Avlon.
`Het is niet bepaald een feestmaal.' zei Llivia cynisch en ze nam een hap van de ragoût die ze juist had opgeschept om direct te zeggen dat ze zich had vergist, `Maar het is lekker.' zei ze tegen de generaal die ook was komen aanzitten.
`Ach, men moet bij mij altijd eerst proeven.' zei hij.
`Heeft u zelf gekookt?' vroeg Nathaniël quasi onwetend.
`Ja, ik doe alles zelf. Koken heb ik in m'n diensttijd geleerd van een of andere legerkok die het zich gemakkelijk wilde maken. Je heb er weinig van nodig, het is snel en eenvoudig klaar te maken en de groenten en fruit groeien overal wel ergens.'
`Vertelt u eens over de Yom Kippoer oorlog in 1973.' vroeg Avlon.
`Daar is weinig over te zeggen. Ik was net ....' Op dat moment ging de telefoon. Deze werd opgenomen door de secretaresse die nog laat op de avond wat zat te schrijven. Ze nam de telefoon aan en schakelde meteen door naar de eetzaal, de beller onder de wacht houdend. De generaal pakte de hoorn van de haak toen de telefoon overging.
`Het is voor u, de minister van defensie wil u spreken.'
`Ah, Yitzhak, zei hij ook waarover?'
`Nee, alleen dat het dringend is.'
`Goed, schakel hem dan maar door.'
`Ja met Levi Amir, wat is het probleem minister?'
`Sjalom Levi, we hebben samen een probleem. De ministerraad is bijeen geweest en wil onmiddellijk actie. De operatie moet morgen van start gaan.'
`Ik begrijp het. Het komt voor elkaar minister. Uw reputatie is er bij gedient' De generaal legde de hoorn op de haak en richtte zich tot zijn tafelgenoten. Op zijn gezicht stond een gespannen ernst.
`De operatie gaat een dag eerder van start. Morgenochtend wordt het echt menens. Jullie staan vanaf vanavond onder mijn bevel. Dat houdt in dat jullie de nacht hier doorbrengen. De bedden staan al klaar. Maar goed laten we ons te goed doen aan het eten.'
Zwijgend aten ze hun borden leeg. Petor schepte als enige nog een keer op.
`Straks ga ik een robbertje met jou vechten. Dat jij niet dooreet Moses snap ik niet. Hahaha.'
`Zoveel is er niet te zeggen, Petor.' zei Moses.
`Oh, ik dacht dat jij wel een hele preek had. Ik kan me natuurlijk vergissen. In dat geval heb ik er wel een.'
`Eet jij je voer nou maar op.' zei Moses geïrriteerd zonder hem aan te kijken, `en denk er aan het kan je laatste zijn.'
`Zeg moet dat nou, zo'n opmerking?' vroeg Llivia, `Begrip en vertrouwen is wel iets wat we nodig hebben, niet dat softe gezeur van jullie, poeh.' Ze nam een hap. `Bah!'
Andrea, Avlon, Nathaniël en de generaal moesten glimlachen.
Opeens schaterde Petor het uit. De anderen lachten mee, incluis Llivia.
Na het eten waren Moses en Petor naar een vertrek op de begane grond vertrokken. De overigen bleven boven. De tafel werd afgeruimd en de borden, het bestek, schalen en glazen werden op het aanrecht gezet.
`Voor de afwas heb ik natuurlijk gezorgd, dat wordt wel gedaan door mijn personeel,' zei de generaal, `Je moet je werkzaamheden zo regelen dat je de dingen die je leuk vindt zelf kunt doen en de minder leuke dingen aan anderen kunt overlaten. Hahahaha.'
`Het is wel te horen wie hier de touwtjes in handen heeft.' merkte Llivia op.
`Ho, ho, ho, ho.'
`Je kunt het ook zien: na gedane arbeid is het goed rusten, Llivia.' viel Nathaniël de generaal bij, `Hij betekent al heel lang iets voor Israël. Onze generaal is een levende legende, mag je dan de dingen doen waar je zin in hebt, wat jij Avlon?'
`Ja, sorry hoor waar maken jullie je druk over.'
`Ja, precies waar maken jullie je druk over, na de missie is alles anders.' zei de generaal, `Kom, ik zal jullie de living laten zien.'
Terwijl ze de eetkamer uitliepen dacht Avlon aan de woorden na-de-missie-is-alles-anders. Wat bedoelde hij daarmee?
De living was een groot museum. Achter glas stonden opgezette dieren en fossielen uitgestald. De generaal vertelde er iets over maar Avlons ogen dwaalden af. Hij zag een ingelijste foto op een bloementafel staan. De foto viel niet op tussen de bloemen. In een oogwenk zag hij die foto. Avlon meende de personen op de foto te herkennen. Even voelde hij zich als versteend, zoals de fossielen achter het glas zich zouden moeten voelen.
Ondertussen vertelde de generaal dat hij de fossielen uit de Rode Zee heeft gehaald. `Kijk deze maakte de hele expeditie goed, dat bleek jaren later, maar goed. Een zekere Gould, een Amerikaanse professor wilde dit fossiel onderzoeken omdat het een belangrijke schakel vormde in een theorie van hem over bepaalde vormen van leven miljarden jaren geleden.'
`Sinaï zegt u, maar we zijn toch niet bij de Rode Zee geweest?' vroeg Nathaniël verbaasd.
`In de oorlog mag alles, als we vertellen wat we in de oorlog deden gelooft niemand ons. Maar er is wel veel meer gebeurd dan nu bekend is, dat verzeker ik je.'
Avlon ging op een bank zitten. Hij was die foto alweer vergeten. De anderen kwamen ook op de bank zitten. Het was even stil in de kamer. Avlon verbrak die stilte door de schoonheid van enkele schilderijen tot onderwerp van gesprek te verklaren. `Dat is een Rembrandt van Rijn!' merkte hij op.
`Nee joh, dat is een Matisse.' antwoordde Nathaniël, `Dat daar is wel een Rembrandt.' en hij richtte zich tot de generaal, `een reproduktie zeker?'
De generaal haastte te erkennen dat de meeste schilderijen reprodukties waren, `Maar,' zei hij, 'ze zijn allemaal echt geschilderd, fabrieksmatig, computergestuurd. Daarom lijken ze ook zo echt.' Hij liep naar een schilderij, `Kijk deze is echt, een Gainsborough uit het einde van de achttiende eeuw. Hij is beveiligd want het is een duur exemplaar.' Ze keken er naar. Op het doek stond een voorstelling van drie mannen die op een stoffige weg liepen. Blijkens het schilderij in de ochtend want er zat dauw op de bladeren van de planten die langs het pad groeiden, de zon kwam net op en de vogels zag je fluiten.
`Ik ga hem binnenkort verkopen want de smaak van de kunstliefhebbers veranderd.' zei de generaal zonder enige aanleiding.
Er kwam koffie en het werd zowaar gezellig. Ze praatten over de Westerse politiek en de verwachtingen van de verhoudingen na de golfcrisis. Het viel Avlon op dat de generaal oogkleppen voor had door alleen naar de militaire verhoudingen te kijken. Hij hamerde voortdurend op de gevaarlijke positie die Iraq als tot de tanden bewapende grootmacht in het Midden Oosten inneemt. Het enige voordeel is volgens hem het feit dat de leider van dat leger geen militair strateeg is, maar iemand met een beperkte militaire visie. Toen de generaal werd aangesproken op zijn eenzijdige militaire visie werd de sfeer drukker en veranderde het onderwerp van gesprek.
Petor en Moses waren niet het onderwerp van gesprek geweest toen de kamerdeur openging. Een gemaskerde man met een Uzi naar voren gericht sprong de kamer in. De generaal keek de man verbaasd en hulpeloos aan. Een andere man trad de kamer binnen op teken van de eerste.
`Down, down!' schreeuwde de tweede man en hij liep rechtstreeks naar generaal, `Where are the plans!' gebiedde hij met een Arabisch accent.
Toen iedereen op de grond lag met hun handen in de nek waagde Nathaniël de naam van Moses te roepen. Deze moest luid lachen. Hij stond voor een zichtbaar angstige generaal. Llivia riep de naam van Petor. Hij lachte ook luid. De twee mannen deden de bivakmuts van hun hoofd.
Avlon zag dat de generaal, liggend op de grond, een beetje rood aangelopen was, misschien woede.
`Goed gedaan, verbluffend goed gedaan, de vijand zal verbaasd zijn met zo'n zooitje achter hun linies, ongelofelijk.' zei de generaal terwijl hij ook overeind kwam, `Je ziet maar weer dat je altijd op je hoede moet zijn.'
`Zo te zien is alles tussen jullie beide gesettled, maar hoe moet nu tussen ons beide goed komen Moses? Na zo'n grap.' vroeg Llivia bijna retorisch.
`Sorry, maar dit is onze grap, om de beëindiging van de vete tussen ons beiden te vieren.'
`Wat ben jij egocentrisch zeg, ongelofelijk, net zoals de generaal zegt. Kun jij je nou niet even in een ander verplaatsen?'
`Ja hoor..., de eerste echtelijke klucht en ze zijn nog niet eens getrouwd.' meende Avlon die een wrang gevoel had, niet wetende waarom. Hij liet zijn ogen afdwalen naar de bloementafel en zag de foto maar hij durfde deze niet met aandacht te bekijken. Hij dacht plotseling aan de elf weken dat hij in het militaire hospitaal was. Hem was verteld dat hij een behoorlijke klap heeft gehad. Het had hem bijna zijn leven gekost. Wat er gebeurd was, werd hem niet verteld. Avlon moest het maar accepteren. Alles werd hem opnieuw verteld.
Moses keek Llivia recht in de ogen, `De ruzie is bijgelegd en de spanning is voorbij. Laten we opnieuw beginnen Llivia, vergeet alsjeblieft onze inval. Het is een begin van een nieuw begin. De vete tussen Petor en mij berustte op een misverstand. We beginnen opnieuw na de missie.' en Moses richtte zich tot de generaal, `Soms helpen woorden niet meer en dan moet je actie ondernemen. Maar vaak berust iets alleen op een misverstand en dan grijp je toch niet direct naar de wapens?'
De generaal gaf geen antwoord.
Het was alweer laat en Avlon wilde, net als de rest het bed opzoeken.
`Vraag aan mijn secretaresse waar de slaapkamers zijn!'
Verbaasd vroeg Nathaniël waarom ze nog werkte.
`Nee, ze werkt niet meer maar ruimt de keuken op.' antwoordde de generaal.
`Oh, dat zijn de mensen die uw voeten kussen?'
`Precies, jij hebt het door.'
Even later in de hal herhaalde Petor wat de generaal toegaf, `Jij hebt het door dat ze zijn maîtresse is.'
Avlon bemoeide zich er niet mee. Hij dacht aan de operatie, hij dacht aan de foto. Avlon meende vluchtig zijn verdwenen vrienden te herkennen. Hij vertelde niks tegen de anderen want Avlon vermoedde niks. Zelfs zijn fractionele seconde van verstening was hem niet echt opgevallen. Hij ging net als de anderen naar bed en wenste de overige groepsleden een goede nacht nadat het licht uitging.
In het donker overdacht hij de afgelopen vierentwintig uur. Kortstondig dacht hij aan zijn vriendin en haar ouders. Direct daarna dacht hij aan zijn opdracht: het saboteren van scud-raketten. Om Israël te redden moest het plan slagen. Bij die gedachte had hij een scherp beeld van de foto. Toen overmande de slaap hem.
XIII THUIS I
Hij werd schreeuwend wakker. Hij voelde een afschuwelijke pijn door z'n opgeblazen lichaam. Om zich heen zag hij alleen maar wit, een wazig maar verschrikkelijk wit plafond. Maar hij wist niet waar hij zich bevond. Hij herinnerde zich niets. Wat deed hij hier? Hij kon zich niet bewegen. Waarom kon hij zich niet bewegen?
Opeens hoorde hij een stem. Vaag zag hij een gezicht dat hem naderde. Hoorde het bij die stem?
Het was of zijn ogen traanden, alsof hij door een beslagen ruit keek. Alsof hij in dichte mist door de Golan-heuvels naar huis reed. Het gezicht was nu vlakbij maar toch heel vaag. Hij voelde de adem die in zijn gezicht blies. De adem rook naar koffie.
`Hallo Pim, ik ben dokter Verbeek,' zei het gezicht, `Je ligt in het ziekenhuis. Het AMC. Je hebt vanmorgen met je auto een zwaar ongeval op de Utrechtsestraatweg gehad. Alles komt gelukkig weer in orde. Je moet nu geduld hebben en rusten.'
Hij probeerde te praten maar er kwam geen geluid uit zijn mond.
`Pim, over een week praat jij weer. Je komt er helemaal weer bovenop.'
Hij begreep er niks van. Hoe komt die man er bij dat hij Pim heet, zijn naam is Avlon. AMC zegt hem niets. Alleen de taal komt hem bekend voor. Hij dacht na hoe het kan dat hij in een vreemd ziekenhuis ligt. Hij dacht aan de dag van gisteren. Hij was in een zwembad samen met een paar anderen. Vervolgens ging hij ergens met die groep eten. Wat er daarna gebeurd is, herinnerde hij zich niet meer.
Er kwamen mensen binnen in witte jassen.
`Goedemorgen meneer Paercellus, u bent nieuw hier. Ik zal u vertellen dat wij u elke morgen aan het infuus leggen. Tenminste zolang dat nodig is. Volgende week kunt u er van af zijn. Zo gaat dat in ziekenhuizen.'
`Paercellus?,' schoot het door hem heen, `infuus? Wat is hier aan de hand?'
Er boog een ander over hem heen. Deze rook naar pepermunt, `U ligt op de intensive care.' sprak de stem duidelijk. Hij was te moe om dat te beseffen en viel in slaap.
Er schoot een sterke elektrische lading door hem heen. Hij veerde mentaal op. Opeens beseft hij het weer. Hij ligt in een ziekenhuis terwijl hij in Iraq had moeten zijn. Binnen zijn beperkte gezichtsveld zag hij niemand. Hij wilde om hulp roepen maar dat lukte niet. Hij dacht aan zijn opleiding: Morse-signalen. Hij knipperde SOS met zijn ogen,
`... --- ...'
De verpleegkundige die hem via een monitor in de gaten hield zag die tekens. Zij vond het vreemd. Begreep het niet en boog zich weer over haar leesvoer. Opeens had ze een AHA-Erlebnis en ze interpreteerde het juist: SOS.
Ze waarschuwde het hoofd van de afdeling die er de behandelend arts bijhaalde.
Dokter Verbeek kwam samen met het afdelingshoofd naar de afdeling.
`Zeg heb jij nog iets gehoord van familieleden van deze jongen?' vroeg het hoofd van de intensive care in de gang. De behandelend arts beantwoordde die vraag ontkennend.
In de kamer met bewakingsapparatuur zien ze de patiënt liggen. `Dag Pim, jij praat met je ogen?'
`-----'
`Je ontvangt mij? Goed, ik begrijp morse.'
`.. ... .-. .- . .-..'
`Israël?'
`.- -- -..'
`Amb?'
`Israëlische ambassade?' vroeg Verbeek verheugd, `die moet gebeld worden?'.
`-----'
`Zeg, Willem-Pieter, wil jij de Israëlische ambassade bellen met het verhaal dat hier iemand ligt die hen wil waarschuwen.' zei Verbeek gebiedend.
`Ik ga de familie waarschuwen.' merkte Verbeek op.
`Pim alles komt goed, wij doen er alles aan om je te begrijpen.' Maar hij was al in slaap gevallen. De dokter keek op de monitor. Alles leek normaal, de hartslag, de bloeddruk, het zuurstofgehalte van het bloed, etc.
Het was acht uur 's morgens. Verbeek besloot het telefoonnummer, dat uit de portefeuille van de patiënt was gevist, te bellen. Er was niemand aanwezig. Het kan natuurlijk dat hij alleen woont, dacht Verbeek. Hij belde PTT-inlichtingen en vroeg naar de telefoonnummers van Paercellussen in de woonplaats van de jongen. Daar moet familie bij zitten, dacht hij, dat moet toch doenbaar zijn.
Ptt-Telecom deed even moeilijk vond Verbeek. Ze wilden geen telefoonnummers op alleen achternaam geven. Er moet een voorletter of adres bij zitten. Het heeft te maken met de privacy, kreeg Verbeek te horen. Verbeek vroeg of die privacy ook geldt als het gaat om het inlichten van de ouders van een zwaargewonde.
`Eigenlijk wel.' was het koele antwoord. De telefoniste zei dat als Verbeek ze toch alle negen wilde hebben, een telefoonboek echt de beste oplossing was. Maar na lang aandringen van Verbeek werd toch een uitzondering gemaakt.
Het vierde telefoontje was raak.
`Is Pim gevonden? Hoe bestaat het, we dachten dat hij dood was. Hij is alweer 10 jaar geleden verdwenen. Hij was 23 jaar toen hij verdween, op een wereldreis, hij was nog maar in het Midden Oosten. Daar zou hij een poosje werken. Hij bestudeerde de Arabische talen ziet u.'
`Hmm, meneer Paercellus, deze jongen is niet ouder dan 25 jaar. Het kan een misverstand zijn. Komt u daarom alstublieft naar het AMC zodat er zekerheid over bestaat. Of het uw Pim is al dan niet.'
`Ja ja, ik kom direct.'
Het afdelingshoofd had getelefoneerd met de Israëlische ambassade. Er was geen melding binnengekomen van vermissing, maar er kon niet met zekerheid worden gezegd of er inderdaad niemand wordt vermist. Opgaven van vermissing komen altijd wat later binnen.
`We moeten de politie er bij halen en zeggen dat er iets aan de hand is. De Pim Paercellus is 10 jaar geleden als vermist opgegeven in Israël.' zei Verbeek
`Israël?' vroeg het afdelingshoofd verbaasd.
`Ja, begrijpen doe ik het ook niet. Dit is iets voor de politie.'
Er werd door de intercom geroepen of dokter Verbeek naar zijn kamer wilde gaan. Hij dacht dat de heer Paercellus er nu wel zou zijn. Het was inmiddels een half uur geleden dat hij de hoorn op de haak legde. Hij liep naar zijn kamer terug. Voor zijn deur waren twee banken neergezet. In de ochtenduren zijn die twee altijd bezet vanaf tien uur. Nu zat er één man. Hij zat er een beetje zenuwachtig bij. Alsof hij jeuk had.
Verbeek liep op hem af, `U bent de heer Paercellus?' vroeg hij zijn hand uitstekend. De man knikte en schudde de uitgestoken hand, `Aangenaam. Verbeek is de naam. Ik begrijp dat het niet makkelijk is om na 10 jaar met het eventuele bestaan van uw zoon te worden geconfronteerd. Dat is emotioneel. Maar begrijp me goed, het is mogelijk dat het uw zoon niet is.'
`Ik begin er net aan te wennen dat hij er niet meer is. Dat alles is veranderd sinds zijn verdwijning. Maar dat hij dood is dat geloof ik niet. Hij moet het zijn. U zei toch dat het telefoonnummer in zijn portefeuille zat. Nou, dat was inderdaad zijn nummer.'
Ze liepen naar de kamer waar de patiënt lag. Hij sliep.
De heer Paercellus liep naar het bed. Hij keek de jongen aan.
Het drong tot hem door dat hij naar zijn zoon keek. De heer Paercellus was het even te veel. Hij draaide zich om en keek in het gezicht van Verbeek. Die zag dat Paercellus' ogen traanden.
`Het is Pim,' riep Paercellus, `God hoe kan het, na 10 jaar?'
`Kom we gaan naar mijn kamer. Daar is het rustig en ook uw zoon heeft rust nodig.' Verbeek sloeg zijn arm om de schouders van de heer Paercellus en bracht hem naar zijn kamer. Op Verbeeks kamer vermande de man zich.
`Kijk' zei hij, `Ik heb nog een foto meegenomen van hem samen enkele reisgenoten die hij op de boot naar Israël ontmoette.'
`Waar is dit?' vroeg Verbeek.
`Op de boot van Cyprus naar ... God mag weten hoe die rotstad heet. Daar zijn ze verdwenen. De fotograaf is de laatste die Pim heeft gezien. Ik ben er geweest, heb hemel en aarde bewogen om iets te weten te komen, maar niks: daar loopt het spoor dood.'
Ondertussen was hij die Pim scheen te heten, meer bijgetrokken. Hij herinnerde zich het zwembad en het eten bij de generaal, het telefoontje dat de groep direct in actie moest komen. Hij herinnerde zich zelfs de namen van het team dat ze vormden: Llivia, Andrea, Moses, Nathaniël en Petor. Ook zijn eigen naam: Avlon Hij herinnerde zich de briefing in de ochtend, zijn code, operatie Getsémanee.
Hij was zich er van bewust dat hij in het land van zijn ouders was. Dat hij in Nederland was. Hij vond het ongelofelijk. In plaats van Iraq was hij in Nederland. Hoe is hij daar gekomen? Waarom noemen ze hem Pim? Wat is er allemaal gebeurd?
`Ik moet de ambassade van Israël zien te bereiken en mijn code en de naam van de operatie, Getsémanee, doorgeven.' dacht hij bij zichzelf. In zijn opleiding had hij het morse alfabet geleerd. Dat was de manier om zichzelf kenbaar te maken.
Hij knipperde met zijn ogen. Driemaal kort, driemaal lang en weer driemaal kort, maar ditmaal kwam er niemand langs. Het duurde een eeuwigheid voordat er ook maar iemand in de kamer binnenkwam.
Op een gegeven moment werd de deur geopend. Avlon hoorde het piepen. Verbeek en zijn gevolg kwam binnen.
`Pim,' zei hij, `Je vader is geweest. Hij herkende jou. We gaan je nou eten geven, je bed verschonen en je proberen rechterop te zetten. O ja, je vader zal proberen je moeder te bereiken.'
`Nu moet ik wat doen,' dacht Avlon, `Ik moet de boodschap overbrengen.' Hij knipperde weer SOS.
`.. ... .-. .- . .-..'
`Israël?'
`.- -- -..'
`Amb?'
`--- .--. . .-. .-'
`Herhaal alsjeblieft'
`--. . - ... . -- .- -. . .'
`Getsémanee'
`Operatie Getsémanee?'
Inmiddels was het afdelingshoofd er ook bijgekomen.
`Willem, de ambassade moet weer gebeld worden. Geef aan hen door dat ze het ministerie van defensie in Tel Aviv er bij moeten halen in verband met operatie Getsémanee.'
`Nou Sjees als jij dat wil, gebeurt het.' zei het afdelingshoofd en hij liep naar zijn bureau.
`Gelukkig,' dacht Avlon, `er gebeurt wat.'
De verpleegkundigen tilden hem op. Ze verwisselden het laken dat onder hem lag en legden hem weer neer. Avlon probeerde zijn armen te bewegen. Het lukte niet. Hij voelde zich verlaten en wilde zo snel mogelijk naar huis.
Tegen de middag had de heer Paercellus zijn ex-vrouw opgespoord en haar het goede nieuws verteld. Ze was opgewonden en zei dat ze onmiddellijk naar het ziekenhuis zou gaan om haar kind te zien. Ze kon het niet geloven, na 10 jaar.
Ze was inmiddels bij het ziekenhuis gearriveerd. Vier uur nadat de heer Paercellus de patiënt als zijn zoon had geïdentificeerd.
De moeder van de verloren zoon liep naar de ingang van Intensive Care. Daar vroeg ze naar het afdelingshoofd. Deze kwam onmiddellijk werd gezegd. Ze mocht wel even gaan zitten zei de secretaresse van het hoofd. Ze ging zitten. Het liefst stak ze een sigaretje op maar er mocht niet meer gerookt worden in ziekenhuizen. Het was alsof ze opsteeg in een vliegtuig. Ze slikte haar spanningen weg.
Opeens ging er een deur open en stapte er een vrij jonge man op haar af.
`Hallo, Willem Van Amerongen is de naam. U bent mevrouw Paercellus?'
`Ja, eh nee, ik ben mevrouw Laagerwal. Mijn ma.., ex-man Paercellus is hier geweest in verband met onze zoon Pim. Ik wil hem ook graag zien.'
`Dat begrijp ik, maar ik moet u er op wijzen dat hij niet kan praten. Hij is nu wel wakker. U mag er even heen. Wilt u mij volgen.'
Ze liepen door de gang naar de kamer van de patiënt. Mevrouw Laagerwal betrad de kamer na het afdelingshoofd. Verbeek was er ook bij. Hij ging na de vrouw naar binnen.
Toen de vrouw Avlon zag, keek ze hem even in de ogen en scande zijn gezicht.
Ze slaakte een kreet, `Dit is Pim niet. Hij heeft geen litteken boven zijn linkeroog.'
De twee artsen keken elkaar aan. `Weet u het zeker mevrouw?' vroeg Verbeek, `Uw man, ex-man, zegt dat hij het is.'
`Wat weet hij verdomme nou van mijn kind.' Ze keek nog eens goed. Avlon glimlachte tegen haar. `Hij heeft geen moedervlek op zijn voorhoofd. Nee, hij is mijn zoon niet, wat mijn ex tegen u heeft verteld klopt voor geen meter.'
`Bent u er zeker van? Zijn rijbewijs stond op naam van Pim Paercellus en de auto idem dito, woonplaats Amsterdam.'
`Zijn woonplaats was 10 jaar terug Huizen. Na 10 jaar krijg ik dit nog op m'n dak. Wat denkt hij wel die klootzak, mij nu nog een hak te zetten?!'
`Ja mevrouw,' probeerde Verbeek, `ik begrijp dat u er moeite mee heeft. Het roept weer allerlei emoties op.'
`Nee jullie begrijpen het niet. Anders hadden jullie ons er toch niet direct bij gehaald?!'
`Wellicht hadden wij alles via de politie kunnen spelen. Maar in ons protocol staat dat wij zo spoedig mogelijk de familieleden zullen waarschuwen als de politie dat nog niet heeft gedaan.'
`Nou fijn, bedankt. Sterkte met de patiënt.'
Door de intercom van het AMC klonk de oproep aan dokter Van Amerongen zich omiddellijk naar zijn kamer te begeven.
`Ik moet jullie even alleen laten.' zei Van Amerongen.
Zodra hij uit zicht van de kamer was, spurtte hij zich naar zijn eigen kamer die eigenlijk zo dichtbij was dat het overbodig was zich te haasten.
`Het is de ambassade.' zei de secretaresse.
`Goed, geef maar hier.' hij nam de hoorn in de hand, `Met Van Amerongen.'
`Hello mister Van Amerongen, this is the Israelian Embassy in The Hague. You got a patient who is talking about operation Getsémanee?'
`Yes, but actually, he doesn't speak, he communicates with his eyes. Morse-signs. But he mentionned Getsémanee.'
`Well, operation Getsémanee had something to do with the Gulf War last Januari. But it is a secret only a few people know.'
`Oh? I think I don't understand.'
`No, I guess you don't, mister Van Amerongen, today some people from our Embassy and I will come to your place to see the patient.'
`That's fine, please make an appointment with my secretary.'
`Eh yes, but don't tell anybody about this matter. It's for your own savety.'
Van Amerongen gaf de hoorn aan zijn secretaresse, haar opdracht gevend een afspraak te maken.
`Jezus wat is dit?' dacht hij. Hij liep naar de kamer van de patiënt. Verbeek en de vrouw waren niet meer in de kamer.
`Dus je komt uit Israël?' vroeg Van Amerongen aan de patiënt. Avlon knipperde met z'n ogen, niet begrijpend waarom het allemaal zo vaag bleef.
`Luister Pim, vanmiddag komen mensen van de jouw ambassade je opzoeken. Ze hebben wat vragen en ze zullen je dan wel zo spoedig mogelijk overbrengen naar Israël.' zei hij ditmaal in hoog-Engels.
Avlon vond het maar vreemd dat de artsen nog steeds niet naar zijn naam hebben gevraagd of de tijd hebben genomen met hem te communiceren. Het leek wel eeuwen geleden dat hij in dit ziekenhuis wakker werd en er was nog steeds niks gebeurd.
Het was een kwestie van leven en dood toen er, 10 minuten nadat Van Amerongen was geweest, complicaties voordeden bij Avlon. De hartbewaking vertoonde onregelmatige bewegingen. De verpleegkundige die nog steeds in de controlekamer zat, zag en hoorde het als eerste en sloeg direct alarm. Onmiddellijk stonden er vijf mensen om hem heen. Hij werd op de zuurstof aangesloten. Maar het was echt mis. Een bloedprop veroorzaakte een inwendige bloeding doordat nog niet hersteld weefsel werd beschadigd. Van Amerongen en Verbeek waren terstond ter plekke. Ze deelden orders uit toen de diagnose was gesteld, maar iedereen wist wel wat hem te doen stond. De patiënt moest in een stabiele toestand worden gebracht om de bloedprop te kunnen verwijderen.
Hij lag daar doodstil in zijn ziekenhuisbed. Verbeek stond over hem heen gebogen. De situatie van zijn patiënt was weer stabiel.
`We zullen je moeten opereren Pim. Die bloedprop moet worden verwijderd. Dus wees sterk en hou het nog een poosje uit.' zei hij zachtjes tegen zijn patiënt maar hij bedoelde het om zichzelf moed in te spreken. Het was alsof er een groot risico aan verbonden was, alsof Verbeek bij het graf van een levende stond.
XIV DE OPERATIE
Avlon stond op het militaire vliegveld even buiten Tel Aviv. Voor de opkomende zon stond een klein vliegtuig die het zonlicht aan zijn ogen onttrok.
Na Petor stapte hij het vliegtuig in. Sinds gisteravond had hij even geslapen. Constant had hij zijn gedachten bij de operatie. Hij zou naar een grottenstelsel in zuidoost Iraq worden gevlogen. In zijn opdracht stond beschreven wat hij kon verwachten. Het waren scuds, opgeslagen in ondergrondse silo's waarvan hij moest proberen de lading onschadelijk te maken. Er was een duidelijk leesbare plattegrond bijgevoegd. Avlon wist niet of hij er wat aan zou hebben en voor de zekerheid stak hij het in zijn broekzak.
Ze stegen op en voor ze het wisten, vlogen ze hoog boven Jordanië. Op de grond waren ze alleen met een goed geoefend oog te zien. Saoedi Arabië naderde. Een woestijn met af en toe een boorput in de steeds feller wordende zon. Boven Iraq werd de sfeer gespannen.
Hij kreeg het teken zich gereed te maken voor de sprong. Elk moment kon Avlon het sein krijgen te springen. Toen hij sprong had hij het even Spaans benauwd. Maar een ogenblik later voelde hij zich sterk. Bungelend aan zijn lichtblauwe parachute voelde hij zich als een roofvogel dat zich op zijn prooi stort. Hij landde in een kloof aangegeven op het kaartje. Na zijn parachute opgerold te hebben moest hij eerst contact maken met de centrale. Als iedereen op zijn plaats was zou er een sein van de centrale komen dat de operatie kon beginnen. Daarom had Avlon nog even de tijd om zich te oriënteren op de omgeving.
Het was er dor, maar in de vallei stroomde wel een riviertje. Deze zorgde voor een vochtige lucht en voor leven beneden in het dal. Er groeiden daar een aantal struiken, wat gras en distels. Hij zag dat het stroompje uit één van de heuvels te voorschijn kwam maar besteedde er geen aandacht aan. Hij zou door het water moeten waden om de ingang van de grot die op de situatieschets stond, te bereiken.
Hij had zijn valscherm opgerold en weggestopt onder een paar uitstekende rotsblokken. Hij had zichzelf, met de zender en zijn rugzak, verborgen aan de rand van de kloof.
Hij wachtte op het signaal uit Israël. Het duurde daarna niet lang of het geluid klonk. Avlon deed zijn rugzak op en liep naar het stroompje. Hij doorwaadde het water en zag de grotingang die ook op de kaart stond. Alles was nog eenvoudig verlopen tot dan toe.
In de grot zou hij na een poosje mensen van het binnenlandse verzet ontmoeten. Zij zouden hem leiden naar de plaats waar de raketten zijn opgeslagen. Avlon betrad de grot. Een paar meter in de grot deed hij zijn zaklamp aan. Vleermuizen hingen aan de wanden. Avlon zag dat de grot zich vernauwde en dat hij alleen door een spleet kon. Toen hij zich door die spleet gewrongen had, hoorde hij water kabbelen.
`Dat zal de ondergrondse stroom zijn.' dacht Avlon.
Hij liep voorzichtig verder. Het werd allengs gladder. De vochtigheid nam toe. Een paar keer gleed Avlon uit ondanks de rubberen zolen met zuignapjes.
Hij had geen oog voor de kalkformaties die hem vergezelden en toekeken hoe hij voortstrompelde over het gladde kronkelige pad. Niet dat de stalagtieten en stalagmieten onzichtbaar waren, dat niet. Hij was gewoon geen speleoloog. Hij had een missie. Avlon had een zware passage achter de rug en stond voor de grotrivier. Het was een woeste rivier, met draaikolken en stroomversnellingen. Plotseling hoorde hij stemmen van mensen boven het lawaai van de rivier uit. Hij verschool zich direct in een donkere spelonk. Natuurlijk dacht Avlon aan het verzet. Zij zouden hem hier ergens opwachten, `Maar dan gaan ze toch niet zo'n lawaai maken?' dacht hij.
Avlon sprak zijn talen goed, waaronder Arabisch, maar dit kon hij niet verstaan. Het was te ver weg. Hij wachtte tot het geluid dichterbij zou komen. Dat deed het niet. Daarom kroop Avlon uit de spelonk en sloop richting het geluid, zijn rugzak en zender achterlatend. Hij kon dichterbij komen en hoorde de mannen duidelijker.
`Hij komt toch niet. We zijn verraden door die Israeli's.' hoorde Avlon.
`Dit is het verzet,' dacht hij, `Ze zitten te wachten.' Hij kroop terug naar zijn zender. Met de zender moet dat verzet op de hoogte worden gebracht. Zij zullen dan één man sturen die het wachtwoord weet. Als dit een valstrik is dan is er tijd genoeg om te ontkomen en de centrale in te lichten.
Avlon zond het bericht uit. korte pieptonen die samen een woord vormden. Het bereik van die impulsen was maximaal 500 meter. Hij hoorde gejuich. Weliswaar gedempt maar duidelijk genoeg. Minuten later kwam er inderdaad een gedaante aanlopen. Toen het op gelijke hoogte aan de andere kant van de ondergrondse rivier was, riep Avlon, `Sjalom!'
Het gestalte hield zijn pas in, richtte zijn blik naar de overzijde en haalde diep adem.
`het initiatief is aan ons.' riep een man.
`Goed zo,' dacht Avlon, `het woord is er uit.'
Avlon kwam te voorschijn, `Sjalom.' riep hij naar de verzetsstrijder die hem wenkte mee te komen.
Avlon liep mee met de strijder. Bij zijn groep gekomen wees de man naar Avlon. Een grote man met een zware zwarte baard stond op en riep over de stroom heen dat Avlon hem moest volgen.
`Alles gaat volgens de procedure,' dacht Avlon, `dadelijk komen we bij een touwbrug.' Inderdaad: twee strak gespannen touwen overspanden de rivier.
Avlon had zijn rugzak stevig op zijn heupen vastgesjord. Maar dacht toch toen hij de brug zag, dat het beter was de rugzak aan het bovenste touw vast te maken. Hij deed dat. De leider aarzelde niet, liep over het touw alsof hij het dagelijks deed en pakte de rugzak beet en sleurde het mee naar de overkant. Avlon bond de zender vast en kwam over de brug.
Daar omhelsde de leider hem. Avlon vertelde hem dat de operatie is vervroegd omdat Tel Aviv is beschoten en dat hij er is om de raketten te saboteren. De leider moest lachen. De anderen lachten met hem mee. Avlon voelde zich in een penibele situatie.
`Het is dat we een gezamenlijk doel hebben anders zijn we zeker geen vrienden.' dacht hij. In het Arabisch zei Avlon dat hij haast wilde maken met de operatie.
Er was een spottend gelach te horen. De leider keek Avlon vragend aan.
`We moeten snel onze slag slaan en weer vertrekken. Hoeveel tijd zijn we kwijt om de silo's te bereiken?' vroeg Avlon snel aan de leider om zijn opmerking te doen vergeten.
`We zijn dichtbij. Boven ons zijn nog meer grotten. Die kunnen we met ladders bereiken. Daar weer boven zijn de silo's. Ze liggen als het ware op het maaiveld. De mobiele scuds zijn zo eenvoudig uit te rijden en na de actie weer te verbergen,' de leider kuchte en mompelde cynisch, `Duitse ondernemingen hebben ze uitgehouwen.'
`Och ja, waar Duitsers al niet goed voor zijn, hè.' merkte Avlon op.
De leider grijnsde, `Bewaking is er niet op de eerste etage, wel op de daarna volgende etages,' en hij vervolgde, `Ik heb wat nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat één man het niet alleen kan. Daarom zijn wij bereid je te helpen. Wij kunnen die bewakingspost afleiden. Jij kunt dan ongestoord je werk doen.'
Avlon dacht na, `Goed dan, ik heb een of twee vrijwilligers nodig, wie van jullie is bereid mee te gaan? Het kan gevaarlijk worden dus doe het niet als je al kinderen hebt.'
`Allah zal ons behoeden en wij zullen veilig terugkeren naar ons dorp. Wij zullen vechten voor een dagelijks bestaan waarin geen honger meer wordt geleden en de kou niet wordt gevreesd. Wij gaan mee.' Twee mannen van achter in de twintig stapten naar voren, `Moge Allah ons behoeden.'
Avlon wees naar de nylon lijnen die de groep op de het uitgesleten pad had liggen, `Die moeten mee, evenals stijgbeugels, pinnen en mijn eigen rugzak.' Hij richtte zich tot de baardige man, `De radio laat ik achter. Als er wat mocht gebeuren dan moet, als het nog kan, een gecodeerde boodschap naar het hoofdstation worden verzonden. Je weet hoe het apparaat werkt. De code is driemaal Z Y X. Daarna moet de radio vernietigd worden.'
`Dat begrijp ik, maar hoe weet ik dat er problemen zijn
en bij welk probleem moet ik het bericht uitzenden?'
`Vannacht gaan wij de operatie uitvoeren. Om 22.45 uur gaan we van start. Dan schakelen we de eerste wachtposten uit. Tegen twaalven zijn we bij de silo's. Om 0.30 uur schakelen we de controle-post uit en tegen 1.40 uur moet ik de mobiele installaties gesaboteerd hebben. Daarna gaan we weer terug. De terugtocht moet snel geschieden omdat de uitgeschakelde wachten snel zullen worden opgemerkt. Tegen 2.30 uur zijn we op de huidige verdieping en dan wordt het rennen.'
`Van te voren uitgewerkt in de studeerkamer? We houden het op half drie. Dan halen we jullie op bij de rivier.' De aanvoerder wees naar twee pakketten oranje rubber en een pomp, `In rubberboten zijn we minstens twee keer zo snel en we komen stroomafwaarts precies waar we wezen moeten in de vallei van de ochtend. Daar zullen de Amerikanen een chopper heen sturen als wij in hen waarschuwen.'
`Jullie ook al?' vroeg Avlon.
`Hoezo, jullie ook al. De Amerikanen hebben ons sinds de val van de sjah gesteund. Financieel, kennis en met wapens. Mijn dochter studeert zelfs in de States. Op kosten van de CIA. Is dat nieuw voor jou?'
`Eh nee,' stotterde Avlon, `Maar ik vraag me wel af waar die Amerikanen en Britten mee bezig zijn met hun voor het oog verborgen imperialisme.'
`Tja ..., dat moet je mij niet vragen. Wij strijden voor een goede zaak. Net als jij. Ik heb wel het gevoel dat onze verstandhouding beter kan worden als het regime van Saddam kan worden gebroken en jullie de Palestijnen met rust laten. Wij zullen jullie met rust laten want zeg nou, wat hebben wij aan een stukje land aan de zee. Het is veel te dicht bij Europa. Dan krijgen we problemen met Spanje, Frankrijk, Italië, Griekenland en....' voegde hij er fijntjes aan toe, `misschien ook wel onze oude vrienden de Britten.' Geheel ongevraagd had de bebaarde aanvoerder zijn gedachten de vrije loop gelaten.
`Ach dat is allemaal utopie. Feit is dat Saddam de wereld in angst houdt. Het is trouwens al laat en eigenlijk wil ik nog even wat rusten voordat we vertrekken.' reageerde Avlon.
Avlon rustte nog zo'n drie uur op een van de opgeblazen oranje rubberboten daarna stond hij op en riep de verzetsleider, `Het is nu 21.30 uur. We moesten maar pakken om om 22.00 naar boven te kunnen.'
`Ja, goed de mannen staan al klaar. Wat ons betreft kan het van start gaan. Dat tijdsschema is best wel krap. Volgens Torun wordt het heel moeilijk.'
`Torun?'
`Een van de mannen die met je mee gaat.'
`We moeten wel als we de bewakingspost niet in rep en roer willen brengen. Het is zo afgesproken met het coördinatiecentrum. We moeten wel als we de operatie niet in gevaar willen brengen.'
`Oké, Torun en Ibrahim gaan mee.'
Avlon pakte zijn rugzak. Hierin zat de stof die het mosterdgas en elke andere chemische verbinding onschadelijk kan maken. In zijn laatste jaar als student op de universiteit had hij dat speciaal ontwikkeld. Avlons professoren stonden perplex. Net als veel andere uitvindingen, schitterde Avlons vinding door zijn eenvoud.
Torun en Ibrahim hadden alleen touwen bij zich. Een van hen had ook een soort zwaard in een koker op zijn rug.
De overige mannen brachten de drie weg naar de plek waar ze naar boven konden.
`Moge Allah met jullie zijn.' riep de leider op gedempte toon. De achterblijvers staken hun hand in de lucht. Ze maakten een V-teken.
De drie hesen zich omhoog, Avlon als eerste. Hij stond daar in het donker. Hier werd de grot nog niet bewaakt en daarom kon hij zijn zaklamp wel aan doen om zich te oriënteren. Hij scheen vooruit de grot in terwijl de andere twee zich bij hem voegden.
`Oké, die kant moeten we op. Blijven jullie in vredesnaam vlak achter mij want elkaar kwijtraken is hier fataal voor de operatie.'
`Waar zijn we nu, met andere woorden waar zitten de eerste controleposten?' siste Ibrahim om zijn zware stem niet te duidelijk te laten doorklinken.
`Bij de volgende bocht moeten we overleggen hoe we ze aanpakken.'
`Dus ze zitten dichtbij.'
`Ja, maar alsjeblieft geen woord meer.' zei Avlon kortaf.
Ze zagen niet veel van de rotsige omgeving. Af en toe, als Avlon bijlichtte werd iets van de dodencel 75 meter onder de grond zichtbaar. De stalagtieten richten zich op en de stalagmieten maakten de gevaarlijk uitziende haaiebek compleet.
Voorzichtig naderden ze de bocht waar ze zouden overleggen hoe ze die post zouden overrompelen. Ze besloten eerst de bewakers te zien proberen te krijgen zodat ze ook zouden weten met hoeveel ze te maken hebben. Daarna zouden ze de het definitieve plan maken. Het moest heel snel gebeuren want de klok stond al op 22.30 uur.
De bewakingspost lag in het brede gedeelte van de grot. Het was als het schip in een kathedraal. De grot was verlicht en van afstand goed te zien. In het midden van de koepel was een klein ondergronds meertje. Op een verhoging naast dat meer, het stak wel vijf meter boven het water uit, stond een kleine houten barak met grote ramen die de bewaking van het schip eenvoudig maakte.
`Dit is iets voor jullie.' zei Avlon tegen de twee verzetsstrijders. De twee mannen keken elkaar aan en knikten instemmend.
`We moeten eerst weten hoeveel mannen er in dat hutje zitten. Daarna moet jij het afleiden door een steen tegen de wand te gooien. Als het lukt kunnen we eenvoudig vanachter die rotsen door het water naar de wand waden om vervolgens tegen die steile muur op te klimmen.'
`Ja makkelijk natuurlijk.' ondertussen dacht Avlon dat het ontzettend gevaarlijk was. Hij had rekening gehouden met een wachtpost, maar niet zo letterlijk. Ook zijn instructies maakten geen melding van een wachtpost in een houten huisje, 75 meter onder de grond in een verlaten streek van Iraq.
`Incredible!' fluisterde hij hardop nadat hij sinds de eerste kennismaking met het verzet hun taal had gesproken.
`Why do you think so.' reageerde Torun in vloeiend Amerikaans-Engels, `I bet they also have an electric heater.'
Ibrahim en Torun kropen op hun buik naar voren, om zich vervolgens achter de rotsen die tegen het water aanlagen, te verbergen.
Avlon keek er na. Hij zag dat ze het licht van de schijnwerpers naderden. Toen ze de rand hadden bereikt wachtte hij op een teken dat hij de steen moest gooien.
Op de tast had hij een steen gevonden die als een duiveëi aanvoelde. Hij gooide die tegen de wand aan die ongeveer 80 meter van hem verwijderd was. Het wachthuisje dat qua ligging op een onneembare vesting leek, was ongeveer 50 meter van die wand verwijderd. Als de bewakers die kant opkeken konden Torun en Ibrahim de wand ongezien bereiken. Ze waren vanuit het wachthuisje alleen de eerste tien meter zichtbaar daarna belemmerde de hoge ligging van de post dat zij zouden worden gezien. Torun hief zijn hand in de lucht. Avlon ging staan, strekte zijn arm en gooide de steen. Deze steen ketste, ondanks de afstand, met kracht tegen de wand en kwam op het gladde verlichtte pad terecht. Een bewaker kwam naar buiten. Ibrahim en Torun waadden op dat moment naar de muur. De bewaker zag hen niet. Bij de muur deden ze hun van kamelenhuiden gemaakte schoenen uit om met hun tenen meer houvast te vinden in de gleuven die de rotswand had. De bewaker was alweer terug op zijn post. Hij had de deur open toen die bewaker tegen een of meer metgezellen luid verstaanbaar zei dat het waarschijnlijk een losgeraakte druipsteen was. Torun stak als eerste zijn kop boven de rand. Hij hoorde een bewaker aan de andere kant van de hut duidelijk zeggen dat er niks aan de hand was.
`Ze zijn boven zeker aan het donderjagen met hun oorlogstuig! Hahahaha, en wij hier maar wachten tot weet ik wie het door heeft dat vijandelijke mogendheden..' de wacht maakte de pose van Saddam Hoessein, `... Iraq zullen knevelen. Hahahaha. De moeder aller veldslagen? Hahahaha. Stiefmoeder zal hij bedoelen, hahahahahaha.' Ditmaal lachten de andere bewakers mee. Ze weten dat na de dood van zijn moeder, de vader van Hoessein een nieuwe vrouw huwde. Zij zou haar Saddam naar de macht hebben gebracht, zoals Agrippina haar Domitius Ahenobarbus , Claudius heeft laten opvolgen.
Ibrahim en Torun waren om het hutje heengekropen en hadden de deur bereikt. Daar luisterden ze naar wat gezegd werd. In het gelach van de toezichthouders vond Torun het genoeg. Hij stond op en viel de deur binnen. Daar zaten twee bewakers. De derde stond voor hen, de handen nog omhoog. Met opgeheven zwaard der gerechtigheid riep Torun dat ze zich niet moesten bewegen en de handen achter hun hoofd moesten houden.
Ibrahim kwam ook binnen en bond de drie mannen vast, terwijl Torun ze in bedwang hield met zijn sikkel-vormige zwaard.
Hij bond ze stevig vast en riep Avlon. Avlon liep langs het huisje en zag de radiator achter de mannen die samengebonden op de stoelen zaten. Het was 22.50 uur, Avlon merkte daarom op dat de eerste fase goed was verlopen maar dat ze achter op tijdsschema lagen.
`Och, dan moeten we alleen wat harder lopen,' zei Ibrahim, `Het is vanaf hier allemaal verlicht, het is dus eenvoudig.'
`Dat weet ik niet omdat hier ook militairen rondlopen en de bewaking wel zal opmerken dat hier wat aan de hand is.'
`Wat doen we als het wordt ontdekt?'
`Niks, er is één uitweg die we dan kunnen gebruiken. Kom op we moeten verder!' Avlon had zijn rugzak al gepakt en in juiste positie gebracht. Torun en Ibrahim stonden ook klaar om over het vochtige pad langs de rotswand en de vijf meter diepe afgrond naar de ingang van de volgende grot te lopen. Dekking was er nauwelijks. Daarom waren alle drie stil om elk geluid te kunnen horen. Ze hadden nog even de tijd om het volgende doel te bereiken, de hal waar de scuds zijn opgeslagen.
Voorzichtig naderden ze de ingang van de bovenliggende grot. Er was een soort uitgehouwen trap die twintig meter omhoog leidde om daar achter een richel te verdwijnen.
`Dit is de trap die naar de hal leidt.' dacht Avlon.
`sst, ik hoor wat.' siste Torun, een gedempt gepraat kwam uit het gat de volgende grot betekende. Die grot was goed verlicht terwijl zij gehurkt in het donker zaten. Het geluid werd steeds sterker en schaduwen marcheerden voorbij. De mannen haalden opgelucht adem.
`Hoeveel waren het er Ibrahim?' vroeg Avlon aan Ibrahim die het dichtst bij het gat zat.
`Ik telde drie schaduwen.'
`Patrouille?'
`Nee ik denk het niet.'
`Goed, we gaan verder, maar wel voorzichtig. Ze lopen hier wel rond ook al is het geen patrouille.'
Een voor een kropen ze door het gat. De grot waarin ze kwamen was hel verlicht maar er waren veel plekken waar ze zich konden verstoppen. De grot was ongeveer 15 meter breed op de plek waar zij uit de muur kropen. Er stonden vrachtwagens en tanks van Sovjet- en mobiele zijderups-raketten van Chinese makelij geparkeerd langs de wand.
`Follow me,' zei Avlon `We moeten rechtsaf om bij de hal te komen.' De twee volgden Avlon die achter de vrachtwagens en tanks langsliep. Er liepen hen twee mannen tegemoet. De drie verborgen zich onder een tank en ze werden ongemerkt gepasseerd. De twee maakten ongecontroleerde bewegingen met hun armen en hoofd en reikten hun handen naar de hemel.
`Als ze woedend op Hoessein zijn hebben ze gelijk.' dacht Avlon onder een Sovjet tank.
Ze kwamen vrij gemakkelijk bij een hal waar ze de raketinstallaties voor het eerst zagen. Ze keken in de hal rond.
`Tjonge, wat zijn die dingen groot.' zei Ibrahim verbaasd.
`Tja, geluk is dat ze voor de lange afstand zijn en het grootste gedeelte van hun lengte voor de brandstof wordt benut.' verduidelijkte Avlon. `Het is 0.05 uur. We moeten ons oriënteren en besluiten hoe we de bewaking aanpakken.'
`Ja inderdaad dan we hebben nog maar 25 minuten. We moeten opschieten.' zei Torun, `maar ik heb al een idee.' Het was stil. Fluisterend ging Torun verder, `De bewakers zitten in dat glazen hokje,' hij wees naar een hokje met veel glas dat blijkbaar werd gebruikt als een soort kantine, `Ik heb hier niemand zien lopen ...., kijk daar heb je weer zo'n hokje met wat bewakers erin. We moeten die cabines afsluiten en hun communicatie-verbindingen in die hokken verbreken. Als er iemand de hal betreedt maken wij hem onschadelijk. Zo kun jij ongestoord je werk doen.'
`Eenvoudig maar geniaal, zeker veel films gezien?'
`Ja, Amerika is het land van het kijkplezier, elk moment een film op TV. Trouwens, dit is uit `De kanonnen van Navarone''
`Nou ik denk dat je er niet te veel hebt gezien. We doen het, hoeveel tijd heb je nodig?'
Torun zei wat Avlon wilde horen, 20 minuten.
`Het moet snel gebeuren' zei Avlon.
Terwijl de twee opstandige Irakezen hun officiële leider een poets bakten, haalde Avlon de spullen te voorschijn die hij nodig had voor zijn werk. Hij had alles tot op een snijbrander toe, deze moest hij in elkaar zetten. Hij haalde de, in blikken verpakt poeder te voorschijn wat de chemische lading van de raketten onschadelijk moest maken. Terwijl hij zijn spullen controleerde en de brander in elkaar zette, zag hij dat de bewakers als kazen onder een glazen stolp werden gevangen. Gelukkig hadden de twee Irakezen eerst de telefoonlijn afgesneden. Ze hielden de bewakers en mecaniciens met een buitgemaakte kalasnikov onder schot en bonden het personeel met één van de sterke vezels van DUPONT. Ze maakten naar Avlon een gebaar dat ze klaar waren. Avlon ging naar beneden en liep direct naar de eerste scud-raket. Hij had al een analyse gemaakt van de raket en wist zodoende precies waar hij beginnen moest. Avlon was verbaasd van de verbluffende eenvoud van de constructie van de scud. Het was een verlengde versie van een raket van Sovjet makelij die hij al bestudeerd had, maar dat dit er mee kon had hij niet verwacht. Avlon vond het knap van de ontwikkelaars van de verlengde versie om met zo weinig middelen en kennis zo'n prestatie te verrichten.
Met een soort spuitbus spoot hij de anti-stof in de kop van de raket. Hij werkte consequent, als een boer die zijn weiland omploegt om maïs te gaan verbouwen. Tegen 1.30 uur was hij klaar. Hij had inmiddels gezelschap gekregen van de twee.
`Goed, dat is dat, zijn we klaar om te vertrekken? Looppas naar de rivier.'
Ze renden min of meer door de grot waar de legertrucks en tanks geparkeerd stonden. Het was bloedlink. De kans om gezien te worden was levensgroot aanwezig.
'We moeten wel rennen. Ons geluk hebben we bijna verbruikt. Het is alles of niks.'
Aan de andere kant van de grot verschenen een aantal militairen, `Oh shit, rennen.'
Terwijl een mitrailleur zijn uiterste best deed om de drie te raken en de kogels hen om de oren vlogen, bereikten ze het donkere gat. De militairen hadden een achterstand in het voordeel van Avlon, Torun en Ibrahim. Ze daalden de stenen trap af en renden in de richting van de geknevelde en opgesloten bewaking. Binnen tien minuten hadden ze het hel verlichte punt bereikt. Ze waren nog niet uit de gevarenzône. Ze renden langs de hut. De bewakers waren nog vastgebonden. Achter hen hoorden ze Duitse herders.
`Tjonge, zelfs de honden zijn van Duitse origine.'
`Rennen, Ibrahim, rennen!' en Torun trok zijn metgezel mee. Avlon struikelde in het donker, hij haalde zijn been open. Het deed zeer maar doordat hij niks zag, leek het hem niet ernstig en liep hij door. Het tempo was gedaald. Achter hen zagen ze nu ook het licht van de zaklampen van de militairen. Ze kwamen bij het volgende gat waar ze doorheen kropen om weer een stuk te rennen.
`Nog even,' dacht Avlon, `Dan zijn we bij de rivier. God alsjeblieft.' Zijn been deed geen pijn meer, het lopen vermoeide hem niet. De andere twee liepen achter hem. Zij liepen met Avlon mee als twee vlinders die om een bloem fladderen.
`Gaat het?' hoorde hij, `We zijn er bijna, nog even volhouden.' zei Ibrahim tegen Avlon, `Torun zal de militairen op afstand houden als wij richting de boten gaan.' Hij hoorde schoten, mitrailleurvuur. Zij zetten zich in beweging en bereikten na korte tijd de boten.
`Hé, jullie zijn op tijd!' hoorde Avlon vaag de leider schreeuwen, `Wat is er aan de hand met hem en waar is Torun?'
Ibrahim legde Avlon die hij sinds Avlons val had gedragen, halfbewusteloos in de boot. Avlon was zich er niet van bewust. Hij was verzwakt en had veel bloed verloren.
Ibrahim schreeuwde tegen de leider dat ze de boten te water moesten laten. Torun zou de militairen op afstand houden. Hij was nog niet uitgesproken toen Torun met de kalasnikov in de handen er aan kwam rennen, `Wegwezen!' schreeuwde hij, 'Ze kunnen elk moment het obstakel uit de weg geruimd hebben.' Hij gaf zelf het goede voorbeeld door in de kleine eenpersoonsboot te springen die al in het water lag. Hij voer weg. De andere grotere boten kwamen er achter aan.
De militairen die er aan kwamen, konden alleen maar zien dat er niemand meer aanwezig was. De mannen, het verzet, waren allang achter de bocht verdwenen. Naar de overkant konden de militairen niet omdat de brug, even verderop over de rivier gespannen, weg was gehaald.
De rubber opblaasboten voeren met de stroom mee. Ze passeerden weldra de plek waar ze elkaar ontmoet hadden. Avlon trok weer bij. Hij zag zijn verwonde been, de pijn schoot er door heen. Hij vroeg om zijn rugzak.
`Die heb ik moeten achterlaten. Het was teveel ballast.' zei Ibrahim.
`Nee hoor, ik heb hem meegenomen.' antwoordde Torun die naast hen voer.
`Oh bedankt. Er zit een verbandtrommel in en pillen om de pijn te verlichten.'
De rivier meanderde en de stroom versnelde zich.
`Pas op Torun, weg daar. Er zitten stroomversnellingen.' zei de leider die het bootje van Avlon bestuurde.
Ze bereikten ongeschonden de plek waar ze uit de boten gingen om te voet verder te gaan. Er werd Avlon gevraagd in hoeverre hij kon lopen. Hij probeerde te staan maar het ging niet.
`Kun je van die roeispaan een kruk maken?' vroeg Avlon aan de leider.
`Jawel, dat is niet zo moeilijk.' Hij brak het stuk hout, `Kijk, dit bedoel je toch?'
`Ja, bedankt.' Hij duizelde.
Avlon had een paar pijnstillers geslikt. De wond voelde verdoofd aan.
`'t Is maar te hopen dat die Amerikanen snel komen' dacht Avlon en hij wist dat de Irakezen net zo dachten.
Ze bereikten de ingang van de grot. Het daglicht dat het dal deed leven, drong binnen. Het was ochtend en de vallei leefde om over een paar uur stil te worden. Dan zou de heli van de Amerikanen komen om hen op te halen en om die afschuwelijke stilte te doorbreken.
`We kunnen beter in de grot blijven met een man op uitkijk bij de ingang van de grot.' zei de leider tegen Avlon, `We hebben een bericht uitgezonden.'
`Ik moet eerst het centrale commando zien te bereiken om te zeggen dat mijn missie volbracht is. Waar is mijn zender?'
`Die heeft hij.' De leider wees naar een man.
`Zender? Ik heb geen zender. Is die niet vernietigd, zoals voorgeschreven?'
De leider keek woedend naar boven, `Mooi is dat!'
`Nou ja, via de Amerikaanse chopper zou het ook kunnen. Dan moeten we daar maar op wachten.' Ze hadden besloten binnen de grot te wachten en een man bij de ingang te posten.
Avlon dacht aan zijn droom. Het leek allemaal zo vreemd, alsof hij meedeed in een toneelstuk. Hij had de hoofdrol en de anderen waren figuranten. Nee, dacht hij, dat kan niet. Hij ontkende het, het is geen droom, het is geen toneelstuk, het is de bizarre realiteit.
Zijn been begon op te zetten. Hij voelde het steken. De pijnstillers verloren hun werking.
`Als ik het niet redt, zorg dan dat ik niet in handen van de Irakezen val.' zei Avlon, die dacht dat het wel erg slecht met hem gesteld was.
`Die chopper komt wel daar ben ik van overtuigd.'
`Ik herinner mij een droom. Het speelde zich af in een grot. Ik was de wachtpost, er gebeurde wat en de droom was voorbij. Ik vrees het ergste voor Torun.'
`Hoezo?' vroeg de leider maar Avlon raakte buiten bewustzijn.
Het was stil in de grot. Toen kwam Torun binnen rennen. De Amerikanen landen. Maak je gereed. Ze hoorden het lawaai van de chopper. De leider en nog een man pakten Avlon beet en sleepten hem naar de helikopter.
`He has lost his consciousness, he fainted' zei Torun tegen een medisch officier.
`Hahahaha, he lost his consciousness. No brains my friend.' reageerde de officier en hij laadde Avlon in de chopper. In het lawaai van de rotoren van het hefschroefvliegtuig probeerde hij Torun gerust te stellen, `It's just like M.A.S.H, he will make it!'
XV THUIS II
In de ziekenzaal rook het naar bloemen. De zaal was feestelijk versierd met slingers. Boven zijn bed waren de kaarten in een zachtboardplaat geprikt. De meeste kaarten hadden een Hebreeuwse tekst maar er sprongen twee in het oog. Deze twee kaarten waren in een andere taal. Het was bezoekuur en hij verwachtte dat veel van zijn vrienden zouden komen. Als eerste kwam zijn vriendin binnen. Hij stak zijn armen in de lucht. Zij rende naar hem toe en omhelsde hem.
Hij probeerde wat te zeggen maar sprak nog niet echt hoorbaar.
Z'n vriendin haalde iets uit haar rugzak en gaf het hem.
Het was een wassen plankje zodat hij kon schrijven wat hij wilde zeggen.
`De doktoren zeggen dat je stem de tijd moet hebben.' zei zijn vriendin, `God wat ben ik blij dat je weer terug bent.'
`Waar was ik dan?' schreef hij.
`In Holland'
`Wat deed ik daar?'
`Dat weet ik niet. Je was betrokken bij een operatie om Israël te sparen. Je bent onderscheiden.' zei ze geestdriftig.
`Wat is er gebeurd met de anderen, met Llivia, Andrea, Moses, Nathaniël en Petor?'
`Zij zijn gered. Na de oorlog zijn ze via Damascus teruggekomen'
`Oorlog?'
`De Golfoorlog duurde gelukkig maar kort. Helaas is Hoessein niet gepakt.'
`Heb ik je wel gebeld?'
`Nee.'
`Ook niet geschreven?'
`Ja, een postkaart uit Holland'
Avlons gezicht betrok. Hij begreep er niks van. Hij wilde slapen en schreef dat op met potlood op een blocknote. Toen het bezoek weg was, viel Avlon snel in slaap.
XVI DE WERKELIJKHEID VAN AVLON P.
Hij sliep nog maar net toen de generaal hem wakker maakte. Ongevraagd vertelde hij hoe het de overige leden van de expeditie is vergaan.
`De operatie liep voor Llivia, Moses en Nathaniël soepel. Ze moesten een bergje beklimmen, iets waar ze geen moeite mee hadden. Boven op de berg zou een raketinstallatie moeten zijn. Deze moest uitgeschakeld worden, samen met de bewaking. Boven op de berg zagen ze dat er eens een installatie moet zijn geweest. Er stonden nog wat keten maar verder was het stil op de top, er was geen operationele installatie meer. Vanaf de berg hadden ze een machtig uitzicht over het laagland in de verte zagen ze lichtjes van een verafgelegen stad. Opeens hoorden ze achter zich geronk opstijgen. Het waren geallieerde vliegtuigen wisten ze. Vliegtuigen die naar Baghdad zouden vliegen. Opeens lagen ze onder vuur. Clusterbommen vormden aan de voet van de berg een tapijt van vuur, tegen de helling van de berg sloegen warmte zoekende projectielen in. Ze wisten dat er van Irakeze zijde militaire activiteiten waren maar een beschieting door de geallieerde luchtvloot van dit kaliber hadden ze niet verwacht. Granaten vlogen hen om de oren. Nathaniël werd door een granaatscherf geraakt in zijn been. Llivia wist dat ze hem niet mee kon nemen. Hij zou de afdaling niet overleven met een slecht been. Er moest een helikopter komen om hen op te halen. Llivia seinde daarom dat ze dringend assistentie nodig had, het liefst een heli. De beschieting die hen trof was ook hun geluk. In het squadron dat de beschieting uitvoerde, was een apache-helikopter opgenomen. Deze was bedoeld om jou en de anderen op te halen. Helaas voor jou werd dit afgelast omdat de apache werd geraakt door een granaat van de Irakezen. Je had daarom ook niet in de grot moeten blijven wachten maar je had direct de loop van de rivier moeten volgen naar het zuiden.' De man keek om zich heen, `Dom van jou,' zei hij verwijtend, `Je bent te afwachtend geweest. Leer er van. De volgende keer ben je het nodig. Ga niet op iets zitten wachten, maar neem zelf het initiatief.' Hij praatte met een droge mond. De generaal stond op en liep naar de kraan tegenover het bed. Hij dronk eruit en ging weer zitten. Hij vervolgde zijn verhaal, `Voor Petor en Andrea verliep de operatie minder voorspoedig. Zij werden gedropt bij een strategisch belangrijke brug in het midden van Iraq. Hier zouden zij springladingen aanbrengen. De nacht was helder en ze werden gedropt op een plek waar ze onopgemerkt naar de brug konden gaan. Dat de brug streng zou worden bewaakt was voor hen een bekend gegeven. Maar dat de waterstand hoog zou zijn, had men op het hoofdkwartier, waar de plannen werden uitgedacht, niet verwacht. Dit bemoeilijkte de operatie omdat door de hoge waterstand de stroming aanmerkelijk was toegenomen. Dit houdt in dat de springlading niet kon worden geplaatst. Er is een ander belangrijk doel gezocht. Dit is zorgvuldig vernietigd. Hahaha, met man en muis, hahahahhahaha.!!!'
Avlon zag dat de generaal schuimbekte, als een paard dat een bit in de mond heeft. Hij maakte vreemde grimassen met zijn gezicht toen hij was uitgesproken. De generaal gierde van het lachen, het uitlachen van Saddam Hoessein. Het leek of de generaal was veranderd van een vriendelijke man op middelbare leeftijd in groen/grijs legeruniform in een monster dat uit is om dood en verderf te zaaien.
Avlon kreeg een vreemd gevoel in zijn lichaam. Alsof een afgrijnzen hem vervulde. Hij voelde dat zijn darmen zich samenknepen, van machteloze woede. Hoe voelde dat zijn lichaam zich spande om zich ineens te ontladen. Hij wilde zijn gezicht van de generaal africhten en hem wegsturen, maar hij kon niet. Avlon wilde weten voor welke monsters hij werkte.
Toen de generaal uitgelachen was, boog hij zich, het schuim nog op zijn lippen, over Avlon, `Zo gauw jij weer beter bent Avlon, gaan we dat gedrocht van een Hoessein vernietigen. Hahahahaha!!!'
XVII DE WERKELIJKHEID VAN PIM PAERCELLUS
Pim vloog rechtovereind in zijn bed en schreeuwde het uit.
Het ziekenhuispersoneel kwam aanrennen. Zo'n gegil had de patiënt nog niet laten horen. Verbeek werd opgeroepen zich naar kamer 11, de kamer van Pim Paercellus, te begeven.
Pim was inmiddels tot bedaren gekomen. Hij klampte zich vast aan de verpleegster die zijn voorhoofd met een zachte doek wilde afnemen, `Alsjeblieft breng me naar huis. Ik kan er niet meer tegen!'
`Pim schreeuwde het uit,' zei Verbeek, `hij was zich zelf niet meer, stond in zijn bed en schreeuwde in duidelijk verstaanbaar Engels dat we moesten blijven waar we waren, niet mochten bewegen. Toen sprong hij uit het bed naar mij toe en zette mij een mes op de keel. Ik dacht nogwel dat het verplegend personeel hem vakkundig een riempje hadden omgelegd. Hij heeft het blijkbaar toch los weten te krijgen. Pim zei dat het een gijzeling was en dat hij direct z'n kleren wilde hebben. Op mijn kamer bond hij mij vast en trok zijn kleren aan. Toen kwam hij met de eis dat hij een bus met chauffeur wilde hebben en een vliegtuig naar Baghdad.' Verbeek herhaalde nogmaals dat de heer Paercellus duidelijk zichzelf niet meer was, `Uiteindelijk is de bus gekomen en moest ik instappen. Hij heeft zich toen naar Schiphol laten rijden. In de bus hield hij alles goed in de gaten en beet mij toe dat ik een moordenaar was.' Verbeek slikte, `Dat ik onschuldige slachtoffers maak en dat het mij niet uitmaakt hoeveel doden er vallen.' Hij keek de journalisten aan, `Op Schiphol konden we doorrijden naar een klaarstaand vliegtuig, gewoon een KLM-vliegtuig overigens, de bus stopte en nadat hij de chauffeur een aantal messteken had toegebracht, duwde hij mij eruit. Op dat moment, er was een meter afstand tussen Paercellus en mij klonken er schoten. Ik dook op de grond. Aangeschoten liet Paercellus het mes vallen. Hij strompelde nog enkele seconden en viel toen op de grond, vlak naast mij.' Verbeek liet zijn hoofd op haast melodramatische wijze enkele seconden zakken vervolgens richtte zich opnieuw tot de journalisten, `Kijk, als medicus wil ik natuurlijk een goede anamnese maken en een diagnose stellen. Ik heb daarin jammergenoeg gefaald. Gebrek aan gegevens, onvolledige informatie kunnen leiden tot dit soort dingen. Maar overtollige informatie kunnen ook tot verschrikkelijke dingen leiden. Mijn hypothese is dat Paercellus aardig over zijn toeren is geraakt van de hele crisis-situatie in de Perzische Golf. Wellicht zat hij vanaf augustus voor zijn televisie naar CNN te kijken, met zijn afstandsbediening te zappen, van CNN naar de gezamenlijke omroepen van Nederland 3, van RTL 4 en haar Duitse zuster naar de BBC en de Duitse Rundfunken.
Expliciet maak ik ook een verwijt naar de media die constant bezig is de burger te overgieten met een chocolade van informatie waar je niks mee kunt, ja, je tanden worden bruin. De media misleidt ons, nee we laten ons misleiden door hen. Deze man is het slachtoffer van de constante informatiestroom die de mens bereikt. Enige zelfcensuur had de man niet naar mijn mening en die moet je tegenwoordig hebben wil je deelgenoot zijn van actuele gebeurtenissen. Je kunt zeggen dat er een overkill aan informatie is. De overvloed aan informatie leidt tot dysinformatie. Maar goed ik dwaal af. Meer heb ik niet te zeggen.' De schrijvende pers omringde hem. De journalisten van radio en TV. verdrongen zich om een beetje informatie, geheel tegen de gewoonte in op de tweede rij.
`Hoe lang was hij al opgenomen!' kraaide een verslaggever.
`Hij zou z'n vierde week ingaan.' Verbeek baande zich door de horde reporters.
`Alsjeblieft laat me er langs, ik wil naar huis, mijn ervaring verwerken, ik ben op!'
`Wat bedoelt u daarmee?' vroeg een journalist van de schrijvende pers.
`Dat ik op ben?'
`Nee dat ...'
`Wat ik er mee wil zeggen,' en zijn adem stokte even, `is dat aan de maatschappij op z'n minst een steekje los zit. Dat ene steekje zijn er ongetwijfeld meer: Nederland is ziek. Het begint er in ieder geval steeds meer op te lijken. Wat dat betreft had Paercellus niet helemaal ongelijk mij als moordenaar af te schilderen. Moreel gezien zijn we met z'n allen moordenaars. Misschien is dat onze ziekte. Een ziekelijke neiging tot het plegen van moorden of er op z'n minst bij te zijn. Lees de kranten maar, kijk maar naar de televisie, luister naar de radio, lees de tijdschriften en de boeken.' Verbeek leunde met een hand tegen de muur. Hij wees naar een schilderij naast hem van een paar boeren op een landweg. `Kijk dat had hij nodig, rust mien jong.'
Hij sprak verder, `Als je nadenkt weet je dat de Golfoorlog nog heel lang zal nasudderen. Vraag het maar aan mensen die de Wereldoorlogen hebben meegemaakt. Vraag het maar aan het Indië-gangers, de Knillers, wat voor trauma zij hebben overgehouden. Vraag het maar aan de Japanners, de Italianen, de Indonesiërs, de Duitsers, de Amerikanen, de ex-Joegoslaven, de Irakezen. Ja, vriend en vijand, de slachtoffers en daders. Vraag het maar aan prins Bernhard. Denk je niet dat hij er niks aan over heeft gehouden? Mensen die betrokken zijn geweest wel. Hij misschien niet, dat weet ik niet. In ieder geval deze Paercellus wel, een gewone man in de huiskamer. Het kan niet anders.'
`Laatste vraag meneer Verbeek, Kijkt u wel eens naar de EO?'
Verbeek slaakt een diepe zucht, `U heeft het niet begrepen. Het is geen kwestie van een bepaalde maatschappelijke stroming, politieke kleur of wat dan ook. Het is een virus die zich in alle lagen, nee, overal in de samenleving bevindt. Trouwens dat in hokjes plaatsen wat u doet is een slechte gewoonte, dat houdt die virus levend. Iets wat de objectieve journalistiek niet bevordert.' Verbeek probeerde door de kring verslaggevers en journalisten en camera-mensen heen te breken, maar hij bleef opgesloten. Een salvo van vragen werd op hem afgevuurd.
`Was u niet bang, meneer Verbeek?'
`Wat denkt u als medicus van de hele situatie?'
`Bent u zelf niet mede-verantwoordelijk voor de affaire die is ontstaan?'
`Denkt u niet dat dit de naam van het ziekenhuis zal schaden?'
`Hoeveel mensen zoals Paercellus lopen er nog meer rond?'
`In hoeverre is Israël er bij betrokken?'
Verbeek wist zichzelf te ontzetten en liet een verbouwereerde groep journalisten achter zich. Zijn grote, spookachtige gestalte liep schuddebuikend naar de uitgang van het ziekenhuis. `Hahahahhahaha, bang? Jullie begrijpen er niks van!!!' riep hij tegen enkele meelopende journalisten, `Het was oorlog en in een oorlog gebeurt wel eens iets.'
1993
Bezweet schrok Avlon wakker. Het was stil om hem heen.
Hij keek op zijn wekkerradio. Het digitale fluorescerende klokje wees drie uur in de ochtend aan. Avlon zocht op de tast de lichtschakelaar. Het licht floepte aan. Hij ging rechtop zitten en wreef zich in zijn ogen. Er rolde wat zand op zijn buik. Hij stapte uit zijn bed, liep naar de douche en dronk een glas lauw kraanwater.
Hij keek naar het gelaat dat hem in de spiegel aanstaarde. Het waren kleine ogen die hem, met een vlaag van herkenning, onder zware wenkbrauwen aankeken. Er zat nog zand in zijn ogen en terwijl hij dat uit z'n ogen wreef dacht Avlon aan hetgeen hij gedroomd had. Hij vond het vreemd zich deze droom te herinneren. Nooit onthield hij zijn dromen, waarom deze dan wel? Leunend tegen de wastafel probeerde hij de droom in denkbeeldige woorden te formuleren. Alsof hij iets dat hij kwijt was, terug probeerde te vinden. Automatisch gingen zijn gedachten naar de situatie die hij zich het laatst herrinnerde. In de droombeelden ging hij met zijn beste vriend de grens met Syrië over. Tenminste Avlon had een heel sterk gevoel dat het die grens met Israël was. Hij was al eens in Syrië en Jordanië geweest maar zou daar nu niet durven te komen. Zeker niet nu Iraq Koeweit is binnengevallen.
Avlon nam een teug uit het volgende glas water. Hij besloot weer naar bed te gaan. Daar deed hij zijn radio aan. Er klonk een oude hit van de Pretenders op de zender waar hij 's ochtends wakker mee had moeten worden. Hoewel hij verliefd was op de stem van de zangeres, zocht Avlon toch een andere zender op.
`...... Irakeeze raket.' kraakte de stem van de nieuwslezer. Avlon stelde de radio af, `Speciale eenheden zijn naar de plaats des onheils gestuurd om eerste hulp te verlenen aan mogelijke slachtoffers.' De stem haalde diep adem, `Vooralsnog is er geen sprake van een gifgasaanval, maar iedereen wordt geacht zijn ramen en deuren goed af te sluiten en bij de radio te blijven. Houdt u de gifgasmaskers bij de hand en ga in geen geval naar buiten.'
`Wat is er met die raket?' siste Avlon tegen zichzelf en de omroeper. Op de radio werd gebeden en de luisteraars werden verzocht mee te gaan in het gebed. Avlon zette de radio af en liep naar de telefoon. Hij had de hoorn in de hand en wilde het nummer van een goede vriend van hem intoetsen toen er werd aangebeld. Avlon legde de hoorn naast de telefoon en liep naar de voordeur.
Buiten stond zijn vriendin. Ze was gehaast en vroeg of ze kon bellen.
`Er is een raket op Tel Aviv terecht gekomen in de wijk van m'n ouders. Ik moet ze spreken!' riep ze met gehaaste maar toch kalme stem.
`Oh? ja! Verdomd, dat is niet best.' merkte Avlon droog op. Hij was met stomheid geslagen en was even stil, `Jij gaat bellen en ik trek wat kleren aan.' Hij liep door de gang naar de slaapkamer en zag, terwijl hij een T-shirt over zijn hoofd trok, dat z'n vriendin haar ouders aan de lijn kreeg.
`Wat heb je gehoord?' vroeg Avlon aan z'n vriendin toen ze ophing en hij de hal inliep.
`Er schijnt een Irakeeze raket in Tel Aviv te zijn neergekomen, vlakbij m'n ouders. Ik hoorde het op de radio. Toen ben ik direct naar jou gegaan om te bellen en jou te waarschuwen. Pa en ma zijn gelukkig oké.'
`Goed zo, weet je wat? Ik bel Nathan Booker op en vraag hem wat er gebeurd is. Wellicht wil hij dat ik naar de universiteit kom.' Terwijl Avlon belde ging zijn vriendin de keuken in.
`Jij wilt zeker ook wel een kop koffie?' vroeg ze.
`Eentje dan....' riep Avlon haar vanuit de hal toe.
Er werd niet opgenomen bij professor Booker en Avlon ging ook de keuken in.
`De koffie is zo klaar.' zei ze gehaast, terwijl Avlon half leunend tegen het aanrecht naast haar ging staan.
`Zat je te leren of zo, als je de radio nog aan had?'
`Nee, ik moest nog een voorwoord uittikken. Voor de scriptie, je weet wel.'
`Ja?'
`Ja, ik kan het ook niet helpen als jij de hele week in Kiriatz Mona zit.' reageerde ze licht geïrriteerd.
`Sorry hoor, ik weet dat je gespannen bent om die raketaanval bij je ouders, maar we moeten nu sterk zijn.' het nu beklemtonend.
`Sterk? Jij? Ach kom nou. Jij zit de hele tijd in atoomvrije kelders of hebt die tenminste in je buurt. Nee, ik kan me beter dienstbaar maken en naar m'n ouders gaan. Dat zijn in ieder geval mensen die sterk zijn geweest en nu misschien hulp kunnen gebruiken. Ga jij maar verder met je geheime opdracht, dan ga ik naar Tel Aviv.'
`Oh, irritation? Oké you go your own way and I go mine,' zei Avlon plagerig, `Ik ga verder met de missie en jij gaat naar je ouders. Je kunt me altijd bereiken op mijn kantoor en thuis. Wat is het nummer van je ouders?' Ze gaf het nummer wat Avlon op een memopapiertje schreef en bij de telefoon hing.
Het stel stond in de hal van het huis.
`Ik heb het gevoel dat we elkaar voorlopig niet terugzien, dus ik wens je sterkte bij je werk. Doe de groeten aan Nathan Booker en z'n vrouw. En je hebt gelijk. Ik ben geïrriteerd: het nachtwerk, die raketaanval. Maar in iedergeval is alles bij pa en ma goed!'
`Zie je wel, maar ik zal Nathan en Sonia de groeten overbrengen.' zei hij, waarna hij zijn vriendin omhelsde en zijn kin in haar hals drukte, `en ik wens je heel veel moed toe in Tel Aviv. Groet je ouders van mij en zeg dat ik van ze hou.' Hij was er nog steeds niet toe gekomen hen pa en ma te noemen. Dat had iets persoonlijk. Daar zat een bloedband tussen. `Je gaat er morgen heen als je je scriptie hebt ingeleverd?'
`Ja.'
`Die scriptie lukt wel, dat weet ik zeker,' fluisterde Avlon op een bijna vaderlijke toon in haar oor, `en ik zal je volgende week bellen of schrijven.'
`Ja goed. Ik ga nu weg en probeer nog even te slapen. Morgenochtend lever ik de scriptie in en neem de bus naar m'n ouders.' Ze opende de voordeur, stapte naar buiten en keek nog even om.
`We bellen nog wel!' riep ze vanuit de duisternis. Avlon stak z'n hand in de lucht. In het licht van de hal moest hij duidelijk te zien zijn. Hij hield zijn hand net zo lang in de lucht totdat hij zich er van vergewist had dat zij het had gezien. Daarna ging hij naar binnen. Het was fris buiten zo half januari.
Nadat hij de deur gesloten had, belde hij eerst professor Booker. Er werd opmerkelijk snel opgenomen.
`Ha jongen, ik heb nog gedacht die belt nog wel,' en met een onderbreking vervolgde hij, `... alleen niet midden in de nacht.'
`Je weet toch wel van die aanval op Tel Aviv, Nathan?'
`Jawel ik weet het, alleen ik weet niet wat wij daar mee moeten.'
`Je begrijpt toch wel dat dit om maatregelen vraagt.'
`Jawel, dat begrijp ik, maar niet direct van ons land, niet van ons leger en zeker niet van mijn faculteit. Nu wij slachtoffer zijn van de Irakezen moeten we dat ook gebruiken. De hele wereld ziet nu dat Iraq de agressor is. Als wij iets doen zal er nooit vrede komen, de kans op vrede ligt dan nog verder buiten bereik. We moeten deze situatie optimaal benutten.'
`Goed, ik begrijp dat ik weer het bed kan opzoeken? Zullen we dan over zes uur afspreken op de faculteit?'
`Afgesproken, tot straks.'
Avlon liet de hoorn uit z'n hand op de haak glijden en terwijl hij dacht aan zijn plotselinge gedachte Nathan Booker te bellen moest hij tegelijkertijd glimlachen om de altijd klaarstaande Nathan. Het was toch Nathan die aan zijn ziekenhuisbed stond toen hij bijkwam van elf weken in een schemergebied tussen leven en dood te zijn geweest. Het is toch die dekselse, good old Nathan Booker geweest die hem heeft bijgestaan om zijn weg terug te vinden in de maatschappij. Hij liep in gedachten verzonken door de gang naar zijn slaapkamer. Universele vrede dacht hij, universele vrede, gewoon door niets te doen. Mahatmar Gandhi zou het nauwelijks beter kunnen.
In de rest van de nacht van vrijdag 18 op zaterdag 19 januari 1991 sliep Avlon niet echt goed. Hij hoorde de kraan druppelen, de koelkast aan- en weer afslaan en de wind door de takken van de bomen waaien. Daarbij kwam nog dat het zand in z'n bed z'n voeten deed jeuken. De lakens moesten nodig een keer verschoond worden dacht Avlon. Door een lichte spanning kon hij niet in slaap komen.
De Amerikanen waren het eergister aangekondigde luchtoffensief tegen Iraq begonnen. Na al die maanden hard trainen was de situatie zover geëscaleerd dat ze in actie zouden komen. Dat kon haast niet anders. Avlon probeerde alleen nog even te slapen om 's morgens fit te zijn.
IX DE OCHTEND I
Toen om acht uur z'n wekker afging luisterde hij eerst naar de radio alvorens zich te douchen. De raket was niet ontploft maar er waren wel enkele zwaargewonden gevallen en het had grote schade aangericht aan een paar huizen.
Na zich gedoucht te hebben liep hij naar de keuken en zette wat theewater op. Tijdens het transport van de fluitketel in zijn hand naar het fornuis kwam hij de radio tegen. Met een druk van zijn wijsvinger op de aan-knop kwam er muziek uit de drie boxen die hij op strategische plaatsen in de keuken had gemonteerd. Vervolgens trok hij de koelkast open. Hij had nog wat kalfsvlees van de vorige avond. Hij zette het op het aanrecht. Terwijl het theewater kookte, pakte Avlon een glas, haalde de fluitketel van het vuur en goot het kokende water erin. Uit een kastje boven het aanrecht haalde hij een theezakje en liet haar in het water zakken. Hij pakte wat brood uit een trommel en sneed het vlees in plakjes wat hij op zijn brood deed. Daarna ging hij achter de eettafel zitten. De Stem van de Vrede kraakte, maar de niet gecensureerde muziek compenseerde dat. De Jerusalem Post van de vorige dag lag nog op tafel. Avlon sloeg hem open om nog eens te lezen wat Shamir zei van de dreigementen van Iraq aan het Israëlische adres.
Terwijl hij een slok hete thee nam moest hij lachen om een spotprent in de krant. Saddam Hoessein achter het stuur van een vrachtauto geladen met raketten die een geopende brug nadert. Onder de prent stond het onderschrift `Kom op Saddam geef toch gas (en rij jezelf te pletter).'
Avlon was nu toch redelijk ontspannen hoewel hij slecht geslapen had en wist dat hij een moeilijke dag tegemoet ging. Om negen uur ging hij naar de universiteit om met Nathan Booker nog even wat door te nemen. Daarna had hij een afspraak met de leiding en staf van zijn legereenheid. Avlon had het gevoel dat het wel eens lang kon gaan duren. Maar zo'n gevoel had hij wel vaker sinds zijn ziekenhuisopname. Een gevoel dat hij het antwoord al weet. Het gevoel dat hij het eerder heeft meegemaakt. Avlon sloeg er allang geen acht meer op.
De afspraak met de legerleiding was wellicht het belangrijkste wat die dag te gebeuren stond. Na zijn studie aan de universiteit heeft hij een opleiding van drie maanden gekregen bij een eenheid die zijn chemische kennis kon gebruiken. Het doel was bij de geringste provocatie van de vijand in te grijpen in hun militaire mobiliteit door aanslagen op grondgebied van de vijand te plegen.
Aangezien hij nog zijn dienstplicht moest vervullen, werd direct na het uitreiken van de certificaten contact met hem opgenomen over de mogelijkheid van een speciale opleiding binnen het leger. Vanwege zijn perfecte beheersing van het Arabisch werd hij in een speciale eenheid geplaatst. Van te voren is hij grondig gescreend en is zijn handel en wandel geanalyseerd. Hij bleek een voorbeeldig Israëliër te zijn.
Aanvankelijk had hij zijn bedenkingen, maar zijn door zijn nieuwsgierigheid en trots ging hij toch op het voorstel in. Voordat hij het wist had hij getekend. Hij wist van de mogelijkheden bij het bedrijfsleven en in Tel Aviv kon hij meewerken aan een onderzoek van chemische analisten. Maar in augustus 1990 was hij begonnen met de drie maanden durende opleiding in Kiriatz Mona. Toen hij begon, was Iraq Koeweit binnengevallen. Hij was daardoor extra gemotiveerd om zijn dienst goed te vervullen. Het was hem nog eens duidelijk geworden dat de dreiging vlak achter de horizon zit.
Avlon dacht aan de afspraak met de generaal; Tijdens die ontmoeting zal de opdracht bekend worden gemaakt en worden verteld hoe het moet worden aangepakt. Het zal een soort briefing zijn. Vanaf dat moment zullen de contactpersonen geactiveerd worden. Het zal een soort D-day zijn. Tenslotte zullen de namen van zijn teamgenoten met wie hij de operatie moet uitvoeren bekend worden gemaakt. Hij wist wel wie het kunnen zijn, hij had zo'n vermoeden. Om zo weinig mogelijk te laten uitlekken wist hij niks tot de eigenlijke briefing om elf uur 's morgens.
Deze briefing betekent dat de hele organisatie zal gaan draaien. Avlon weet wat er verwacht wordt van de groep waar hij deel van uitmaakt.
Avlon deed het portier van zijn auto open en stapte in. Hij draaide de sleutel in het contact om en startte de motor van zijn Alfa Romeo. Binnen een kwartier was hij op de gewenste plaats: de universiteit van Jerusalem aan de Balfour Road.
Onderweg passeerde hij verschillende taxi's en Avlon dacht nog dat hij misschien beter de taxi had kunnen nemen zoals altijd. Op het universiteitscomplex aangekomen parkeerde hij z'n auto en liep naar het gedeelte waar Nathan Booker was gehuisvest. Het was een dorp op zich met een eigen campus, synagoge, sportcentrum en winkels. Avlon kon niet aan de idee wennen zich aan te passen aan de universiteit. Daarom woonde hij niet op de campus.
Het was vijf voor negen toen hij op de parkeerplaats een bekende tegenkwam. Avlon groette maar hij kreeg geen antwoord terug. Zeker slecht geslapen, of in gedachte bij de tentamens van volgende week, stelde Avlon.
Hij klopte aan op de deur van professor Bookers tweede huis. Zijn secretaresse liet hem binnen en zei dat hij werd verwacht. Hij had nauwelijks tijd om haar een goedemorgen te wensen en knikte vluchtig. Maar misschien was dat in deze tijd ook niet helemaal op zijn plaats. Avlon ging de kamer van Booker binnen. Deze zat achter zijn bureau aantekeningen te maken, zoals hij meestal placht te doen op zijn vrije zaterdag.
Hij keek op, `Ha Avlon, fijn dat je er bent!'
`Dag Nathan.' en na een korte begroeting vroeg Booker of Avlon nog goed geslapen had na zijn schijnbaar paniekerige reactie.
`Nee,' antwoordde Avlon, `heel slecht. Trouwens het kan geen paniek worden genoemd, ook geen onrust. Het is veel meer een gezonde spanning, anticiperen op de dingen die gaan komen. Kijk dat project, wat vandaag geïnitieerd wordt, heeft mijn volle aandacht. Nu Tel Aviv vannacht beschoten is, is mijn aandacht nog meer verscherpt. Ik dacht nog, voordat ik je vannacht belde, dat we de aanval niet over ons heen moeten laten komen. Dit moet vergolden worden!' Avlon liep naar het bureau. `Verder gaat vanmiddag m'n vriendin naar haar ouders en is er een briefing. Daarbij komt nog dat ik vannacht voor die aanval vreemd gedroomd heb en ik kan me die droom nog goed herinneren. Dat overkomt me nooit.' Hij ging zitten in een rode fauteuil voor het gladde bruine mahoniehouten bureau, `Alsof ik in m'n droom voor uit denk, alsof m'n toekomst al vast ligt.'
`Tja, dat is vreemd, maar dan moet je niet overdrijven,' onderbrak Nathan hem, `probeer die droom eens kort te beschrijven.'
Avlon vertelde over de missie van de reis, de destructie van een stad, de vogels die leken op aasgieren, de grot en het abrupte einde van de droom.
`Wie waren de mensen die je vergezelden?' vroeg Nathan Booker opeens.
`Dat weet ik niet. Ik weet zelfs niet of die droom over mezelf ging en als het zo was, wie ik dan zou zijn.'
`Nee, een heel merkwaardige droom. Alsof het je wil waarschuwen. Ik heb al een beetje inside informatie uit overleg met de generaal. Fanatiek mannetje trouwens.'
`Ja, ja, maar wat is het dan?'
`De streek waar jij gedropt wordt, ligt bij een stad met een oud gangenstelsel tot 50 meter onder de zeespiegel. Er bestaat een redelijk vermoeden, het is praktisch zeker dat Iraq daar scud-raketten heeft opgeslagen, samen met chemisch wapentuig.'
`Dromen zijn bedrog,' probeerde Avlon, `het zal wel niet zo lopen. Het speelde zich aan het begin van de jaartelling af. Pompeï was al bijna vergeten. De toestand toen is niet te vergelijken met nu. Nee, het heeft veel eerder te maken met mijn worsteling met mijn verleden. Er is zoveel gebeurt dat ik het in mijn droom projecteer op het verre verleden. Het heeft te maken met het gevoel opgesloten te zitten; Die grot, dat is klassiek.'
`Neem die droom niet al te letterlijk, ga hem niet proberen filosofisch te verklaren,' reageerde Nathan Booker beheerst, `maar vergeet hem ook niet want er is teveel wat op waarheid berust: een grot onder een stad en een ondergrondse rivier. Een stad die verwoest wordt. Er zijn daar ruim na de Iraaks-Iraanse-oorlog archeologen geweest die er veel hebben opgegraven en blootgelegd. Waarschijnlijk moet een groot deel van de oosterse geschiedenis worden herschreven en dat kan jij niet weten want het is nog niet officieel bekend.'
Avlon was even stil en zijn gedachten dwaalden af op de vroege ochtend. Nathan Booker had hij altijd op zijn woord geloofd. Maar hij had niet gedacht dat die man een waarheid in dromen zag. Hij vroeg zich vaak af wat de waarheid is. Bestond die wel? Zij kon niet gezocht worden bij de mensen want die hebben allemaal een eigen, partiële waarheid. Zij zijn allemaal een onderdeel, een afgeleide van de echte waarheid. Misschien dat mensen daarom Goden of een God hebben, een intermediair tussen hun en de waarheid.
Avlon liet de droom in zijn gedachte nog eens voorbij flitsen. De dood stond heel dicht bij, maar het kwam niet bij hem op dat zijn God zijn toekomst had verteld.
`Nathan,' sprak Avlon met een geïrriteerde stem alsof hij z'n testament opmaakte, `ik zal je zeggen wat ik wens. Ik hoop dat de generaties na mij zonder achterdocht naast elkaar kunnen leven. Wat tot nu toe niet is gelukt zal eens mogelijk moeten zijn. Onze regering en ons leger moet dan niet zo dom zijn om met fysiek geweld tegen Palestijnen op te treden zoals vorige maand op de Tempelberg.'
De professor kreeg pretoogjes en zei op een vaderlijke toon dat dat ook het te bereiken doel van de huidige generaties moet zijn.
`Het doel van jouw en mij en zij.' zei professor Booker langzaam, `De Palestijnen moeten natuurlijk ook echt willen. Om maar niet te spreken van de Arabieren. De onderlinge verdeeldheid is zo groot dat er moeilijk afspraken zijn te maken.'
Die man denkt in cirkels, dacht Avlon, hij is er al te lang bij. Hij is van een duif in een havik veranderd. `In zekere zin heb je gelijk Nathan, maar ik vind dat wij verder moeten gaan. We moeten het proberen. Give peace a chance. Laten we concessies doen aan de Palestijnen! Laten we land afstaan.'
`Jij luistert zeker naar de verderfelijke zender van die peacenik daar op de Middellandse Zee?'
`Ach nee Nathan Booker, daar gaat het niet om. Verdomme, gun de Palestijnen een autonome en onafhankelijke, zelfstandige staat. Niet om een gebaar van goede wil te maken, nee, als een start van een echte vrede in de regio. Om het feit dat het om mensen gaat, met dezelfde behoeften als wij. Een Palestijnse staat, naast een Israëlische is een middel om dat te bereiken om de behoeften te vervullen.'
`Dan krijg je een soort thuisland-effect!'
`Niet als het een soort begin is, met diplomatieke betrekkingen, opname in de Internationale Gemeenschap. Dan ontstaat er een sociale controle van dat land. Wederzijdse betrekkingen en afhankelijkheid als basis voor vertrouwen.'
`Dan moeten ze een basis voor hun economie hebben. Ze moeten handel kunnen drijven met anderen. Zee- en luchtverbindingen moeten er komen.'
Avlon overpeinsde de situatie verder `Gaza, ... de Gaza strook is een goed begin. Met een goede organisatie kun je daar olijven, druiven, grape-fruits, noem maar op, telen. Lekker arbeidsintensief -het houdt de mensen van de straat Nathan, weet je nog wel- en het zorgt voor inkomsten, een cash flow. Know how hebben de Palestijnen wel, dus als dat eenmaal goed gaat, groeien ze. Misschien is dat hetgeen waar we bang voor zijn, de potentiële concurrentie.'
`Is dat voldoende?'
`Het is het begin; De Gaza-strook en een stad op de westelijke oever, daar zou Yasser Arafat en de overgrote meerderheid van het Palestijnse volk zich wel in kunnen vinden denk ik.'
`Ja,ja, je droomt maar wat. Die man is uit op de totale vernietiging van de staat Israël!'
`Nee Nathan, dat is pertinent niet waar. Dat is nou juist het gevaar voor Israël. Wij isoleren ons in een oceanische trog door steeds maar weer ons verleden aan te halen. Het het lijkt wel of we proberen ons door Jule Vernes middelpunt heen te graven om ergens aan de andere kant van de aarde boven de grond te komen. Dan hebben we dit land zeker verlaten. We kunnen ook proberen om op een normale wijze uit de zorgen te komen. Door uit dit dieptepunt te klimmen en de Palestijnen de handen te schudden. Daarna kunnen we gezamenlijk naar het wateroppervlak zwemmen om een nieuwe toekomst op te bouwen.
Ik droom misschien, maar laten we daarover over vijf jaar weer praten. Kijk voor mij is het eenvoudig Nathan, ik weet mijn toekomst, ik heb haar gezien, maar het gaat mij om jullie, om de mensen.'
De professor zei niets. Avlon droomt echt dacht hij. Hij leeft niet nu maar in het verleden en in de toekomst. Hij heeft interessante gedachten in een eigen wereld, maar het is een gek die hem gelooft.
Maar Avlon was nog niet uitgepraat, `Ik ben niet in het leger gegaan om interessante mensen te ontmoeten en ze vervolgens te vermoorden. Ik wil dat juist voorkomen. Daarom ga ik naar Iraq om te voorkomen dat een enkele gek de toekomst van de komende generaties bepaalt. Hitler heeft ook de relatie tussen mensen voor lange tijd kapot gemaakt. Ik heb wel eens mensen horen zeggen dat de oorlog echt voorbij is als zij dood zijn. Zo gaat dat ook als Saddam zijn wapens gebruikt. Als mijn kinderen dan dood zijn is deze oorlog pas voorbij. Daarom gaan wij zorgen dat deze oorlog zich niet verder escaleert. Israël mag er niet bij betrokken raken. Dat is mijn wens en ik hoop dat deze in vervulling gaat.'
`Wat anders Avlon. ..... praat jij de laatste tijd nog wel eens met anderen over jouw idealen, over wat je graag zou zien.'
`Jawel, met m'n vriendin en wat bekenden op de opleiding.'
`Is dat alles?'
`Ja, ik dacht het wel. De laatste tijd heb ik geen mens gesproken. Ik kan de kronkelige weg naar de opleiding nu wel zo ongeveer dromen. En daar denk je alleen aan je theorie en spreek je over de praktijk. Je bent zo gefixeerd op dat ene doel wat eigenlijk heel vaag is. Het probleem is dat ik daar met niemand over mag praten. De rest ontgaat je.'
`Voor de duidelijkheid, niemand weet van het project af?'
`Nee niemand, dat klopt.' Om duidelijk over te komen zei Avlon op een relativerende en vertrouwelijke toon tegen Nathan, `Na dit project stap ik er uit. Ik wil ook wel een man van de wereld worden. De dingen doen waar ik echt zin in heb. Zien, voelen, ruiken, proeven, de dingen doen die mij interesseren!'
`Begrijpelijk, begrijpelijk.'
`Natuurlijk, jij begrijpt alles, toch?' een beetje geprikkeld vervolgde Avlon, `Verder nog vragen? Ik wil nog bij een paar mensen langs die ik hier ken en lange tijd niet heb gesproken.'
`Ja, ik zal je eruit laten. Succes met de operatie,' zei de professor, `maar wees voorzichtig met die irritatie Avlon. Teveel is niet goed voor de concentratie.'
Avlon stond op en liep naar de deur. `Je hebt gelijk, maar vertel toch eens de volledige waarheid over die elf weken. Ze houden mij bezig.'
De zon scheen door het enige grote raam van de kamer. Via een glas in de vensterbank verlichtte een zonnestraal de deurklink die Avlon omlaag wilde duwen.
`Recht op je doel af, Avlon!' riep Nathan Booker hem toe, niet ingaand op de vraag die Avlon hem stelde.
Avlon stond even stil toen hij de deur achter zich gesloten had. Hij dacht aan de droom, aan wat hij verwachtte van de operatie, wat hij zojuist had gezegd tegen Booker en aan de woorden recht-op-je-doel-af. Ja je moet wel ontzettend onnozel zijn om dit vak uit te oefenen, relativeerde hij. Booker, de theoreticus, de eendimensionale man, heeft makkelijk praten, flitste door z'n hoofd. Avlon groette de secretaresse plichtmatig voor de tweede keer en liep langs haar bureau naar de deur die uitkwam op de gang van het verlaten universiteitsgebouw.
X DE VOORBEREIDING
Verkenners hebben, enkele weken voordat Saddam Hoessein Israël bedreigde, een geheime opdracht uitgevoerd. Enkele mannen en vrouwen zijn geïnfiltreerd op Irakees grondgebied. Ze hebben daar de infrastructuur in Iraq bespioneerd en contacten met het verzet gelegd. Met deze infiltratie is een fundament gelegd voor operatie Getsémanee.
Na een zwerftocht door Iraq zijn de verkenners tenslotte door het Koerdische verzet veilig over de grens gebracht. Een bergketen die de natuurlijke grens met Turkije vormt. Dit was in augustus 1990.
In de nacht van vrijdag 18 op zaterdag 19 januari 1991, de sabbat was reeds ingegaan, wordt Tel Aviv beschoten. De ministerraad is die nacht onmiddellijk bijeengekomen en heeft besloten, nu Iraq Israël met raketten heeft bestookt, de informatie en het netwerk dat de spionnen hebben opgebouwd, moet worden gebruikt.
Voor deze sabotage-acties is de groep van Avlon geselecteerd. Het plan was dat de operatie in de week van 20 tot en met 26 januari van start zou gaan. Zaterdag 19 januari komt de groep, waarin Avlon, voor het eerst bijeen.
XI DE OCHTEND II
Op de universiteit waren niet veel mensen aanwezig. De zaterdagochtend was er debet aan, evenals de tentamens die in de nieuwe week zouden worden gegeven. De meeste studenten lagen nog in bed. De docenten waren thuis in hun huis op de universiteitsterrein en maakten zich vast gereed om naar de synagoge te gaan. Hij liep nog even buiten rond op het universiteitsterrein dat in de zomer een prachtige botanische tuin bezit. Toen besloot hij zijn auto op te zoeken en naar de briefing te gaan. Op het uurwerk in de wagen zag hij dat het al laat was.
Hij was al een aantal malen op het geheime adres geweest en wist daardoor de snelste weg. Op tijd kwam hij aan bij het onopvallende gebouw. Het was een gewoon vrijstaand woonhuis in een welgestelde buurt. Hij belde aan. Een vrouw opende de deur. Ze leidde hem naar de kamer van de generaal. Ze klopte, wachtte even en opende de deur. Daarna introduceerde ze Avlon. Geheel onnodig vond Avlon.
Hij zag daar een paar mensen in een zithoek zitten, links van de deur, achterin de kamer. Avlon groette de mensen en schudde hen beleefd de hand. De paar die hij kende, noemde hij bij hun voornaam. Avlon ging naast twee mensen, die hij niet kende, op een sofa zitten. Toen nam de generaal het woord.
`Goed, iedereen is aanwezig. Luister, jullie weten zo ongeveer waarom jullie hier zijn. Dit is de start van `operatie Getsémanee'. U krijgt allen zo dadelijk instructies in de instructiezaal. Dat u elkaar niet allemaal kent is een voorzorg. Ik zal verder niets zeggen. Laten we allen naar de instructiezaal gaan waar u meer van de aldaar aanwezige officieren zult horen.'
De generaal was inmiddels opgestaan en naar de deur gelopen.
`Volgt u mij.' zei de ervaren militair.
Avlon merkte dat de sfeer vrij gespannen was. Niemand zei wat. Het enige dat de groep deed was de oude man volgen.
Achter elkaar liepen ze de gang door. Nu is het ernst besefte ook Avlon.
Nu zal de informatie loskomen en zullen we weten wat er ons te doen staat. Dadelijk zal ik m'n opmerking maken, dacht Avlon.
Het enige dat hij wist, was dat hij zijn opdracht alleen moest uitvoeren. Hij maakte natuurlijk deel uit van een grotere operatie, dat besefte hij ook wel, maar als er iets mis ging dan kon hij alleen op zichzelf vertrouwen. Desalniettemin had hij toch het gevoel dat hij al die tijd in een vacuüm had geleefd, dat hij tijdens zijn opleiding luchtdicht verpakt is geweest. Afgesloten van de realiteit. Zelfs de groepsleden waren enigszins vreemden voor elkaar. Ze kenden elkaar niet of nauwelijks. Avlon wilde op het geschikte moment voorstellen een korte kennismaking te organiseren
Ze gingen de instructiezaal binnen. Het leek wel een bioscoop, maar het rook er naar bloemen. Het was een reusachtige zaal voor de zes personen die naar binnen gingen. Er stond een tiental stoelen, allemaal gericht op een projectiescherm. Voor dat scherm stond een katheder. Er liepen een paar mannen en vrouwen in uniform. Het waren officieren van het Israëlische leger zag Avlon. Alsof ze deze bioscoop net hadden ingericht voor de briefing.
`Goed, u kunt plaatsnemen in een van de stoelen.' Zelf ging de generaal achter het spreekgestoelte staan, `Ik zal u vertellen wat er verder gaat gebeuren, wat er op de agenda staat.'
Inleidend vertelde hij wat er aan de orde zou komen. De generaal zei wat het precieze doel van de onderneming was: één doel was het voorkomen dat de Irakezen de scud-raketten kunnen laden met het zeer giftige mosterdgas een ander doel was het vernietigen van essentiële infrastructuur. Hij noemde wat details van de hele operatie. Hij vertelde dat de coördinatie geschiedt via de centrale op de Golan hoogvlakte. Daarna kregen ze allemaal een aantal enveloppen uitgereikt. Er stond een registratiecode op. Avlon kreeg zijn code. De generaal gaf het woord aan een van de officieren. Deze schakelde de overheadprojector aan en liet een sheet zien. Het was een overzicht van het gebied waar ze zouden worden gedropt .
Het bleek dat de groep onderverdeeld was in drie afzonderlijke eenheden waarvan alleen Avlon in zijn eentje moest opereren. De groep wist niks van elkaars opdracht. Wie welke opdracht zou vervullen was onbekend.
Er werd verteld wat er moest gebeuren en welke taken zouden worden uitgevoerd; Er zou een raketinstallatie zijn op een strategisch belangrijk punt. Deze installatie moet onschadelijk worden gemaakt. Er zijn bepaalde bruggen die moeten worden opgeblazen en in een gangenstelsel onder een stad moeten vijandelijke vernietigingswapens worden gesaboteerd. Alles stond aangegeven op de sheet. Van de kaart was af te lezen dat het gaat om een gebied van ongeveer honderd kilometer in omtrek.
Officieren brachten kaki-kleurige rugzakken in de zaal. Deze werden uitgereikt. Dat is het basispakket dat voor iedereen gelijk is, wist Avlon.
`Dit basispakket bevat genoeg voedsel voor de hele operatie die, zoals gezegd, niet meer dan drie dagen in beslag zal nemen. Verder heeft iedereen zendapparatuur waarmee alleen via het centrale coördinatiecentrum kan worden gecommuniceerd.
Volg de instructies op die in de enveloppen staan en gebruik je gezonde verstand en intuïtie als iets niet strookt met de kennis uit de opleiding. Ik heb alle vertrouwen in jullie dat het zal lukken, maar laat God jullie de kracht geven dat het zal lukken.' zei de generaal terwijl hij van het spreekgestoelte naar zoom van het toneeldoek liep.
Avlon stak zijn hand in de lucht. De generaal noemde zijn naam en vroeg wat hij te zeggen had.
`Meneer de generaal, het klink misschien vreemd. Deze briefing haalt mij eigenlijk uit een roes. De roes van het kennis opdoen, het oefenen en het gefixeerd zijn op iets wat tot vandaag onbekend is. Kortom het haalt heel wat bij mensen overhoop. De normale sociale contacten zijn er niet meer bij. Ik merkte toen ik binnenkwam dat er volslagen onbekende mensen bij zitten. De gang naar dit instructiezaaltje was heel gespannen en gedwongen. We staan voor een operatie die van levensbelang is voor Israël, zo niet voor de hele wereldorde en iedereen is gespannen en heeft strak getrokken gezichten. De operatie gaat in de komende week van start en daarom stel ik voor dat we elkaar eerst wat beter leren kennen voordat we beginnen. Het is, naar ik aanneem, beter voor ons individueel, voor de gezamenlijke missie en zelfs voor het hele wereldvrede.'
Alsof de generaal niet over zijn te volgen strategie had nagedacht krabde hij zich met een potlood achter zijn oor. Hij duwde met de wijsvinger zijn bril recht op zijn neus en zei bedenkelijk, `Hmm, ik begrijp je gevoelens ten opzichte van de operatie. Dat kan de onervarenheid zijn. Wees gerust, de kennis hebben jullie allemaal. Jullie zijn voldoende getraind. Maar deze operatie berust niet alleen op techniek, ook op communicatie en wederzijds vertrouwen. Ik ben blij dat het eruit is gekomen voordat jullie vertrekken anders zou er een probleem kunnen zijn gerezen.'
De generaal zette de overheadprojector weer aan en haalde demonstratief een sheet uit een map en legde deze op de glasplaat van de projector, `Natuurlijk heb ik aan de intermenselijke sociale contacten gedacht. Sommigen werken samen met mensen die ze niet kennen, dat kan niet. Daarom heb ik een dag gereserveerd voor de kennismaking onderling. Vanavond hebben we een maaltijd en een gezellige bijeenkomst. Jullie worden morgenochtend hier terug verwacht. Tenslotte wil ik nog opmerken dat jullie bij die tafel,' en hij wees naar de lange tafel met stoelen er om heen, `de enveloppes kunnen inzien. De enveloppes moeten bij mijn secretaresse worden afgeven als jullie naar buiten gaan. Tot vanavond, mijne dames en heren.'
De briefing was voorbij maar de sfeer was nog steeds gespannen. Om de tijd te doden en de spanning te doen afnemen stelde Andrea voor te gaan zwemmen in het overdekte universiteitszwembad. Om een paar baantjes te trekken en wat te praten. Dat vond de groep een goed idee, dus togen ze in een grote stationcar naar het zwembad.
Bij het zwembad aangekomen deed de chef van het zwembad even moeilijk over de toegang. Avlon, Andrea en Nathaniël kende hij wel maar de andere drie waren onbekenden voor hem.
`Ze kunnen niet zomaar naar binnen.' zei de chef op vertrouwelijke toon tegen Avlon.
`Tjonge, wat ben jij veranderd Berri,' zei Avlon hardop, `nog niet zo lang geleden had jij toch het recht te bepalen wie er zonder pas naar binnen kwam?'
`Jawel,.. maar de regels zijn veranderd.' De chef was even stil en dacht na, `Goed, voor jullie maak ik een uitzondering.'
`Zo Berri, waarom dan? Toch iets goed te maken?' vroeg Avlon gekscherend.
`Nee nee, het is eerder een kwestie van goede gebruiken hè.'
Ze liepen naar de kleedruimtes. Vrouwen rechts, mannen links stond er op een bord aangegeven. Llivia en Andrea sloegen rechtsaf.
`Andrea, waar heb jij je badpak zo snel vandaan gehaald?' vroeg Llivia.
`Och, ik heb er altijd een in m'n auto. Ik zwem elke dag wel een uurtje.'
`Weet je dan waar je hier aan een kunt komen?'
`Je hebt er geen? Ga dan maar naar Berri, hij heeft altijd wel enkele in voorraad. Verliezen is heel menselijk.'
Andrea had zich verkleed en liep naar het zwembad. Daar zag ze Petor als eerste.
`Hé, wie als eerste in het water ligt.' riep Petor naar Andrea en hij sprong in het water. Met een krijs kwam hij boven water, `Oh, gatver..' krijste hij, `wat is dit water koud!'
`Ben je gelijk afgekoeld. Uh, hoe heet je ook alweer?'
Verontwaardigd kwam Petor uit het basin en ving de handdoek die Andrea uit de kast had gehaald.
`Een beetje dom om in water te springen dat je niet kent.' De anderen kwamen er ook aan, `Ik heb iemand gekend die dat ook deed. Hij dook in een ondiepe plas. Hij heeft nu een dwarslaesie. Zonde van zo'n jonge vent. Maar ja, onnadenkend of onvoorzichtig, 't is maar hoe je het wil noemen.'
`Waar heb je het over?' vroeg Moses.
`Wie het eerst in het water is!'
Moses liep naar de rand van het bad en voelde de nattigheid, `Van mij mag je, maar voor mij wordt het een langzame koude gewenning.'
`Ja, ik denk dat dit bad niet helemaal het bad is om even lekker te zwemmen.' zei Nathaniël toen hij ook de temperatuur van het water controleerde.
`Klopt, het zwembad is aan de andere kant van dit bad. Dit basin is er voor als je uit de sauna komt.' bevestigde Avlon, `Hé, waar is Llivia?'
`Ze is een badpak bij Berri aan het uitzoeken. Ze heeft er geen bij zich.'
`Hà, voor haar grootte is er geen badpak voorradig!' zei Petor die de handdoek om zich heen had geslagen.
`Flauw hoor.' zei Andrea. Het was even stil.
Moses doorbrak de stilte, `Jij bent al nat Petor, al gezwommen? Koud hè?'
`Nou Moses zorg jij maar dat jij een vetlaag krijgt anders heb je teveel moeite om je hoofd boven water te houden!'
`Niet brutaal worden Petor. Drijfvermogen heb jij niet nodig met al dat zaagsel in je kop!'
`Hé, rustig jullie .., wij willen hier geen gedonder. Dat kunnen we helemaal niet gebruiken,' Avlon liep in de richting van het zwembad, `Volgende week zullen we onze vriendschap nodig hebben. Nu wil ik weten...'
Andrea onderbrak hem, `Ik haal Llivia op!'
`... waar jullie elkaar van kennen.' vervolgde Avlon.
`Ik vertel het je een andere keer nog wel, nu niet. Er is te veel gebeurd in het verleden.' en op een wat gedrukte toon vertelde Moses dat zijn vriendin hem verteld heeft wat er tussen haar en Petor is gebeurd, `Petor is nu jaloers, zeker weten. Hij heeft haar verloren.' zei hij daarna quasi triomfantelijk.
`Ik heb niks verloren, Moses, dat weet je best!' riep Petor Moses toe. Dreigend liep Petor op Moses af, `Pas op jochie, je weet niet wat er precies is gebeurd. Je gelooft maar wat. De waarheid komt nooit onder jouw ogen. Denk dat maar niet.' riep hij tegen Moses.
Ondertussen kwam Andrea met Llivia terug, `Hè jongens moet dat nou, die meningsverschillen. Ik dacht dat we hier lekker konden gaan zwemmen voor het eten.'
`Naïeveling ...' vond Petor in hozéé-stemming.
`Oké, wie het eerst in het water is!' riep Nathaniël anderen toe. Maar ditmaal sprong Andrea met een sierlijke duik als eerste in het water.
Nathaniël was verbaasd, `Waar heeft zij zo leren duiken? Ongelofelijk!'
Direct nadat hij dat zei sprong Llivia op een minder elegante wijze in het water, `Kom op joh, lekker temperatuurtje.' riep ze vanuit het zwembad.
Nathaniël liep op de duikplanken af, `Rendez vous, hier is alles gaan rollen.' zei hij tegen zichzelf. Toen hij nog op de universiteit studeerde was hij vaak te vinden in dit zwembad. Die jongen heeft talent zei men. Hij dook van de vijf meter plank in het water.
Nathaniël is na de Tweede Wereldoorlog geboren in Bayonne, aan de Atlantische Oceaan en de voet van de Pyreneeën in het Zuidwesten van Frankrijk. Zijn vader was daar bankier. Later is het gezin geëmigreerd naar Israël. Zodoende heeft hij een dubbele nationaliteit. Door die dubbele nationaliteit kon hij deelnemen onder de Franse vlag aan de universiade in Moskou. Daarom was hij veel uren in dit zwembad te vinden om te trainen voor de vijftig en honderd meter rug- en vlinderslag. Zijn deelname was de dekmantel voor heel andere activiteiten, maar hij mocht natuurlijk niet afgaan op de afstanden. Dat was zijn eer te na. Daarom trainde hij. Per slot van rekening had hij de mogelijkheden. In Moskou had hij de opdracht om gegevens over raketten, die onder andere door de Sovjet Unie aan Iraq waren geleverd van enkele spionnen over te nemen en op microfilm mee te smokkelen naar Frankrijk. Vanuit Frankrijk zou het dan worden overgebracht naar Israël. Omdat hij derhalve al bij de zaak van de scud-raketten was betrokken en gedetailleerde gegevens over de betrokken raket wist, werd Nathaniël als de aangewezen persoon beschouwd om zich ook in dit geval met de rakettenkwestie bezig te houden.
Moses zwom ook al. Hij was er bij het trappetje ingegaan juist toen Llivia er aan kwam lopen. Moses was geen zwemmer. Water vermijdt hij als het even kan. Dit keer was het niet te vermijden. Hij had geen zwembroek bij zich en hij wist niet dat je in nood er een bij de gevonden zwembroeken kon halen maar gelukkig had hij een goed zittende boxershort aan. Daar kon hij wel in zwemmen.
Moses hield niet van water. Hij had er nare herinneringen aan.
Als kind is hij door Petor in de Jordaan gegooid, tenminste zo herinnert hij het zich. Kort daarop kreeg hij geelzucht.
Op school is zijn Talmud die hij van zijn vader had gekregen, beschadigd door jongens in zijn klas die met een glas water zaten te spelen. De Talmud was per ongeluk nat geworden en het inkt van de pagina's die hij bestudeerde zijn gaan vlekken. Zijn vader was woedend toen hij het vertelde.
Hij was elf jaar en had de Talmud voor het eerst mee naar school. Het was een afgang.
Niet lang daarna verdronken zijn ouders nadat ze door een ongeluk in de auto in het water belandden. Moses werd bij familie in New York ondergebracht. Daar vonden zijn familieleden dat hij moest leren zwemmen. Hij is met tegenzin naar de lessen gegaan maar heeft het zwemmen onder de knie gekregen. Daarna is hij nooit meer gaan zwemmen. Hij haat water!
Hij weet natuurlijk wel dat de Moses uit het Oude Testament het Joodse volk door de drooggevallen Rode Zee naar Palestina leidde. Maar hij vindt niet dat juist hij daar aandacht aan zou moeten besteden.
Moses vindt het heden belangrijk. Daarom heeft hij de religieuze opvattingen van zijn ouders verlaten, mede op aandringen van zijn New Yorkse familieleden. Hij is na de college naar de universiteit van New York gegaan. Daar studeerde hij Natuurkunde en heeft hij het echte New Yorkse uitgaansleven leren kennen evenals het rechtse gebral. Dat beviel hem niet. De studie maakte hij niet af en hij vertrok naar Jerusalem. Daar studeerde Moses verder aan de universiteit. Hij woonde eerst teruggetrokken in zijn oude wijk, de Mea She'ariem, maar al snel voelde hij zich er niet meer thuis. Hij is de gewoontes van de Haradiem niet meer gewend. Moses is tegen het afwijzen van het zionisme op religieuze overwegingen en volgens hem is ten slotte iedere jood in Israël een zionist of hij wil of niet. Daarom vindt hij dat iedere volwassen Joodse man in het leger moet dienen om zijn land te beschermen. Zelf heeft hij het verwijt gekregen dat hij laat in het leger is gegaan. In 1987 ging Moses, na 2 jaar extra studie toch voor 3 jaar in dienst. In 1989 bleek dat een generaal hem had gerecruteerd voor een speciale elite-eenheid. Niet om zijn fysieke souplesse, maar wel om zijn technische kennis. Moses kon zijn selectie natuurlijk afslaan maar hij was teveel een nationalist om voor de eer te bedanken. Maar door de fanatische generaal is hij zo overtuigd van zijn krachten en het doel van de speciale eenheid dat hij heeft getekend. Voor hem heeft meegespeeld dat hij dan uit de bezette gebieden kon blijven waar hij iedere dag weer veel leed zag. Vooral sinds de intifada was het raak. Kinderen van 10 of 12 jaar die met stenen gooiden, werden opgepakt, geslagen, geschopt kortom mishandeld. Dit was geen zionisme voor hem. Dit was legitieme terreur en daar zouden de Palestijnen een keer onder vandaan komen. Moses vergeleek het Palestijnse en Joodse volk met communicerende vaten. Alleen door kunstgrepen kon het water aan de ene kant op een ander niveau blijven. De waterspiegel zal bij gelijke druk op hetzelfde peil staan. Het wapengekletter en het Israelische politionele optreden verhoogden de druk alleen maar. Geen wonder dat de stenen, de moorden en de Palestijnse milities dan een compensatie zijn. Als communicerende vaten zo zou je het leven kunnen zien. Intermenselijke relaties zijn toch gebaseerd op dat concept? Cognitieve consistentie en dissonantie-theorieën zijn toch gebaseerd op die eenvoudige stelling om te zorgen voor een positieve attitude. Een fout was dat er niet werd gepraat tussen het Israelische en Palestijnse volk. Officieel contact was zelf verboden. Moses vroeg zich af wat hij dan deed in een groep met een aantal conflicterende elementen. Hij was daar een van, Petor en de generaal de anderen en misschien was de balans bij de andere positieve elementen ook wel negatief. Dit kan nooit wat worden, dacht Moses bij zichzelf terwijl hij zich van het trappetje afzette.
Petor hield een bal voor zich in het water.
`Hé Moses!' riep hij en gooide de bal naar Moses, `vangen!'
Moses watertrappelde, hij was afwezig en in gedachten verzonken. De bal plonste vlak voor hem in het water. Er werd geschreeuwd naar Moses om de bal te gooien. Tegen wil en dank werd hij betrokken in een spel waterpolo. Petor, Moses en Llivia en Avlon tegen de rest. Nathaniël en Andrea zwommen als de besten maar tegen de numerieke overmacht waren ze niet opgewassen.
Na het spel gingen ze naar de kant. Ze waren moe, uitgespeeld. Andrea vroeg aan Berri of de bar open kon. Volgens Berri was dat niet zo verstandig. In verband met de tentamens de ruimte was niet verwarmd en het zou toch maar een rommeltje worden volgens hem. Het zwembad was alleen geopend. Hij zei nog dat ze geluk hadden met hem.
`Ja Berri, bedankt.' zei Avlon.
Ze verkleedden zich en vertrokken met de stationwagen naar het huis waar ze zouden gaan eten. De sfeer raakte meer ontspannen.
In de auto was het Andrea die vroeg, `Zeg, dat meningsverschil, wat doen jullie eraan?'. Ze richtte haar blik op Petor en Moses.
`Ach, Andrea, ik moet er mee leven. Petor geeft toch z'n fouten niet toe.'
`Haha, ik moet er mee leven, wat dacht je van ons. Wij zijn afhankelijk van jullie.' weersprak Avlon.
`Juist Avlon. Zij moeten het uitpraten.' viel Nathaniël hem bij.
`Goed,' zei Petor, `Ik praat wel met hem. Maar dan zal er ook alles uitkomen.' Het was stil gedurende de verdere rit naar de buitenwijk van Jerusalem.
XII EEN VERSTEEND VERLEDEN
De zes waren inmiddels bij het huis gearriveerd toen het donker werd. De secretaresse opende de deur. Het rook naar fruit in de villa; Fruit en gestoofd vlees volgens Nathaniël. Ze liepen achter de vrouw aan die de deur had geopend.
De hal was groot maar de trap in de hal was opvallend. Het was een wenteltrap recht naar boven. Terwijl de vrouw de trap opliep zei ze dat het ongebruikelijk was om de keuken en eetkamer boven te hebben, `het is de excentrieke smaak van de generaal.'
`Wat is ongebruikelijk? Het is vreemd als je je wast in de keuken als je een badkamer hebt en slaapt in de badkuip met een bed in een ander vertrek. Dan ben je pas op weg naar de absolute waanzin,' zei Avlon, `Ik moet toegeven dat in mijn leven ook een periode is geweest dat ik me in de keuken waste. Dus boven eten is niet zo gek en je kunt altijd van het uitzicht over de straat genieten. Het laat een nieuw licht schijnen op de gewone dingen.'
`Oh, ik had je wel aangezien als iemand die in de badkuip slaapt, die ronding in de rug geeft het al aan.' merkte Petor op. Avlon keek Petor diep in diens katte-ogen.
`Nou ja, Nathaniël over het eten gesproken, het ruikt in iedergeval beter dan bij m'n moeder, maar die kan helaas niet koken.' grapte Llivia.
`Oh .., vandaar dat je nooit groter bent geworden,' merkte Petor op. Hij verontschuldigde zich direct. `Sorry hoor, een rot opmerking, maar ik ken iemand die bij haar ouders haast niks eet, ze eet het tekort wel ergens anders.'
`Oh, je hoeft je niet te verontschuldigen hoor, bij jouw ontbreekt wel eens aan takt en dat hoeft niet eens aan de ouders te liggen. Dat ik wat kleiner ben is niet zo'n nadeel dat heeft de praktijk wel bewezen.'
`Goed,' zei Petor, `Ik zal met Moses een gesprek hebben over onze relatie, met jouw goedvinden natuurlijk Moses. Wat die takt betreft; Ik ben gewoon iemand die zegt wat op z'n tong ligt. Ik zal misschien vaker moeten nadenken wat ik zeg. Wat jouw betreft Llivia, ik twijfel niet aan jouw kunnen. Ik ken je reputatie als bergbeklimster. Ik wil geen onderscheid maken tussen jouw en de rest, ik wil niet discrimineren, zo moet je dat niet opvatten. Ik dacht direct aan mijn kennis die nooit een hap door de keel kan krijgen bij haar ouders.'
`Je hoeft je niet te verdedigen hoor en als je dat doet doe het dan goed. Zoek niet van die excuses, die ook nog kwetsend kunnen zijn.'
`Hoezo?'
`Stel dat ik geen ouders zou hebben gehad!'
`Oh, daar heb ik niet aan gedacht.'
`Nee, tuurlijk niet, zie je wel dat je niet nadenkt over wat je zegt.'
`Ja, nu je het zegt.'
De anderen moesten lachen. Petor beet op zijn lip. Hij had het gevoel alsof zijn hoofd vuurrood werd.
`Nou goed,' zei Petor toen zijn gezicht weer de normale kleur en temperatuur aannam, `Ik ben benieuwd wat we eten. Ik hoop dat het een beetje voedzaam is want Moses en ik hebben veel energie nodig om onze meningsverschillen bij te leggen. Wat jij Moses?'
`Wat voor voer krijgen we eigenlijk?' vroeg Petor die een geweldige honger scheen te hebben, ongeduldig.
`Kan je maag zich niet bedwingen,' vroeg de secretaresse toen ze boven aan de trap stond te wachten op Llivia die als laatste de treden beklom.
`Net zo als zijn mond.' zei Llivia die net boven kwam.
`Het voer zoals jij dat noemt bestaat uit ongepelde rijst, paprika's, tomaten, casave, druiven en kalfsvlees. Verder moet je zelf maar proeven.'
De secretaresse liep over de overloop, `Hij heeft dit huis zelf gebouwd na de Yom-Kippoer oorlog. In die dagen heeft hij veel betekend voor Israël. Niemand weet dat. Waar Ariel Sharon was, was hij ook.' Ze deed de deur van de eetkamer open, `Voor alles wordt gezorgd. De wijn staat klaar. De generaal zal zo wel komen. Hij is nog in de keuken.'
De generaal liet niet lang op zich wachten. Hij kwam binnen met twee schotels in zijn hand. Als een geoefend kelner zette hij de schotels op tafel, `Nog even geduld, dit is nog niet alles.'
Toen de generaal weer met een schaal binnenkwam vroeg Nathaniël meteen waar hij aan dacht, `Wat vindt u van deze oorlog? Zijn er overeenkomsten met de zesdaagse of de Yom Kippoer oorlog en deze crisis?'
De generaal moest hard lachen, `Dit is een piece of cake.' zei hij.
Moses stoorde zich aan dat gelach. Hij maakte de opmerking dat de twee schotels symbolisch de Graal kon zijn waaruit Jezus zijn laatste avondmaal genuttigd zou hebben.
`In ieder geval wordt het bloed niet opgevangen in deze schaal.' schamperde Avlon.
`Het is niet bepaald een feestmaal.' zei Llivia cynisch en ze nam een hap van de ragoût die ze juist had opgeschept om direct te zeggen dat ze zich had vergist, `Maar het is lekker.' zei ze tegen de generaal die ook was komen aanzitten.
`Ach, men moet bij mij altijd eerst proeven.' zei hij.
`Heeft u zelf gekookt?' vroeg Nathaniël quasi onwetend.
`Ja, ik doe alles zelf. Koken heb ik in m'n diensttijd geleerd van een of andere legerkok die het zich gemakkelijk wilde maken. Je heb er weinig van nodig, het is snel en eenvoudig klaar te maken en de groenten en fruit groeien overal wel ergens.'
`Vertelt u eens over de Yom Kippoer oorlog in 1973.' vroeg Avlon.
`Daar is weinig over te zeggen. Ik was net ....' Op dat moment ging de telefoon. Deze werd opgenomen door de secretaresse die nog laat op de avond wat zat te schrijven. Ze nam de telefoon aan en schakelde meteen door naar de eetzaal, de beller onder de wacht houdend. De generaal pakte de hoorn van de haak toen de telefoon overging.
`Het is voor u, de minister van defensie wil u spreken.'
`Ah, Yitzhak, zei hij ook waarover?'
`Nee, alleen dat het dringend is.'
`Goed, schakel hem dan maar door.'
`Ja met Levi Amir, wat is het probleem minister?'
`Sjalom Levi, we hebben samen een probleem. De ministerraad is bijeen geweest en wil onmiddellijk actie. De operatie moet morgen van start gaan.'
`Ik begrijp het. Het komt voor elkaar minister. Uw reputatie is er bij gedient' De generaal legde de hoorn op de haak en richtte zich tot zijn tafelgenoten. Op zijn gezicht stond een gespannen ernst.
`De operatie gaat een dag eerder van start. Morgenochtend wordt het echt menens. Jullie staan vanaf vanavond onder mijn bevel. Dat houdt in dat jullie de nacht hier doorbrengen. De bedden staan al klaar. Maar goed laten we ons te goed doen aan het eten.'
Zwijgend aten ze hun borden leeg. Petor schepte als enige nog een keer op.
`Straks ga ik een robbertje met jou vechten. Dat jij niet dooreet Moses snap ik niet. Hahaha.'
`Zoveel is er niet te zeggen, Petor.' zei Moses.
`Oh, ik dacht dat jij wel een hele preek had. Ik kan me natuurlijk vergissen. In dat geval heb ik er wel een.'
`Eet jij je voer nou maar op.' zei Moses geïrriteerd zonder hem aan te kijken, `en denk er aan het kan je laatste zijn.'
`Zeg moet dat nou, zo'n opmerking?' vroeg Llivia, `Begrip en vertrouwen is wel iets wat we nodig hebben, niet dat softe gezeur van jullie, poeh.' Ze nam een hap. `Bah!'
Andrea, Avlon, Nathaniël en de generaal moesten glimlachen.
Opeens schaterde Petor het uit. De anderen lachten mee, incluis Llivia.
Na het eten waren Moses en Petor naar een vertrek op de begane grond vertrokken. De overigen bleven boven. De tafel werd afgeruimd en de borden, het bestek, schalen en glazen werden op het aanrecht gezet.
`Voor de afwas heb ik natuurlijk gezorgd, dat wordt wel gedaan door mijn personeel,' zei de generaal, `Je moet je werkzaamheden zo regelen dat je de dingen die je leuk vindt zelf kunt doen en de minder leuke dingen aan anderen kunt overlaten. Hahahaha.'
`Het is wel te horen wie hier de touwtjes in handen heeft.' merkte Llivia op.
`Ho, ho, ho, ho.'
`Je kunt het ook zien: na gedane arbeid is het goed rusten, Llivia.' viel Nathaniël de generaal bij, `Hij betekent al heel lang iets voor Israël. Onze generaal is een levende legende, mag je dan de dingen doen waar je zin in hebt, wat jij Avlon?'
`Ja, sorry hoor waar maken jullie je druk over.'
`Ja, precies waar maken jullie je druk over, na de missie is alles anders.' zei de generaal, `Kom, ik zal jullie de living laten zien.'
Terwijl ze de eetkamer uitliepen dacht Avlon aan de woorden na-de-missie-is-alles-anders. Wat bedoelde hij daarmee?
De living was een groot museum. Achter glas stonden opgezette dieren en fossielen uitgestald. De generaal vertelde er iets over maar Avlons ogen dwaalden af. Hij zag een ingelijste foto op een bloementafel staan. De foto viel niet op tussen de bloemen. In een oogwenk zag hij die foto. Avlon meende de personen op de foto te herkennen. Even voelde hij zich als versteend, zoals de fossielen achter het glas zich zouden moeten voelen.
Ondertussen vertelde de generaal dat hij de fossielen uit de Rode Zee heeft gehaald. `Kijk deze maakte de hele expeditie goed, dat bleek jaren later, maar goed. Een zekere Gould, een Amerikaanse professor wilde dit fossiel onderzoeken omdat het een belangrijke schakel vormde in een theorie van hem over bepaalde vormen van leven miljarden jaren geleden.'
`Sinaï zegt u, maar we zijn toch niet bij de Rode Zee geweest?' vroeg Nathaniël verbaasd.
`In de oorlog mag alles, als we vertellen wat we in de oorlog deden gelooft niemand ons. Maar er is wel veel meer gebeurd dan nu bekend is, dat verzeker ik je.'
Avlon ging op een bank zitten. Hij was die foto alweer vergeten. De anderen kwamen ook op de bank zitten. Het was even stil in de kamer. Avlon verbrak die stilte door de schoonheid van enkele schilderijen tot onderwerp van gesprek te verklaren. `Dat is een Rembrandt van Rijn!' merkte hij op.
`Nee joh, dat is een Matisse.' antwoordde Nathaniël, `Dat daar is wel een Rembrandt.' en hij richtte zich tot de generaal, `een reproduktie zeker?'
De generaal haastte te erkennen dat de meeste schilderijen reprodukties waren, `Maar,' zei hij, 'ze zijn allemaal echt geschilderd, fabrieksmatig, computergestuurd. Daarom lijken ze ook zo echt.' Hij liep naar een schilderij, `Kijk deze is echt, een Gainsborough uit het einde van de achttiende eeuw. Hij is beveiligd want het is een duur exemplaar.' Ze keken er naar. Op het doek stond een voorstelling van drie mannen die op een stoffige weg liepen. Blijkens het schilderij in de ochtend want er zat dauw op de bladeren van de planten die langs het pad groeiden, de zon kwam net op en de vogels zag je fluiten.
`Ik ga hem binnenkort verkopen want de smaak van de kunstliefhebbers veranderd.' zei de generaal zonder enige aanleiding.
Er kwam koffie en het werd zowaar gezellig. Ze praatten over de Westerse politiek en de verwachtingen van de verhoudingen na de golfcrisis. Het viel Avlon op dat de generaal oogkleppen voor had door alleen naar de militaire verhoudingen te kijken. Hij hamerde voortdurend op de gevaarlijke positie die Iraq als tot de tanden bewapende grootmacht in het Midden Oosten inneemt. Het enige voordeel is volgens hem het feit dat de leider van dat leger geen militair strateeg is, maar iemand met een beperkte militaire visie. Toen de generaal werd aangesproken op zijn eenzijdige militaire visie werd de sfeer drukker en veranderde het onderwerp van gesprek.
Petor en Moses waren niet het onderwerp van gesprek geweest toen de kamerdeur openging. Een gemaskerde man met een Uzi naar voren gericht sprong de kamer in. De generaal keek de man verbaasd en hulpeloos aan. Een andere man trad de kamer binnen op teken van de eerste.
`Down, down!' schreeuwde de tweede man en hij liep rechtstreeks naar generaal, `Where are the plans!' gebiedde hij met een Arabisch accent.
Toen iedereen op de grond lag met hun handen in de nek waagde Nathaniël de naam van Moses te roepen. Deze moest luid lachen. Hij stond voor een zichtbaar angstige generaal. Llivia riep de naam van Petor. Hij lachte ook luid. De twee mannen deden de bivakmuts van hun hoofd.
Avlon zag dat de generaal, liggend op de grond, een beetje rood aangelopen was, misschien woede.
`Goed gedaan, verbluffend goed gedaan, de vijand zal verbaasd zijn met zo'n zooitje achter hun linies, ongelofelijk.' zei de generaal terwijl hij ook overeind kwam, `Je ziet maar weer dat je altijd op je hoede moet zijn.'
`Zo te zien is alles tussen jullie beide gesettled, maar hoe moet nu tussen ons beide goed komen Moses? Na zo'n grap.' vroeg Llivia bijna retorisch.
`Sorry, maar dit is onze grap, om de beëindiging van de vete tussen ons beiden te vieren.'
`Wat ben jij egocentrisch zeg, ongelofelijk, net zoals de generaal zegt. Kun jij je nou niet even in een ander verplaatsen?'
`Ja hoor..., de eerste echtelijke klucht en ze zijn nog niet eens getrouwd.' meende Avlon die een wrang gevoel had, niet wetende waarom. Hij liet zijn ogen afdwalen naar de bloementafel en zag de foto maar hij durfde deze niet met aandacht te bekijken. Hij dacht plotseling aan de elf weken dat hij in het militaire hospitaal was. Hem was verteld dat hij een behoorlijke klap heeft gehad. Het had hem bijna zijn leven gekost. Wat er gebeurd was, werd hem niet verteld. Avlon moest het maar accepteren. Alles werd hem opnieuw verteld.
Moses keek Llivia recht in de ogen, `De ruzie is bijgelegd en de spanning is voorbij. Laten we opnieuw beginnen Llivia, vergeet alsjeblieft onze inval. Het is een begin van een nieuw begin. De vete tussen Petor en mij berustte op een misverstand. We beginnen opnieuw na de missie.' en Moses richtte zich tot de generaal, `Soms helpen woorden niet meer en dan moet je actie ondernemen. Maar vaak berust iets alleen op een misverstand en dan grijp je toch niet direct naar de wapens?'
De generaal gaf geen antwoord.
Het was alweer laat en Avlon wilde, net als de rest het bed opzoeken.
`Vraag aan mijn secretaresse waar de slaapkamers zijn!'
Verbaasd vroeg Nathaniël waarom ze nog werkte.
`Nee, ze werkt niet meer maar ruimt de keuken op.' antwoordde de generaal.
`Oh, dat zijn de mensen die uw voeten kussen?'
`Precies, jij hebt het door.'
Even later in de hal herhaalde Petor wat de generaal toegaf, `Jij hebt het door dat ze zijn maîtresse is.'
Avlon bemoeide zich er niet mee. Hij dacht aan de operatie, hij dacht aan de foto. Avlon meende vluchtig zijn verdwenen vrienden te herkennen. Hij vertelde niks tegen de anderen want Avlon vermoedde niks. Zelfs zijn fractionele seconde van verstening was hem niet echt opgevallen. Hij ging net als de anderen naar bed en wenste de overige groepsleden een goede nacht nadat het licht uitging.
In het donker overdacht hij de afgelopen vierentwintig uur. Kortstondig dacht hij aan zijn vriendin en haar ouders. Direct daarna dacht hij aan zijn opdracht: het saboteren van scud-raketten. Om Israël te redden moest het plan slagen. Bij die gedachte had hij een scherp beeld van de foto. Toen overmande de slaap hem.
XIII THUIS I
Hij werd schreeuwend wakker. Hij voelde een afschuwelijke pijn door z'n opgeblazen lichaam. Om zich heen zag hij alleen maar wit, een wazig maar verschrikkelijk wit plafond. Maar hij wist niet waar hij zich bevond. Hij herinnerde zich niets. Wat deed hij hier? Hij kon zich niet bewegen. Waarom kon hij zich niet bewegen?
Opeens hoorde hij een stem. Vaag zag hij een gezicht dat hem naderde. Hoorde het bij die stem?
Het was of zijn ogen traanden, alsof hij door een beslagen ruit keek. Alsof hij in dichte mist door de Golan-heuvels naar huis reed. Het gezicht was nu vlakbij maar toch heel vaag. Hij voelde de adem die in zijn gezicht blies. De adem rook naar koffie.
`Hallo Pim, ik ben dokter Verbeek,' zei het gezicht, `Je ligt in het ziekenhuis. Het AMC. Je hebt vanmorgen met je auto een zwaar ongeval op de Utrechtsestraatweg gehad. Alles komt gelukkig weer in orde. Je moet nu geduld hebben en rusten.'
Hij probeerde te praten maar er kwam geen geluid uit zijn mond.
`Pim, over een week praat jij weer. Je komt er helemaal weer bovenop.'
Hij begreep er niks van. Hoe komt die man er bij dat hij Pim heet, zijn naam is Avlon. AMC zegt hem niets. Alleen de taal komt hem bekend voor. Hij dacht na hoe het kan dat hij in een vreemd ziekenhuis ligt. Hij dacht aan de dag van gisteren. Hij was in een zwembad samen met een paar anderen. Vervolgens ging hij ergens met die groep eten. Wat er daarna gebeurd is, herinnerde hij zich niet meer.
Er kwamen mensen binnen in witte jassen.
`Goedemorgen meneer Paercellus, u bent nieuw hier. Ik zal u vertellen dat wij u elke morgen aan het infuus leggen. Tenminste zolang dat nodig is. Volgende week kunt u er van af zijn. Zo gaat dat in ziekenhuizen.'
`Paercellus?,' schoot het door hem heen, `infuus? Wat is hier aan de hand?'
Er boog een ander over hem heen. Deze rook naar pepermunt, `U ligt op de intensive care.' sprak de stem duidelijk. Hij was te moe om dat te beseffen en viel in slaap.
Er schoot een sterke elektrische lading door hem heen. Hij veerde mentaal op. Opeens beseft hij het weer. Hij ligt in een ziekenhuis terwijl hij in Iraq had moeten zijn. Binnen zijn beperkte gezichtsveld zag hij niemand. Hij wilde om hulp roepen maar dat lukte niet. Hij dacht aan zijn opleiding: Morse-signalen. Hij knipperde SOS met zijn ogen,
`... --- ...'
De verpleegkundige die hem via een monitor in de gaten hield zag die tekens. Zij vond het vreemd. Begreep het niet en boog zich weer over haar leesvoer. Opeens had ze een AHA-Erlebnis en ze interpreteerde het juist: SOS.
Ze waarschuwde het hoofd van de afdeling die er de behandelend arts bijhaalde.
Dokter Verbeek kwam samen met het afdelingshoofd naar de afdeling.
`Zeg heb jij nog iets gehoord van familieleden van deze jongen?' vroeg het hoofd van de intensive care in de gang. De behandelend arts beantwoordde die vraag ontkennend.
In de kamer met bewakingsapparatuur zien ze de patiënt liggen. `Dag Pim, jij praat met je ogen?'
`-----'
`Je ontvangt mij? Goed, ik begrijp morse.'
`.. ... .-. .- . .-..'
`Israël?'
`.- -- -..'
`Amb?'
`Israëlische ambassade?' vroeg Verbeek verheugd, `die moet gebeld worden?'.
`-----'
`Zeg, Willem-Pieter, wil jij de Israëlische ambassade bellen met het verhaal dat hier iemand ligt die hen wil waarschuwen.' zei Verbeek gebiedend.
`Ik ga de familie waarschuwen.' merkte Verbeek op.
`Pim alles komt goed, wij doen er alles aan om je te begrijpen.' Maar hij was al in slaap gevallen. De dokter keek op de monitor. Alles leek normaal, de hartslag, de bloeddruk, het zuurstofgehalte van het bloed, etc.
Het was acht uur 's morgens. Verbeek besloot het telefoonnummer, dat uit de portefeuille van de patiënt was gevist, te bellen. Er was niemand aanwezig. Het kan natuurlijk dat hij alleen woont, dacht Verbeek. Hij belde PTT-inlichtingen en vroeg naar de telefoonnummers van Paercellussen in de woonplaats van de jongen. Daar moet familie bij zitten, dacht hij, dat moet toch doenbaar zijn.
Ptt-Telecom deed even moeilijk vond Verbeek. Ze wilden geen telefoonnummers op alleen achternaam geven. Er moet een voorletter of adres bij zitten. Het heeft te maken met de privacy, kreeg Verbeek te horen. Verbeek vroeg of die privacy ook geldt als het gaat om het inlichten van de ouders van een zwaargewonde.
`Eigenlijk wel.' was het koele antwoord. De telefoniste zei dat als Verbeek ze toch alle negen wilde hebben, een telefoonboek echt de beste oplossing was. Maar na lang aandringen van Verbeek werd toch een uitzondering gemaakt.
Het vierde telefoontje was raak.
`Is Pim gevonden? Hoe bestaat het, we dachten dat hij dood was. Hij is alweer 10 jaar geleden verdwenen. Hij was 23 jaar toen hij verdween, op een wereldreis, hij was nog maar in het Midden Oosten. Daar zou hij een poosje werken. Hij bestudeerde de Arabische talen ziet u.'
`Hmm, meneer Paercellus, deze jongen is niet ouder dan 25 jaar. Het kan een misverstand zijn. Komt u daarom alstublieft naar het AMC zodat er zekerheid over bestaat. Of het uw Pim is al dan niet.'
`Ja ja, ik kom direct.'
Het afdelingshoofd had getelefoneerd met de Israëlische ambassade. Er was geen melding binnengekomen van vermissing, maar er kon niet met zekerheid worden gezegd of er inderdaad niemand wordt vermist. Opgaven van vermissing komen altijd wat later binnen.
`We moeten de politie er bij halen en zeggen dat er iets aan de hand is. De Pim Paercellus is 10 jaar geleden als vermist opgegeven in Israël.' zei Verbeek
`Israël?' vroeg het afdelingshoofd verbaasd.
`Ja, begrijpen doe ik het ook niet. Dit is iets voor de politie.'
Er werd door de intercom geroepen of dokter Verbeek naar zijn kamer wilde gaan. Hij dacht dat de heer Paercellus er nu wel zou zijn. Het was inmiddels een half uur geleden dat hij de hoorn op de haak legde. Hij liep naar zijn kamer terug. Voor zijn deur waren twee banken neergezet. In de ochtenduren zijn die twee altijd bezet vanaf tien uur. Nu zat er één man. Hij zat er een beetje zenuwachtig bij. Alsof hij jeuk had.
Verbeek liep op hem af, `U bent de heer Paercellus?' vroeg hij zijn hand uitstekend. De man knikte en schudde de uitgestoken hand, `Aangenaam. Verbeek is de naam. Ik begrijp dat het niet makkelijk is om na 10 jaar met het eventuele bestaan van uw zoon te worden geconfronteerd. Dat is emotioneel. Maar begrijp me goed, het is mogelijk dat het uw zoon niet is.'
`Ik begin er net aan te wennen dat hij er niet meer is. Dat alles is veranderd sinds zijn verdwijning. Maar dat hij dood is dat geloof ik niet. Hij moet het zijn. U zei toch dat het telefoonnummer in zijn portefeuille zat. Nou, dat was inderdaad zijn nummer.'
Ze liepen naar de kamer waar de patiënt lag. Hij sliep.
De heer Paercellus liep naar het bed. Hij keek de jongen aan.
Het drong tot hem door dat hij naar zijn zoon keek. De heer Paercellus was het even te veel. Hij draaide zich om en keek in het gezicht van Verbeek. Die zag dat Paercellus' ogen traanden.
`Het is Pim,' riep Paercellus, `God hoe kan het, na 10 jaar?'
`Kom we gaan naar mijn kamer. Daar is het rustig en ook uw zoon heeft rust nodig.' Verbeek sloeg zijn arm om de schouders van de heer Paercellus en bracht hem naar zijn kamer. Op Verbeeks kamer vermande de man zich.
`Kijk' zei hij, `Ik heb nog een foto meegenomen van hem samen enkele reisgenoten die hij op de boot naar Israël ontmoette.'
`Waar is dit?' vroeg Verbeek.
`Op de boot van Cyprus naar ... God mag weten hoe die rotstad heet. Daar zijn ze verdwenen. De fotograaf is de laatste die Pim heeft gezien. Ik ben er geweest, heb hemel en aarde bewogen om iets te weten te komen, maar niks: daar loopt het spoor dood.'
Ondertussen was hij die Pim scheen te heten, meer bijgetrokken. Hij herinnerde zich het zwembad en het eten bij de generaal, het telefoontje dat de groep direct in actie moest komen. Hij herinnerde zich zelfs de namen van het team dat ze vormden: Llivia, Andrea, Moses, Nathaniël en Petor. Ook zijn eigen naam: Avlon Hij herinnerde zich de briefing in de ochtend, zijn code, operatie Getsémanee.
Hij was zich er van bewust dat hij in het land van zijn ouders was. Dat hij in Nederland was. Hij vond het ongelofelijk. In plaats van Iraq was hij in Nederland. Hoe is hij daar gekomen? Waarom noemen ze hem Pim? Wat is er allemaal gebeurd?
`Ik moet de ambassade van Israël zien te bereiken en mijn code en de naam van de operatie, Getsémanee, doorgeven.' dacht hij bij zichzelf. In zijn opleiding had hij het morse alfabet geleerd. Dat was de manier om zichzelf kenbaar te maken.
Hij knipperde met zijn ogen. Driemaal kort, driemaal lang en weer driemaal kort, maar ditmaal kwam er niemand langs. Het duurde een eeuwigheid voordat er ook maar iemand in de kamer binnenkwam.
Op een gegeven moment werd de deur geopend. Avlon hoorde het piepen. Verbeek en zijn gevolg kwam binnen.
`Pim,' zei hij, `Je vader is geweest. Hij herkende jou. We gaan je nou eten geven, je bed verschonen en je proberen rechterop te zetten. O ja, je vader zal proberen je moeder te bereiken.'
`Nu moet ik wat doen,' dacht Avlon, `Ik moet de boodschap overbrengen.' Hij knipperde weer SOS.
`.. ... .-. .- . .-..'
`Israël?'
`.- -- -..'
`Amb?'
`--- .--. . .-. .-'
`Herhaal alsjeblieft'
`--. . - ... . -- .- -. . .'
`Getsémanee'
`Operatie Getsémanee?'
Inmiddels was het afdelingshoofd er ook bijgekomen.
`Willem, de ambassade moet weer gebeld worden. Geef aan hen door dat ze het ministerie van defensie in Tel Aviv er bij moeten halen in verband met operatie Getsémanee.'
`Nou Sjees als jij dat wil, gebeurt het.' zei het afdelingshoofd en hij liep naar zijn bureau.
`Gelukkig,' dacht Avlon, `er gebeurt wat.'
De verpleegkundigen tilden hem op. Ze verwisselden het laken dat onder hem lag en legden hem weer neer. Avlon probeerde zijn armen te bewegen. Het lukte niet. Hij voelde zich verlaten en wilde zo snel mogelijk naar huis.
Tegen de middag had de heer Paercellus zijn ex-vrouw opgespoord en haar het goede nieuws verteld. Ze was opgewonden en zei dat ze onmiddellijk naar het ziekenhuis zou gaan om haar kind te zien. Ze kon het niet geloven, na 10 jaar.
Ze was inmiddels bij het ziekenhuis gearriveerd. Vier uur nadat de heer Paercellus de patiënt als zijn zoon had geïdentificeerd.
De moeder van de verloren zoon liep naar de ingang van Intensive Care. Daar vroeg ze naar het afdelingshoofd. Deze kwam onmiddellijk werd gezegd. Ze mocht wel even gaan zitten zei de secretaresse van het hoofd. Ze ging zitten. Het liefst stak ze een sigaretje op maar er mocht niet meer gerookt worden in ziekenhuizen. Het was alsof ze opsteeg in een vliegtuig. Ze slikte haar spanningen weg.
Opeens ging er een deur open en stapte er een vrij jonge man op haar af.
`Hallo, Willem Van Amerongen is de naam. U bent mevrouw Paercellus?'
`Ja, eh nee, ik ben mevrouw Laagerwal. Mijn ma.., ex-man Paercellus is hier geweest in verband met onze zoon Pim. Ik wil hem ook graag zien.'
`Dat begrijp ik, maar ik moet u er op wijzen dat hij niet kan praten. Hij is nu wel wakker. U mag er even heen. Wilt u mij volgen.'
Ze liepen door de gang naar de kamer van de patiënt. Mevrouw Laagerwal betrad de kamer na het afdelingshoofd. Verbeek was er ook bij. Hij ging na de vrouw naar binnen.
Toen de vrouw Avlon zag, keek ze hem even in de ogen en scande zijn gezicht.
Ze slaakte een kreet, `Dit is Pim niet. Hij heeft geen litteken boven zijn linkeroog.'
De twee artsen keken elkaar aan. `Weet u het zeker mevrouw?' vroeg Verbeek, `Uw man, ex-man, zegt dat hij het is.'
`Wat weet hij verdomme nou van mijn kind.' Ze keek nog eens goed. Avlon glimlachte tegen haar. `Hij heeft geen moedervlek op zijn voorhoofd. Nee, hij is mijn zoon niet, wat mijn ex tegen u heeft verteld klopt voor geen meter.'
`Bent u er zeker van? Zijn rijbewijs stond op naam van Pim Paercellus en de auto idem dito, woonplaats Amsterdam.'
`Zijn woonplaats was 10 jaar terug Huizen. Na 10 jaar krijg ik dit nog op m'n dak. Wat denkt hij wel die klootzak, mij nu nog een hak te zetten?!'
`Ja mevrouw,' probeerde Verbeek, `ik begrijp dat u er moeite mee heeft. Het roept weer allerlei emoties op.'
`Nee jullie begrijpen het niet. Anders hadden jullie ons er toch niet direct bij gehaald?!'
`Wellicht hadden wij alles via de politie kunnen spelen. Maar in ons protocol staat dat wij zo spoedig mogelijk de familieleden zullen waarschuwen als de politie dat nog niet heeft gedaan.'
`Nou fijn, bedankt. Sterkte met de patiënt.'
Door de intercom van het AMC klonk de oproep aan dokter Van Amerongen zich omiddellijk naar zijn kamer te begeven.
`Ik moet jullie even alleen laten.' zei Van Amerongen.
Zodra hij uit zicht van de kamer was, spurtte hij zich naar zijn eigen kamer die eigenlijk zo dichtbij was dat het overbodig was zich te haasten.
`Het is de ambassade.' zei de secretaresse.
`Goed, geef maar hier.' hij nam de hoorn in de hand, `Met Van Amerongen.'
`Hello mister Van Amerongen, this is the Israelian Embassy in The Hague. You got a patient who is talking about operation Getsémanee?'
`Yes, but actually, he doesn't speak, he communicates with his eyes. Morse-signs. But he mentionned Getsémanee.'
`Well, operation Getsémanee had something to do with the Gulf War last Januari. But it is a secret only a few people know.'
`Oh? I think I don't understand.'
`No, I guess you don't, mister Van Amerongen, today some people from our Embassy and I will come to your place to see the patient.'
`That's fine, please make an appointment with my secretary.'
`Eh yes, but don't tell anybody about this matter. It's for your own savety.'
Van Amerongen gaf de hoorn aan zijn secretaresse, haar opdracht gevend een afspraak te maken.
`Jezus wat is dit?' dacht hij. Hij liep naar de kamer van de patiënt. Verbeek en de vrouw waren niet meer in de kamer.
`Dus je komt uit Israël?' vroeg Van Amerongen aan de patiënt. Avlon knipperde met z'n ogen, niet begrijpend waarom het allemaal zo vaag bleef.
`Luister Pim, vanmiddag komen mensen van de jouw ambassade je opzoeken. Ze hebben wat vragen en ze zullen je dan wel zo spoedig mogelijk overbrengen naar Israël.' zei hij ditmaal in hoog-Engels.
Avlon vond het maar vreemd dat de artsen nog steeds niet naar zijn naam hebben gevraagd of de tijd hebben genomen met hem te communiceren. Het leek wel eeuwen geleden dat hij in dit ziekenhuis wakker werd en er was nog steeds niks gebeurd.
Het was een kwestie van leven en dood toen er, 10 minuten nadat Van Amerongen was geweest, complicaties voordeden bij Avlon. De hartbewaking vertoonde onregelmatige bewegingen. De verpleegkundige die nog steeds in de controlekamer zat, zag en hoorde het als eerste en sloeg direct alarm. Onmiddellijk stonden er vijf mensen om hem heen. Hij werd op de zuurstof aangesloten. Maar het was echt mis. Een bloedprop veroorzaakte een inwendige bloeding doordat nog niet hersteld weefsel werd beschadigd. Van Amerongen en Verbeek waren terstond ter plekke. Ze deelden orders uit toen de diagnose was gesteld, maar iedereen wist wel wat hem te doen stond. De patiënt moest in een stabiele toestand worden gebracht om de bloedprop te kunnen verwijderen.
Hij lag daar doodstil in zijn ziekenhuisbed. Verbeek stond over hem heen gebogen. De situatie van zijn patiënt was weer stabiel.
`We zullen je moeten opereren Pim. Die bloedprop moet worden verwijderd. Dus wees sterk en hou het nog een poosje uit.' zei hij zachtjes tegen zijn patiënt maar hij bedoelde het om zichzelf moed in te spreken. Het was alsof er een groot risico aan verbonden was, alsof Verbeek bij het graf van een levende stond.
XIV DE OPERATIE
Avlon stond op het militaire vliegveld even buiten Tel Aviv. Voor de opkomende zon stond een klein vliegtuig die het zonlicht aan zijn ogen onttrok.
Na Petor stapte hij het vliegtuig in. Sinds gisteravond had hij even geslapen. Constant had hij zijn gedachten bij de operatie. Hij zou naar een grottenstelsel in zuidoost Iraq worden gevlogen. In zijn opdracht stond beschreven wat hij kon verwachten. Het waren scuds, opgeslagen in ondergrondse silo's waarvan hij moest proberen de lading onschadelijk te maken. Er was een duidelijk leesbare plattegrond bijgevoegd. Avlon wist niet of hij er wat aan zou hebben en voor de zekerheid stak hij het in zijn broekzak.
Ze stegen op en voor ze het wisten, vlogen ze hoog boven Jordanië. Op de grond waren ze alleen met een goed geoefend oog te zien. Saoedi Arabië naderde. Een woestijn met af en toe een boorput in de steeds feller wordende zon. Boven Iraq werd de sfeer gespannen.
Hij kreeg het teken zich gereed te maken voor de sprong. Elk moment kon Avlon het sein krijgen te springen. Toen hij sprong had hij het even Spaans benauwd. Maar een ogenblik later voelde hij zich sterk. Bungelend aan zijn lichtblauwe parachute voelde hij zich als een roofvogel dat zich op zijn prooi stort. Hij landde in een kloof aangegeven op het kaartje. Na zijn parachute opgerold te hebben moest hij eerst contact maken met de centrale. Als iedereen op zijn plaats was zou er een sein van de centrale komen dat de operatie kon beginnen. Daarom had Avlon nog even de tijd om zich te oriënteren op de omgeving.
Het was er dor, maar in de vallei stroomde wel een riviertje. Deze zorgde voor een vochtige lucht en voor leven beneden in het dal. Er groeiden daar een aantal struiken, wat gras en distels. Hij zag dat het stroompje uit één van de heuvels te voorschijn kwam maar besteedde er geen aandacht aan. Hij zou door het water moeten waden om de ingang van de grot die op de situatieschets stond, te bereiken.
Hij had zijn valscherm opgerold en weggestopt onder een paar uitstekende rotsblokken. Hij had zichzelf, met de zender en zijn rugzak, verborgen aan de rand van de kloof.
Hij wachtte op het signaal uit Israël. Het duurde daarna niet lang of het geluid klonk. Avlon deed zijn rugzak op en liep naar het stroompje. Hij doorwaadde het water en zag de grotingang die ook op de kaart stond. Alles was nog eenvoudig verlopen tot dan toe.
In de grot zou hij na een poosje mensen van het binnenlandse verzet ontmoeten. Zij zouden hem leiden naar de plaats waar de raketten zijn opgeslagen. Avlon betrad de grot. Een paar meter in de grot deed hij zijn zaklamp aan. Vleermuizen hingen aan de wanden. Avlon zag dat de grot zich vernauwde en dat hij alleen door een spleet kon. Toen hij zich door die spleet gewrongen had, hoorde hij water kabbelen.
`Dat zal de ondergrondse stroom zijn.' dacht Avlon.
Hij liep voorzichtig verder. Het werd allengs gladder. De vochtigheid nam toe. Een paar keer gleed Avlon uit ondanks de rubberen zolen met zuignapjes.
Hij had geen oog voor de kalkformaties die hem vergezelden en toekeken hoe hij voortstrompelde over het gladde kronkelige pad. Niet dat de stalagtieten en stalagmieten onzichtbaar waren, dat niet. Hij was gewoon geen speleoloog. Hij had een missie. Avlon had een zware passage achter de rug en stond voor de grotrivier. Het was een woeste rivier, met draaikolken en stroomversnellingen. Plotseling hoorde hij stemmen van mensen boven het lawaai van de rivier uit. Hij verschool zich direct in een donkere spelonk. Natuurlijk dacht Avlon aan het verzet. Zij zouden hem hier ergens opwachten, `Maar dan gaan ze toch niet zo'n lawaai maken?' dacht hij.
Avlon sprak zijn talen goed, waaronder Arabisch, maar dit kon hij niet verstaan. Het was te ver weg. Hij wachtte tot het geluid dichterbij zou komen. Dat deed het niet. Daarom kroop Avlon uit de spelonk en sloop richting het geluid, zijn rugzak en zender achterlatend. Hij kon dichterbij komen en hoorde de mannen duidelijker.
`Hij komt toch niet. We zijn verraden door die Israeli's.' hoorde Avlon.
`Dit is het verzet,' dacht hij, `Ze zitten te wachten.' Hij kroop terug naar zijn zender. Met de zender moet dat verzet op de hoogte worden gebracht. Zij zullen dan één man sturen die het wachtwoord weet. Als dit een valstrik is dan is er tijd genoeg om te ontkomen en de centrale in te lichten.
Avlon zond het bericht uit. korte pieptonen die samen een woord vormden. Het bereik van die impulsen was maximaal 500 meter. Hij hoorde gejuich. Weliswaar gedempt maar duidelijk genoeg. Minuten later kwam er inderdaad een gedaante aanlopen. Toen het op gelijke hoogte aan de andere kant van de ondergrondse rivier was, riep Avlon, `Sjalom!'
Het gestalte hield zijn pas in, richtte zijn blik naar de overzijde en haalde diep adem.
`het initiatief is aan ons.' riep een man.
`Goed zo,' dacht Avlon, `het woord is er uit.'
Avlon kwam te voorschijn, `Sjalom.' riep hij naar de verzetsstrijder die hem wenkte mee te komen.
Avlon liep mee met de strijder. Bij zijn groep gekomen wees de man naar Avlon. Een grote man met een zware zwarte baard stond op en riep over de stroom heen dat Avlon hem moest volgen.
`Alles gaat volgens de procedure,' dacht Avlon, `dadelijk komen we bij een touwbrug.' Inderdaad: twee strak gespannen touwen overspanden de rivier.
Avlon had zijn rugzak stevig op zijn heupen vastgesjord. Maar dacht toch toen hij de brug zag, dat het beter was de rugzak aan het bovenste touw vast te maken. Hij deed dat. De leider aarzelde niet, liep over het touw alsof hij het dagelijks deed en pakte de rugzak beet en sleurde het mee naar de overkant. Avlon bond de zender vast en kwam over de brug.
Daar omhelsde de leider hem. Avlon vertelde hem dat de operatie is vervroegd omdat Tel Aviv is beschoten en dat hij er is om de raketten te saboteren. De leider moest lachen. De anderen lachten met hem mee. Avlon voelde zich in een penibele situatie.
`Het is dat we een gezamenlijk doel hebben anders zijn we zeker geen vrienden.' dacht hij. In het Arabisch zei Avlon dat hij haast wilde maken met de operatie.
Er was een spottend gelach te horen. De leider keek Avlon vragend aan.
`We moeten snel onze slag slaan en weer vertrekken. Hoeveel tijd zijn we kwijt om de silo's te bereiken?' vroeg Avlon snel aan de leider om zijn opmerking te doen vergeten.
`We zijn dichtbij. Boven ons zijn nog meer grotten. Die kunnen we met ladders bereiken. Daar weer boven zijn de silo's. Ze liggen als het ware op het maaiveld. De mobiele scuds zijn zo eenvoudig uit te rijden en na de actie weer te verbergen,' de leider kuchte en mompelde cynisch, `Duitse ondernemingen hebben ze uitgehouwen.'
`Och ja, waar Duitsers al niet goed voor zijn, hè.' merkte Avlon op.
De leider grijnsde, `Bewaking is er niet op de eerste etage, wel op de daarna volgende etages,' en hij vervolgde, `Ik heb wat nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat één man het niet alleen kan. Daarom zijn wij bereid je te helpen. Wij kunnen die bewakingspost afleiden. Jij kunt dan ongestoord je werk doen.'
Avlon dacht na, `Goed dan, ik heb een of twee vrijwilligers nodig, wie van jullie is bereid mee te gaan? Het kan gevaarlijk worden dus doe het niet als je al kinderen hebt.'
`Allah zal ons behoeden en wij zullen veilig terugkeren naar ons dorp. Wij zullen vechten voor een dagelijks bestaan waarin geen honger meer wordt geleden en de kou niet wordt gevreesd. Wij gaan mee.' Twee mannen van achter in de twintig stapten naar voren, `Moge Allah ons behoeden.'
Avlon wees naar de nylon lijnen die de groep op de het uitgesleten pad had liggen, `Die moeten mee, evenals stijgbeugels, pinnen en mijn eigen rugzak.' Hij richtte zich tot de baardige man, `De radio laat ik achter. Als er wat mocht gebeuren dan moet, als het nog kan, een gecodeerde boodschap naar het hoofdstation worden verzonden. Je weet hoe het apparaat werkt. De code is driemaal Z Y X. Daarna moet de radio vernietigd worden.'
`Dat begrijp ik, maar hoe weet ik dat er problemen zijn
en bij welk probleem moet ik het bericht uitzenden?'
`Vannacht gaan wij de operatie uitvoeren. Om 22.45 uur gaan we van start. Dan schakelen we de eerste wachtposten uit. Tegen twaalven zijn we bij de silo's. Om 0.30 uur schakelen we de controle-post uit en tegen 1.40 uur moet ik de mobiele installaties gesaboteerd hebben. Daarna gaan we weer terug. De terugtocht moet snel geschieden omdat de uitgeschakelde wachten snel zullen worden opgemerkt. Tegen 2.30 uur zijn we op de huidige verdieping en dan wordt het rennen.'
`Van te voren uitgewerkt in de studeerkamer? We houden het op half drie. Dan halen we jullie op bij de rivier.' De aanvoerder wees naar twee pakketten oranje rubber en een pomp, `In rubberboten zijn we minstens twee keer zo snel en we komen stroomafwaarts precies waar we wezen moeten in de vallei van de ochtend. Daar zullen de Amerikanen een chopper heen sturen als wij in hen waarschuwen.'
`Jullie ook al?' vroeg Avlon.
`Hoezo, jullie ook al. De Amerikanen hebben ons sinds de val van de sjah gesteund. Financieel, kennis en met wapens. Mijn dochter studeert zelfs in de States. Op kosten van de CIA. Is dat nieuw voor jou?'
`Eh nee,' stotterde Avlon, `Maar ik vraag me wel af waar die Amerikanen en Britten mee bezig zijn met hun voor het oog verborgen imperialisme.'
`Tja ..., dat moet je mij niet vragen. Wij strijden voor een goede zaak. Net als jij. Ik heb wel het gevoel dat onze verstandhouding beter kan worden als het regime van Saddam kan worden gebroken en jullie de Palestijnen met rust laten. Wij zullen jullie met rust laten want zeg nou, wat hebben wij aan een stukje land aan de zee. Het is veel te dicht bij Europa. Dan krijgen we problemen met Spanje, Frankrijk, Italië, Griekenland en....' voegde hij er fijntjes aan toe, `misschien ook wel onze oude vrienden de Britten.' Geheel ongevraagd had de bebaarde aanvoerder zijn gedachten de vrije loop gelaten.
`Ach dat is allemaal utopie. Feit is dat Saddam de wereld in angst houdt. Het is trouwens al laat en eigenlijk wil ik nog even wat rusten voordat we vertrekken.' reageerde Avlon.
Avlon rustte nog zo'n drie uur op een van de opgeblazen oranje rubberboten daarna stond hij op en riep de verzetsleider, `Het is nu 21.30 uur. We moesten maar pakken om om 22.00 naar boven te kunnen.'
`Ja, goed de mannen staan al klaar. Wat ons betreft kan het van start gaan. Dat tijdsschema is best wel krap. Volgens Torun wordt het heel moeilijk.'
`Torun?'
`Een van de mannen die met je mee gaat.'
`We moeten wel als we de bewakingspost niet in rep en roer willen brengen. Het is zo afgesproken met het coördinatiecentrum. We moeten wel als we de operatie niet in gevaar willen brengen.'
`Oké, Torun en Ibrahim gaan mee.'
Avlon pakte zijn rugzak. Hierin zat de stof die het mosterdgas en elke andere chemische verbinding onschadelijk kan maken. In zijn laatste jaar als student op de universiteit had hij dat speciaal ontwikkeld. Avlons professoren stonden perplex. Net als veel andere uitvindingen, schitterde Avlons vinding door zijn eenvoud.
Torun en Ibrahim hadden alleen touwen bij zich. Een van hen had ook een soort zwaard in een koker op zijn rug.
De overige mannen brachten de drie weg naar de plek waar ze naar boven konden.
`Moge Allah met jullie zijn.' riep de leider op gedempte toon. De achterblijvers staken hun hand in de lucht. Ze maakten een V-teken.
De drie hesen zich omhoog, Avlon als eerste. Hij stond daar in het donker. Hier werd de grot nog niet bewaakt en daarom kon hij zijn zaklamp wel aan doen om zich te oriënteren. Hij scheen vooruit de grot in terwijl de andere twee zich bij hem voegden.
`Oké, die kant moeten we op. Blijven jullie in vredesnaam vlak achter mij want elkaar kwijtraken is hier fataal voor de operatie.'
`Waar zijn we nu, met andere woorden waar zitten de eerste controleposten?' siste Ibrahim om zijn zware stem niet te duidelijk te laten doorklinken.
`Bij de volgende bocht moeten we overleggen hoe we ze aanpakken.'
`Dus ze zitten dichtbij.'
`Ja, maar alsjeblieft geen woord meer.' zei Avlon kortaf.
Ze zagen niet veel van de rotsige omgeving. Af en toe, als Avlon bijlichtte werd iets van de dodencel 75 meter onder de grond zichtbaar. De stalagtieten richten zich op en de stalagmieten maakten de gevaarlijk uitziende haaiebek compleet.
Voorzichtig naderden ze de bocht waar ze zouden overleggen hoe ze die post zouden overrompelen. Ze besloten eerst de bewakers te zien proberen te krijgen zodat ze ook zouden weten met hoeveel ze te maken hebben. Daarna zouden ze de het definitieve plan maken. Het moest heel snel gebeuren want de klok stond al op 22.30 uur.
De bewakingspost lag in het brede gedeelte van de grot. Het was als het schip in een kathedraal. De grot was verlicht en van afstand goed te zien. In het midden van de koepel was een klein ondergronds meertje. Op een verhoging naast dat meer, het stak wel vijf meter boven het water uit, stond een kleine houten barak met grote ramen die de bewaking van het schip eenvoudig maakte.
`Dit is iets voor jullie.' zei Avlon tegen de twee verzetsstrijders. De twee mannen keken elkaar aan en knikten instemmend.
`We moeten eerst weten hoeveel mannen er in dat hutje zitten. Daarna moet jij het afleiden door een steen tegen de wand te gooien. Als het lukt kunnen we eenvoudig vanachter die rotsen door het water naar de wand waden om vervolgens tegen die steile muur op te klimmen.'
`Ja makkelijk natuurlijk.' ondertussen dacht Avlon dat het ontzettend gevaarlijk was. Hij had rekening gehouden met een wachtpost, maar niet zo letterlijk. Ook zijn instructies maakten geen melding van een wachtpost in een houten huisje, 75 meter onder de grond in een verlaten streek van Iraq.
`Incredible!' fluisterde hij hardop nadat hij sinds de eerste kennismaking met het verzet hun taal had gesproken.
`Why do you think so.' reageerde Torun in vloeiend Amerikaans-Engels, `I bet they also have an electric heater.'
Ibrahim en Torun kropen op hun buik naar voren, om zich vervolgens achter de rotsen die tegen het water aanlagen, te verbergen.
Avlon keek er na. Hij zag dat ze het licht van de schijnwerpers naderden. Toen ze de rand hadden bereikt wachtte hij op een teken dat hij de steen moest gooien.
Op de tast had hij een steen gevonden die als een duiveëi aanvoelde. Hij gooide die tegen de wand aan die ongeveer 80 meter van hem verwijderd was. Het wachthuisje dat qua ligging op een onneembare vesting leek, was ongeveer 50 meter van die wand verwijderd. Als de bewakers die kant opkeken konden Torun en Ibrahim de wand ongezien bereiken. Ze waren vanuit het wachthuisje alleen de eerste tien meter zichtbaar daarna belemmerde de hoge ligging van de post dat zij zouden worden gezien. Torun hief zijn hand in de lucht. Avlon ging staan, strekte zijn arm en gooide de steen. Deze steen ketste, ondanks de afstand, met kracht tegen de wand en kwam op het gladde verlichtte pad terecht. Een bewaker kwam naar buiten. Ibrahim en Torun waadden op dat moment naar de muur. De bewaker zag hen niet. Bij de muur deden ze hun van kamelenhuiden gemaakte schoenen uit om met hun tenen meer houvast te vinden in de gleuven die de rotswand had. De bewaker was alweer terug op zijn post. Hij had de deur open toen die bewaker tegen een of meer metgezellen luid verstaanbaar zei dat het waarschijnlijk een losgeraakte druipsteen was. Torun stak als eerste zijn kop boven de rand. Hij hoorde een bewaker aan de andere kant van de hut duidelijk zeggen dat er niks aan de hand was.
`Ze zijn boven zeker aan het donderjagen met hun oorlogstuig! Hahahaha, en wij hier maar wachten tot weet ik wie het door heeft dat vijandelijke mogendheden..' de wacht maakte de pose van Saddam Hoessein, `... Iraq zullen knevelen. Hahahaha. De moeder aller veldslagen? Hahahaha. Stiefmoeder zal hij bedoelen, hahahahahaha.' Ditmaal lachten de andere bewakers mee. Ze weten dat na de dood van zijn moeder, de vader van Hoessein een nieuwe vrouw huwde. Zij zou haar Saddam naar de macht hebben gebracht, zoals Agrippina haar Domitius Ahenobarbus , Claudius heeft laten opvolgen.
Ibrahim en Torun waren om het hutje heengekropen en hadden de deur bereikt. Daar luisterden ze naar wat gezegd werd. In het gelach van de toezichthouders vond Torun het genoeg. Hij stond op en viel de deur binnen. Daar zaten twee bewakers. De derde stond voor hen, de handen nog omhoog. Met opgeheven zwaard der gerechtigheid riep Torun dat ze zich niet moesten bewegen en de handen achter hun hoofd moesten houden.
Ibrahim kwam ook binnen en bond de drie mannen vast, terwijl Torun ze in bedwang hield met zijn sikkel-vormige zwaard.
Hij bond ze stevig vast en riep Avlon. Avlon liep langs het huisje en zag de radiator achter de mannen die samengebonden op de stoelen zaten. Het was 22.50 uur, Avlon merkte daarom op dat de eerste fase goed was verlopen maar dat ze achter op tijdsschema lagen.
`Och, dan moeten we alleen wat harder lopen,' zei Ibrahim, `Het is vanaf hier allemaal verlicht, het is dus eenvoudig.'
`Dat weet ik niet omdat hier ook militairen rondlopen en de bewaking wel zal opmerken dat hier wat aan de hand is.'
`Wat doen we als het wordt ontdekt?'
`Niks, er is één uitweg die we dan kunnen gebruiken. Kom op we moeten verder!' Avlon had zijn rugzak al gepakt en in juiste positie gebracht. Torun en Ibrahim stonden ook klaar om over het vochtige pad langs de rotswand en de vijf meter diepe afgrond naar de ingang van de volgende grot te lopen. Dekking was er nauwelijks. Daarom waren alle drie stil om elk geluid te kunnen horen. Ze hadden nog even de tijd om het volgende doel te bereiken, de hal waar de scuds zijn opgeslagen.
Voorzichtig naderden ze de ingang van de bovenliggende grot. Er was een soort uitgehouwen trap die twintig meter omhoog leidde om daar achter een richel te verdwijnen.
`Dit is de trap die naar de hal leidt.' dacht Avlon.
`sst, ik hoor wat.' siste Torun, een gedempt gepraat kwam uit het gat de volgende grot betekende. Die grot was goed verlicht terwijl zij gehurkt in het donker zaten. Het geluid werd steeds sterker en schaduwen marcheerden voorbij. De mannen haalden opgelucht adem.
`Hoeveel waren het er Ibrahim?' vroeg Avlon aan Ibrahim die het dichtst bij het gat zat.
`Ik telde drie schaduwen.'
`Patrouille?'
`Nee ik denk het niet.'
`Goed, we gaan verder, maar wel voorzichtig. Ze lopen hier wel rond ook al is het geen patrouille.'
Een voor een kropen ze door het gat. De grot waarin ze kwamen was hel verlicht maar er waren veel plekken waar ze zich konden verstoppen. De grot was ongeveer 15 meter breed op de plek waar zij uit de muur kropen. Er stonden vrachtwagens en tanks van Sovjet- en mobiele zijderups-raketten van Chinese makelij geparkeerd langs de wand.
`Follow me,' zei Avlon `We moeten rechtsaf om bij de hal te komen.' De twee volgden Avlon die achter de vrachtwagens en tanks langsliep. Er liepen hen twee mannen tegemoet. De drie verborgen zich onder een tank en ze werden ongemerkt gepasseerd. De twee maakten ongecontroleerde bewegingen met hun armen en hoofd en reikten hun handen naar de hemel.
`Als ze woedend op Hoessein zijn hebben ze gelijk.' dacht Avlon onder een Sovjet tank.
Ze kwamen vrij gemakkelijk bij een hal waar ze de raketinstallaties voor het eerst zagen. Ze keken in de hal rond.
`Tjonge, wat zijn die dingen groot.' zei Ibrahim verbaasd.
`Tja, geluk is dat ze voor de lange afstand zijn en het grootste gedeelte van hun lengte voor de brandstof wordt benut.' verduidelijkte Avlon. `Het is 0.05 uur. We moeten ons oriënteren en besluiten hoe we de bewaking aanpakken.'
`Ja inderdaad dan we hebben nog maar 25 minuten. We moeten opschieten.' zei Torun, `maar ik heb al een idee.' Het was stil. Fluisterend ging Torun verder, `De bewakers zitten in dat glazen hokje,' hij wees naar een hokje met veel glas dat blijkbaar werd gebruikt als een soort kantine, `Ik heb hier niemand zien lopen ...., kijk daar heb je weer zo'n hokje met wat bewakers erin. We moeten die cabines afsluiten en hun communicatie-verbindingen in die hokken verbreken. Als er iemand de hal betreedt maken wij hem onschadelijk. Zo kun jij ongestoord je werk doen.'
`Eenvoudig maar geniaal, zeker veel films gezien?'
`Ja, Amerika is het land van het kijkplezier, elk moment een film op TV. Trouwens, dit is uit `De kanonnen van Navarone''
`Nou ik denk dat je er niet te veel hebt gezien. We doen het, hoeveel tijd heb je nodig?'
Torun zei wat Avlon wilde horen, 20 minuten.
`Het moet snel gebeuren' zei Avlon.
Terwijl de twee opstandige Irakezen hun officiële leider een poets bakten, haalde Avlon de spullen te voorschijn die hij nodig had voor zijn werk. Hij had alles tot op een snijbrander toe, deze moest hij in elkaar zetten. Hij haalde de, in blikken verpakt poeder te voorschijn wat de chemische lading van de raketten onschadelijk moest maken. Terwijl hij zijn spullen controleerde en de brander in elkaar zette, zag hij dat de bewakers als kazen onder een glazen stolp werden gevangen. Gelukkig hadden de twee Irakezen eerst de telefoonlijn afgesneden. Ze hielden de bewakers en mecaniciens met een buitgemaakte kalasnikov onder schot en bonden het personeel met één van de sterke vezels van DUPONT. Ze maakten naar Avlon een gebaar dat ze klaar waren. Avlon ging naar beneden en liep direct naar de eerste scud-raket. Hij had al een analyse gemaakt van de raket en wist zodoende precies waar hij beginnen moest. Avlon was verbaasd van de verbluffende eenvoud van de constructie van de scud. Het was een verlengde versie van een raket van Sovjet makelij die hij al bestudeerd had, maar dat dit er mee kon had hij niet verwacht. Avlon vond het knap van de ontwikkelaars van de verlengde versie om met zo weinig middelen en kennis zo'n prestatie te verrichten.
Met een soort spuitbus spoot hij de anti-stof in de kop van de raket. Hij werkte consequent, als een boer die zijn weiland omploegt om maïs te gaan verbouwen. Tegen 1.30 uur was hij klaar. Hij had inmiddels gezelschap gekregen van de twee.
`Goed, dat is dat, zijn we klaar om te vertrekken? Looppas naar de rivier.'
Ze renden min of meer door de grot waar de legertrucks en tanks geparkeerd stonden. Het was bloedlink. De kans om gezien te worden was levensgroot aanwezig.
'We moeten wel rennen. Ons geluk hebben we bijna verbruikt. Het is alles of niks.'
Aan de andere kant van de grot verschenen een aantal militairen, `Oh shit, rennen.'
Terwijl een mitrailleur zijn uiterste best deed om de drie te raken en de kogels hen om de oren vlogen, bereikten ze het donkere gat. De militairen hadden een achterstand in het voordeel van Avlon, Torun en Ibrahim. Ze daalden de stenen trap af en renden in de richting van de geknevelde en opgesloten bewaking. Binnen tien minuten hadden ze het hel verlichte punt bereikt. Ze waren nog niet uit de gevarenzône. Ze renden langs de hut. De bewakers waren nog vastgebonden. Achter hen hoorden ze Duitse herders.
`Tjonge, zelfs de honden zijn van Duitse origine.'
`Rennen, Ibrahim, rennen!' en Torun trok zijn metgezel mee. Avlon struikelde in het donker, hij haalde zijn been open. Het deed zeer maar doordat hij niks zag, leek het hem niet ernstig en liep hij door. Het tempo was gedaald. Achter hen zagen ze nu ook het licht van de zaklampen van de militairen. Ze kwamen bij het volgende gat waar ze doorheen kropen om weer een stuk te rennen.
`Nog even,' dacht Avlon, `Dan zijn we bij de rivier. God alsjeblieft.' Zijn been deed geen pijn meer, het lopen vermoeide hem niet. De andere twee liepen achter hem. Zij liepen met Avlon mee als twee vlinders die om een bloem fladderen.
`Gaat het?' hoorde hij, `We zijn er bijna, nog even volhouden.' zei Ibrahim tegen Avlon, `Torun zal de militairen op afstand houden als wij richting de boten gaan.' Hij hoorde schoten, mitrailleurvuur. Zij zetten zich in beweging en bereikten na korte tijd de boten.
`Hé, jullie zijn op tijd!' hoorde Avlon vaag de leider schreeuwen, `Wat is er aan de hand met hem en waar is Torun?'
Ibrahim legde Avlon die hij sinds Avlons val had gedragen, halfbewusteloos in de boot. Avlon was zich er niet van bewust. Hij was verzwakt en had veel bloed verloren.
Ibrahim schreeuwde tegen de leider dat ze de boten te water moesten laten. Torun zou de militairen op afstand houden. Hij was nog niet uitgesproken toen Torun met de kalasnikov in de handen er aan kwam rennen, `Wegwezen!' schreeuwde hij, 'Ze kunnen elk moment het obstakel uit de weg geruimd hebben.' Hij gaf zelf het goede voorbeeld door in de kleine eenpersoonsboot te springen die al in het water lag. Hij voer weg. De andere grotere boten kwamen er achter aan.
De militairen die er aan kwamen, konden alleen maar zien dat er niemand meer aanwezig was. De mannen, het verzet, waren allang achter de bocht verdwenen. Naar de overkant konden de militairen niet omdat de brug, even verderop over de rivier gespannen, weg was gehaald.
De rubber opblaasboten voeren met de stroom mee. Ze passeerden weldra de plek waar ze elkaar ontmoet hadden. Avlon trok weer bij. Hij zag zijn verwonde been, de pijn schoot er door heen. Hij vroeg om zijn rugzak.
`Die heb ik moeten achterlaten. Het was teveel ballast.' zei Ibrahim.
`Nee hoor, ik heb hem meegenomen.' antwoordde Torun die naast hen voer.
`Oh bedankt. Er zit een verbandtrommel in en pillen om de pijn te verlichten.'
De rivier meanderde en de stroom versnelde zich.
`Pas op Torun, weg daar. Er zitten stroomversnellingen.' zei de leider die het bootje van Avlon bestuurde.
Ze bereikten ongeschonden de plek waar ze uit de boten gingen om te voet verder te gaan. Er werd Avlon gevraagd in hoeverre hij kon lopen. Hij probeerde te staan maar het ging niet.
`Kun je van die roeispaan een kruk maken?' vroeg Avlon aan de leider.
`Jawel, dat is niet zo moeilijk.' Hij brak het stuk hout, `Kijk, dit bedoel je toch?'
`Ja, bedankt.' Hij duizelde.
Avlon had een paar pijnstillers geslikt. De wond voelde verdoofd aan.
`'t Is maar te hopen dat die Amerikanen snel komen' dacht Avlon en hij wist dat de Irakezen net zo dachten.
Ze bereikten de ingang van de grot. Het daglicht dat het dal deed leven, drong binnen. Het was ochtend en de vallei leefde om over een paar uur stil te worden. Dan zou de heli van de Amerikanen komen om hen op te halen en om die afschuwelijke stilte te doorbreken.
`We kunnen beter in de grot blijven met een man op uitkijk bij de ingang van de grot.' zei de leider tegen Avlon, `We hebben een bericht uitgezonden.'
`Ik moet eerst het centrale commando zien te bereiken om te zeggen dat mijn missie volbracht is. Waar is mijn zender?'
`Die heeft hij.' De leider wees naar een man.
`Zender? Ik heb geen zender. Is die niet vernietigd, zoals voorgeschreven?'
De leider keek woedend naar boven, `Mooi is dat!'
`Nou ja, via de Amerikaanse chopper zou het ook kunnen. Dan moeten we daar maar op wachten.' Ze hadden besloten binnen de grot te wachten en een man bij de ingang te posten.
Avlon dacht aan zijn droom. Het leek allemaal zo vreemd, alsof hij meedeed in een toneelstuk. Hij had de hoofdrol en de anderen waren figuranten. Nee, dacht hij, dat kan niet. Hij ontkende het, het is geen droom, het is geen toneelstuk, het is de bizarre realiteit.
Zijn been begon op te zetten. Hij voelde het steken. De pijnstillers verloren hun werking.
`Als ik het niet redt, zorg dan dat ik niet in handen van de Irakezen val.' zei Avlon, die dacht dat het wel erg slecht met hem gesteld was.
`Die chopper komt wel daar ben ik van overtuigd.'
`Ik herinner mij een droom. Het speelde zich af in een grot. Ik was de wachtpost, er gebeurde wat en de droom was voorbij. Ik vrees het ergste voor Torun.'
`Hoezo?' vroeg de leider maar Avlon raakte buiten bewustzijn.
Het was stil in de grot. Toen kwam Torun binnen rennen. De Amerikanen landen. Maak je gereed. Ze hoorden het lawaai van de chopper. De leider en nog een man pakten Avlon beet en sleepten hem naar de helikopter.
`He has lost his consciousness, he fainted' zei Torun tegen een medisch officier.
`Hahahaha, he lost his consciousness. No brains my friend.' reageerde de officier en hij laadde Avlon in de chopper. In het lawaai van de rotoren van het hefschroefvliegtuig probeerde hij Torun gerust te stellen, `It's just like M.A.S.H, he will make it!'
XV THUIS II
In de ziekenzaal rook het naar bloemen. De zaal was feestelijk versierd met slingers. Boven zijn bed waren de kaarten in een zachtboardplaat geprikt. De meeste kaarten hadden een Hebreeuwse tekst maar er sprongen twee in het oog. Deze twee kaarten waren in een andere taal. Het was bezoekuur en hij verwachtte dat veel van zijn vrienden zouden komen. Als eerste kwam zijn vriendin binnen. Hij stak zijn armen in de lucht. Zij rende naar hem toe en omhelsde hem.
Hij probeerde wat te zeggen maar sprak nog niet echt hoorbaar.
Z'n vriendin haalde iets uit haar rugzak en gaf het hem.
Het was een wassen plankje zodat hij kon schrijven wat hij wilde zeggen.
`De doktoren zeggen dat je stem de tijd moet hebben.' zei zijn vriendin, `God wat ben ik blij dat je weer terug bent.'
`Waar was ik dan?' schreef hij.
`In Holland'
`Wat deed ik daar?'
`Dat weet ik niet. Je was betrokken bij een operatie om Israël te sparen. Je bent onderscheiden.' zei ze geestdriftig.
`Wat is er gebeurd met de anderen, met Llivia, Andrea, Moses, Nathaniël en Petor?'
`Zij zijn gered. Na de oorlog zijn ze via Damascus teruggekomen'
`Oorlog?'
`De Golfoorlog duurde gelukkig maar kort. Helaas is Hoessein niet gepakt.'
`Heb ik je wel gebeld?'
`Nee.'
`Ook niet geschreven?'
`Ja, een postkaart uit Holland'
Avlons gezicht betrok. Hij begreep er niks van. Hij wilde slapen en schreef dat op met potlood op een blocknote. Toen het bezoek weg was, viel Avlon snel in slaap.
XVI DE WERKELIJKHEID VAN AVLON P.
Hij sliep nog maar net toen de generaal hem wakker maakte. Ongevraagd vertelde hij hoe het de overige leden van de expeditie is vergaan.
`De operatie liep voor Llivia, Moses en Nathaniël soepel. Ze moesten een bergje beklimmen, iets waar ze geen moeite mee hadden. Boven op de berg zou een raketinstallatie moeten zijn. Deze moest uitgeschakeld worden, samen met de bewaking. Boven op de berg zagen ze dat er eens een installatie moet zijn geweest. Er stonden nog wat keten maar verder was het stil op de top, er was geen operationele installatie meer. Vanaf de berg hadden ze een machtig uitzicht over het laagland in de verte zagen ze lichtjes van een verafgelegen stad. Opeens hoorden ze achter zich geronk opstijgen. Het waren geallieerde vliegtuigen wisten ze. Vliegtuigen die naar Baghdad zouden vliegen. Opeens lagen ze onder vuur. Clusterbommen vormden aan de voet van de berg een tapijt van vuur, tegen de helling van de berg sloegen warmte zoekende projectielen in. Ze wisten dat er van Irakeze zijde militaire activiteiten waren maar een beschieting door de geallieerde luchtvloot van dit kaliber hadden ze niet verwacht. Granaten vlogen hen om de oren. Nathaniël werd door een granaatscherf geraakt in zijn been. Llivia wist dat ze hem niet mee kon nemen. Hij zou de afdaling niet overleven met een slecht been. Er moest een helikopter komen om hen op te halen. Llivia seinde daarom dat ze dringend assistentie nodig had, het liefst een heli. De beschieting die hen trof was ook hun geluk. In het squadron dat de beschieting uitvoerde, was een apache-helikopter opgenomen. Deze was bedoeld om jou en de anderen op te halen. Helaas voor jou werd dit afgelast omdat de apache werd geraakt door een granaat van de Irakezen. Je had daarom ook niet in de grot moeten blijven wachten maar je had direct de loop van de rivier moeten volgen naar het zuiden.' De man keek om zich heen, `Dom van jou,' zei hij verwijtend, `Je bent te afwachtend geweest. Leer er van. De volgende keer ben je het nodig. Ga niet op iets zitten wachten, maar neem zelf het initiatief.' Hij praatte met een droge mond. De generaal stond op en liep naar de kraan tegenover het bed. Hij dronk eruit en ging weer zitten. Hij vervolgde zijn verhaal, `Voor Petor en Andrea verliep de operatie minder voorspoedig. Zij werden gedropt bij een strategisch belangrijke brug in het midden van Iraq. Hier zouden zij springladingen aanbrengen. De nacht was helder en ze werden gedropt op een plek waar ze onopgemerkt naar de brug konden gaan. Dat de brug streng zou worden bewaakt was voor hen een bekend gegeven. Maar dat de waterstand hoog zou zijn, had men op het hoofdkwartier, waar de plannen werden uitgedacht, niet verwacht. Dit bemoeilijkte de operatie omdat door de hoge waterstand de stroming aanmerkelijk was toegenomen. Dit houdt in dat de springlading niet kon worden geplaatst. Er is een ander belangrijk doel gezocht. Dit is zorgvuldig vernietigd. Hahaha, met man en muis, hahahahhahaha.!!!'
Avlon zag dat de generaal schuimbekte, als een paard dat een bit in de mond heeft. Hij maakte vreemde grimassen met zijn gezicht toen hij was uitgesproken. De generaal gierde van het lachen, het uitlachen van Saddam Hoessein. Het leek of de generaal was veranderd van een vriendelijke man op middelbare leeftijd in groen/grijs legeruniform in een monster dat uit is om dood en verderf te zaaien.
Avlon kreeg een vreemd gevoel in zijn lichaam. Alsof een afgrijnzen hem vervulde. Hij voelde dat zijn darmen zich samenknepen, van machteloze woede. Hoe voelde dat zijn lichaam zich spande om zich ineens te ontladen. Hij wilde zijn gezicht van de generaal africhten en hem wegsturen, maar hij kon niet. Avlon wilde weten voor welke monsters hij werkte.
Toen de generaal uitgelachen was, boog hij zich, het schuim nog op zijn lippen, over Avlon, `Zo gauw jij weer beter bent Avlon, gaan we dat gedrocht van een Hoessein vernietigen. Hahahahaha!!!'
XVII DE WERKELIJKHEID VAN PIM PAERCELLUS
Pim vloog rechtovereind in zijn bed en schreeuwde het uit.
Het ziekenhuispersoneel kwam aanrennen. Zo'n gegil had de patiënt nog niet laten horen. Verbeek werd opgeroepen zich naar kamer 11, de kamer van Pim Paercellus, te begeven.
Pim was inmiddels tot bedaren gekomen. Hij klampte zich vast aan de verpleegster die zijn voorhoofd met een zachte doek wilde afnemen, `Alsjeblieft breng me naar huis. Ik kan er niet meer tegen!'
`Pim schreeuwde het uit,' zei Verbeek, `hij was zich zelf niet meer, stond in zijn bed en schreeuwde in duidelijk verstaanbaar Engels dat we moesten blijven waar we waren, niet mochten bewegen. Toen sprong hij uit het bed naar mij toe en zette mij een mes op de keel. Ik dacht nogwel dat het verplegend personeel hem vakkundig een riempje hadden omgelegd. Hij heeft het blijkbaar toch los weten te krijgen. Pim zei dat het een gijzeling was en dat hij direct z'n kleren wilde hebben. Op mijn kamer bond hij mij vast en trok zijn kleren aan. Toen kwam hij met de eis dat hij een bus met chauffeur wilde hebben en een vliegtuig naar Baghdad.' Verbeek herhaalde nogmaals dat de heer Paercellus duidelijk zichzelf niet meer was, `Uiteindelijk is de bus gekomen en moest ik instappen. Hij heeft zich toen naar Schiphol laten rijden. In de bus hield hij alles goed in de gaten en beet mij toe dat ik een moordenaar was.' Verbeek slikte, `Dat ik onschuldige slachtoffers maak en dat het mij niet uitmaakt hoeveel doden er vallen.' Hij keek de journalisten aan, `Op Schiphol konden we doorrijden naar een klaarstaand vliegtuig, gewoon een KLM-vliegtuig overigens, de bus stopte en nadat hij de chauffeur een aantal messteken had toegebracht, duwde hij mij eruit. Op dat moment, er was een meter afstand tussen Paercellus en mij klonken er schoten. Ik dook op de grond. Aangeschoten liet Paercellus het mes vallen. Hij strompelde nog enkele seconden en viel toen op de grond, vlak naast mij.' Verbeek liet zijn hoofd op haast melodramatische wijze enkele seconden zakken vervolgens richtte zich opnieuw tot de journalisten, `Kijk, als medicus wil ik natuurlijk een goede anamnese maken en een diagnose stellen. Ik heb daarin jammergenoeg gefaald. Gebrek aan gegevens, onvolledige informatie kunnen leiden tot dit soort dingen. Maar overtollige informatie kunnen ook tot verschrikkelijke dingen leiden. Mijn hypothese is dat Paercellus aardig over zijn toeren is geraakt van de hele crisis-situatie in de Perzische Golf. Wellicht zat hij vanaf augustus voor zijn televisie naar CNN te kijken, met zijn afstandsbediening te zappen, van CNN naar de gezamenlijke omroepen van Nederland 3, van RTL 4 en haar Duitse zuster naar de BBC en de Duitse Rundfunken.
Expliciet maak ik ook een verwijt naar de media die constant bezig is de burger te overgieten met een chocolade van informatie waar je niks mee kunt, ja, je tanden worden bruin. De media misleidt ons, nee we laten ons misleiden door hen. Deze man is het slachtoffer van de constante informatiestroom die de mens bereikt. Enige zelfcensuur had de man niet naar mijn mening en die moet je tegenwoordig hebben wil je deelgenoot zijn van actuele gebeurtenissen. Je kunt zeggen dat er een overkill aan informatie is. De overvloed aan informatie leidt tot dysinformatie. Maar goed ik dwaal af. Meer heb ik niet te zeggen.' De schrijvende pers omringde hem. De journalisten van radio en TV. verdrongen zich om een beetje informatie, geheel tegen de gewoonte in op de tweede rij.
`Hoe lang was hij al opgenomen!' kraaide een verslaggever.
`Hij zou z'n vierde week ingaan.' Verbeek baande zich door de horde reporters.
`Alsjeblieft laat me er langs, ik wil naar huis, mijn ervaring verwerken, ik ben op!'
`Wat bedoelt u daarmee?' vroeg een journalist van de schrijvende pers.
`Dat ik op ben?'
`Nee dat ...'
`Wat ik er mee wil zeggen,' en zijn adem stokte even, `is dat aan de maatschappij op z'n minst een steekje los zit. Dat ene steekje zijn er ongetwijfeld meer: Nederland is ziek. Het begint er in ieder geval steeds meer op te lijken. Wat dat betreft had Paercellus niet helemaal ongelijk mij als moordenaar af te schilderen. Moreel gezien zijn we met z'n allen moordenaars. Misschien is dat onze ziekte. Een ziekelijke neiging tot het plegen van moorden of er op z'n minst bij te zijn. Lees de kranten maar, kijk maar naar de televisie, luister naar de radio, lees de tijdschriften en de boeken.' Verbeek leunde met een hand tegen de muur. Hij wees naar een schilderij naast hem van een paar boeren op een landweg. `Kijk dat had hij nodig, rust mien jong.'
Hij sprak verder, `Als je nadenkt weet je dat de Golfoorlog nog heel lang zal nasudderen. Vraag het maar aan mensen die de Wereldoorlogen hebben meegemaakt. Vraag het maar aan het Indië-gangers, de Knillers, wat voor trauma zij hebben overgehouden. Vraag het maar aan de Japanners, de Italianen, de Indonesiërs, de Duitsers, de Amerikanen, de ex-Joegoslaven, de Irakezen. Ja, vriend en vijand, de slachtoffers en daders. Vraag het maar aan prins Bernhard. Denk je niet dat hij er niks aan over heeft gehouden? Mensen die betrokken zijn geweest wel. Hij misschien niet, dat weet ik niet. In ieder geval deze Paercellus wel, een gewone man in de huiskamer. Het kan niet anders.'
`Laatste vraag meneer Verbeek, Kijkt u wel eens naar de EO?'
Verbeek slaakt een diepe zucht, `U heeft het niet begrepen. Het is geen kwestie van een bepaalde maatschappelijke stroming, politieke kleur of wat dan ook. Het is een virus die zich in alle lagen, nee, overal in de samenleving bevindt. Trouwens dat in hokjes plaatsen wat u doet is een slechte gewoonte, dat houdt die virus levend. Iets wat de objectieve journalistiek niet bevordert.' Verbeek probeerde door de kring verslaggevers en journalisten en camera-mensen heen te breken, maar hij bleef opgesloten. Een salvo van vragen werd op hem afgevuurd.
`Was u niet bang, meneer Verbeek?'
`Wat denkt u als medicus van de hele situatie?'
`Bent u zelf niet mede-verantwoordelijk voor de affaire die is ontstaan?'
`Denkt u niet dat dit de naam van het ziekenhuis zal schaden?'
`Hoeveel mensen zoals Paercellus lopen er nog meer rond?'
`In hoeverre is Israël er bij betrokken?'
Verbeek wist zichzelf te ontzetten en liet een verbouwereerde groep journalisten achter zich. Zijn grote, spookachtige gestalte liep schuddebuikend naar de uitgang van het ziekenhuis. `Hahahahhahaha, bang? Jullie begrijpen er niks van!!!' riep hij tegen enkele meelopende journalisten, `Het was oorlog en in een oorlog gebeurt wel eens iets.'
1993
Abonneren op:
Posts (Atom)