Bij het meer zijn van die steigers die zomers volliggen met halfnaakte mensen. In de herfst is dat niet het geval, maar dan genieten sommigen van het zicht en de frisse wind. Zo stond ik daar op een bewolkte septemberdag.
Er kwam een man aan. Hij had een vishengel vastgebonden aan de stang van zijn fiets.
'Ik betaal er speciaal voor om hier te mogen vissen.' zei hij.
'Gaat uw gang, dan ga ik weer weg.'
'Nou ja, je mag wel blijven.' zei hij.
Op dat moment kwam er een vliegtuig over. De man volgde het vanuit zijn ooghoeken.
'Ik heb last van watervrees,' zei de man, 'als ik naar het water kijk begin ik te duizelen. Deze steiger is een van de weinige waar ik me vast kan houden. Daarginds is er nog een.' Hij wees naar de molen bij het meer.
Inmiddels had hij zijn dobber in het water gegooid en vertelde over zijn hobby: het vissen.
'Kijk,' begon hij, 'de meesten hier vissen met die weerhaken.' nadenkend liet hij zijn blik over het water gaan, 'Ik niet.'
Hij haalde zijn dobber op. Alsof ik het niet wilde geloven liet hij mij de haak zien. Geen weerhaak.
'Kijk,' zei hij weer, 'vissen is een sport en dat moet een gelijke strijd zijn tussen visser en vis.'
'Zonder weerhaak zal het wel moeilijk zijn.' merkte ik op.
'Ja natuurlijk, maar dat is de sport.'
'Wat vangt u zoal?'
'Meestal voorn.'
'Ik heb hier een paar grote brasems gezien, dood, ze dreven aan de kant.' zei ik.
'Ja, dat zijn die vissers met weerhaken. Die springen er veel te onvoorzichtig mee om.' Hij moest zich vastklampen aan de balustrade en verontschuldigde zich.
'Vroeger heb ik veel gewerkt met het hoofd naar beneden. Nu kruipt het bloed naar mijn hoofd als ik naar beneden kijk en word ik duizelig.'
Zwijgend keken we naar de dobber in het water. Met moeite kon ik de dobber opmerken in het groene moerassige water, terwijl het scheen dat hij hem duidelijk zag.
Hij vertelde over dat werk. In de oorlog was hij tewerkgesteld in Duitsland aan de Tsjechische grens. Hij vertelde hoe hij er in belandde. In de binnenstad werd hij en enkele andere jongens en mannen opgepakt door de Duitsers, verzetten kon niet meer. Ze moesten direct mee. Hij en zijn lotgenoten werden als het ware ontvoerd. Nadat ze werden opgepakt, werden ze afgevoerd naar Duitsland. Eerst naar Hamburg en daarna naar de Tsjechische grens. Een heuvelige, bijna bergachtige streek. Ze moesten werken in smerige fabrieken. Gevaarlijk werk want ze werkten met dynamiet.
'Maar,' zei hij, `we saboteerden natuurlijk zo vaak als we konden.'
Ik luisterde naar het verhaal wat de man mij vertelde en even stond mijn tijd stil.
'De Duitsers waren beesten.' zei hij, `12 uur per dag werken, weinig eten, elke dag te voet de berg af en een andere berg op naar dat werk. 's Avonds moesten we weer dezelfde weg terug naar de barakken.
Soms werden we in wagons vervoerd naar andere plaatsen om te werken. We werden zwaarbewaakt, als criminelen. Maar als er bommenwerpers van de Amerikanen overkwamen, waren de bewakers gevlogen, het veld in. Wij werden apathisch en trokken ons er niks meer van aan. Het was even rusten.'
Ik was onder de indruk van het verhaal dat hij met onderbrekingen, hij keek dan naar zijn dobber en dacht schijnbaar na, vertelde.
'De Duitsers waren beesten. Ze lieten een gat graven door gevangenen. Daarna moesten ze er voor te gaan staan, waarna ze werden gefusilleerd.' Hij had de schoten gehoord en de dichtgegooide gaten gezien.
'Bij de bevrijding was er verwarring. De Duitsers vluchten voor de Russen naar het westen, in de richting van de Amerikanen. Wij moesten mee.
Tenslotte bevrijdden de Amerikanen ons. Het waren de eerste zwarten die ik gezien heb. Ze kwamen rechtstreeks uit de sing sing.' Hij haalde zijn lijn binnen en controleerde het aas.
'Ze kwamen uit de gevangenis,' verduidelijkte hij, `door in het leger te gaan, konden zij zich vrijkopen. Ze moesten dan wel in de voorste linies vechten. Toen ons kamp bevrijd werd, waren er een paar Duitsers die zich verzetten. Ze hadden munitie genoeg en zich in een uitkijktoren verschanst. De Amerikanen hebben die toren toen maar opgeblazen.'
Hij hield zijn dobber ondertussen goed in de gaten maar er was geen beet te zien.
'Toen we bevrijd waren konden we naar huis. Daar hadden ze sinds 1942 niks meer van mij gehoord. De brieven waren niet aangekomen.' Hij was even stil. Ik vroeg hem niks.
'Maar goed, na een reis van een paar weken, eerst meerijden met de legertrucks, ik heb nog een poosje vrachtauto's gereden voor die Amerikanen, te voet verder. Bij Arnhem was alles platgegooid. De treinen reden niet meer, dus moesten we lopen. Het laatste stuk alleen want ik was de enige Groninger in de groep. In Groningen ontmoette ik m'n familie en vrienden weer. Na drie jaar.'
Ik stelde me de hereniging met zijn familie en vrienden voor. De blijdschap, gevolgd door de verhalen wie de oorlog niet heeft overleefd.
Er kwam een vliegtuig laag over. Hij verloor zijn evenwicht en viel daardoor bijna in het water.
'Ik ben er bang voor, maar het is niks vergeleken met die Amerikaanse bommenwerpers en Messerschmidts die ik gezien heb.'
________________________________________
Drie jaar later kreeg de Vereniging voor ex-dwangarbeiders haar gewenste monument; vijf met de handen gebonden mannen in het oorlogs- en verzetsmuseum in Overloon.
________________________________________
Geen opmerkingen:
Een reactie posten