zondag 15 augustus 2010

Stadsloop Delfzijl

Stadsloop Delfzijl

Toen ik holde om de trein naar Groningen te halen, sprak iemand mij aan. Hij wist de weg naar het station niet. We liepen samen naar het station. Op mijn vraag waar de man heen ging, vertelde hij naar Houten, vlakbij Utrecht, te gaan.

We stonden op het perron. Hij pakte een banaan en at hem als een oude man op. Hij had een grof, verweerd gelaat met een haviksneus. Zijn grijze ogen flikkerden op toen hij vertelde hoe lang hij al liep.
`Al negentien jaar, en altijd met veel plezier.' vertelde hij trots, `Ik kom hier al jaren.’ De man vertelde goed te hebben gelopen als oudste deelnemer met achtenzestig jaren. Hij liep de 6,6 kilometer in 38 minuten. Zijn ogen twinkelden weer.

De trein naderde en stopte. De deur ging open en we stapten in. De conducteur kwam langs. Ik liet mijn Ov-jaarkaart zien. Trots liet de hardlopende man zijn pas zien. De conducteur keek er even naar, schijnbaar niet lang genoeg volgens de man want hij vestigde de aandacht op zijn pas.
`Niet veel gezien zeker?' vroeg hij retorisch. `Kijk er maar goed naar want er zijn er maar 900 van. Deze pas zie je niet vaak. Van het ....' De norse kaartjesknipper had er geen boodschap aan.

De man tegenover mij was een gepensioneerde spoorwegman en had vrij reizen. Nu kon hij zijn door het hele land hardlopen. Tijd genoeg en vrienden zat. Bijna het hele land was een fijnmazig netwerk. Aan zijn passie ontbrak niks.
`M'n vrouw vindt er maar niks aan, zij zit liever thuis als ik ga lopen. Ik loop nu al voor de dertiende keer mee in het loopcircuit van Noord-Groningen. Hoe vaker je mee doet, hoe groter de beker hè.' verklaarde hij euforisch. Zijn grijze ogen glinsterden weer.
`Ik loop ook wel in de Achterhoek. Daar heb ik ook een vriend wonen.'
`Is het niet ver, met de trein naar Noord-Groningen?' vroeg ik.
`Och, om halftien vertrekken hè en om half-zeven vanavond ben ik weer thuis.'

We naderden Bedum.
`Wat een vlakte hè,' zei hij, `lekker groen hè. Als ik met m'n vrind hier loop, komen we reeën tegen.'
De trein reed verder over de vlakte van Midden-Groningen.
`Je moet hier wel wonen om te werken.’
`Hoezo?’
Hij verduidelijkte zichzelf, `Moet je zien wat een leegte, niks te doen, je kunt hier alleen maar werken.'


We verlieten het kale land richting Sauwerd.
Zo dadelijk moeten we dubbelspoor krijgen.'
Het enkelspoor splitste zich.
`Hier dubbelspoor!' riep hij uit alsof hij zijn gelijk wilde beklemtonen.
`Dit is station Sauwerd.' probeerde ik.
`Verrek, toch niet.'

We reden langs station Groningen-Noord.
`Is de binnenstad ver weg?'
`Nee hoor, gewoon die weg vervolgen,' ik wees naar de Noorderstationsweg onder ons, `en je bent er zo.'
`Weet je dat ik daar nog nooit geweest ben, stom hè?' bekende hij, `Ik ben eens naar FC Groningen - FC Utrecht geweest, maar de stad heb ik niet gezien.'

`We rijden om hè?'
`Ja, het is eigenlijk niet zo ver naar het Centraal Station.'
`Dat is de suikerfabriek' zei hij. SUIKERUNIE stond er met grote letters op het dak. Het was even stil.
`Daar heb je Niemeyer. Rook jij?.'
Ik schudde m'n hoofd.
`Nou, ik rook sinds januari niet meer, maar ik heb niet gezegd dat ik niet weer begin.'

We naderden Groningen-Centraal.
`We zien mekaar nog wel.' zei hij toen we opstonden. Ik keek nog even achterom maar hij was al verdwenen in de door elkaar krioelende massa.

Geen opmerkingen: